Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Onschuld

Door Jonathan van der Horst

-‘Is die al gescand?’

Het kassameisje wijst op het flesje Aquarius dat een stukje uit haar sporttas steekt. Achter haar openen twee gekleurde jongens hun blikjes Red Bull. Het enige dat ze op de band hebben staan.

-‘Die zat er al in,’ zegt ze, terwijl ze een snelle hoofdbeweging naar de jongens achter haar maakt.

De caissière kijkt even om, terwijl zij verder gaat met het inpakken van de flespompoen en de geitenkaas voor die avond. De winkel is op zondag net lang genoeg open om, na haar wekelijkse sessie bikram yoga, nog even binnen te springen. De rij staat wel tot diep in het gangpad, maar het deert haar niet. Thuis wacht niets anders dan de zon op het terras, spelende kinderen in de tuin en haar man die de heg knipt.

Het gepiep van de kassa, dat onophoudelijk zou moeten zijn, is gestopt. Ze kijkt op van haar inpakwerkzaamheden en ziet dat het kassameisje haar met opgetrokken wenkbrauwen aankijkt. De jongens nemen nog vlug een slok van hun Red Bull. Ze zijn bijna aan de beurt.

Een stem vraagt of er iets aan de hand is. Ze draait zich om en ziet een vrouw met een vlammend rood, kortpittig kapsel. Ze moet denken aan de overblijfmoeder op de school van haar kinderen. Een naar shag ruikende vetkwab, waar ze altijd met een boogje omheen loopt. Het enige verschil is dat er bij deze vrouw een grote V op haar borst prijkt.

-‘Is dit uw tas?’ vraagt de vrouw.

Zij knikt en gaat verder met waar ze mee bezig was.

-‘Bent u met die tas de winkel in gegaan?’

-‘Jazeker.’

-‘Kunt u lezen?’

-‘Wat?’

-‘Of u kunt lezen?’

-‘Ja, dat lijkt me wel.’

-‘Leest u dat dan eens.’

De vrouw wijst op een bordje dat aan de poortjes bij de ingang hangt: ‘Gelieve uw tassen achter te laten bij de receptie.’

Ze kijkt ernaar en knikt kort. Dan laat ze haar hoofd hangen, alsof ze zich probeert voor te stellen dat ze een fout heeft begaan. Ze knikt nogmaals en gaat weer rustig verder met het inpakken van de quinoa en de voorverpakte stukjes meloen.

Vanuit haar ooghoek ziet ze hoe het kassameisje in de richting van het flesje Aquarius knikt. Het lijkt alsof ze dit al vaker gedaan hebben, de vrouw en het kassameisje. Ze begrijpen elkaar.

-‘Wilt u even meekomen?’

-‘Liever niet.’

-‘Komt u toch maar even mee,’ zegt de vrouw.

Nu pas begint ze het gevoel te krijgen dat dit serieus is.

-‘Liever niet,’ stamelt ze nog.

Maar de de vrouw heeft haar sporttas al opgepakt en begint ermee weg te lopen. Verbluft blijft ze staan. Ze twijfelt even of ze in opstand moet komen, haar positie moet verdedigen, of gewoon moet volgen. Ze houdt het op een fluisterend ‘belachelijk’ en loopt dan met grote passen achter de vrouw aan.

De twee jongens grijnzen haar na. Hun blikjes zijn op. Ze zijn eindelijk aan de beurt.

Ze sluit de voordeur zo zacht als ze kan. Vanuit de woonkamer klinkt gestommel. Ze blijft in de donkere gang staan, als een kind dat weet dat het betrapt gaat worden. De deur naar de woonkamer gaat open en in het venster van licht verschijnt een brede figuur. Hij gloeit als een heilige.

-‘Waar was je in godsnaam?’, vraagt hij terwijl hij haar omhelst. ‘Het eten is al koud. Ik heb maar iets in elkaar geflanst.’

-‘Wist jij dat je geen tassen mee de winkel in mag nemen?’

-‘Wat?’

-‘Je mag blijkbaar je tas niet mee de winkel in nemen.’

-‘Wat is dat nou weer voor onzin?’

-‘Ja, dat dacht ik ook. Maar blijkbaar nemen ze het heel serieus.’

-‘Wat?’

-‘Dat met die tassen. Ik ben een uur lang uitgehoord en toen kwam de politie en…’

-‘Dat meen je niet! Meisje toch.’

Zijn omhelzing versterkt. Alsof hij haar achteraf nog voor het onheil wil behoeden.

-‘Wat heb je gedaan?’

-‘Gedaan alsof ik het bordje niet gezien had. Duizendmaal mijn excuses aangeboden en gezegd dat ik voortaan beter op te letten. Ze geloofde dat ik het niet kwaad bedoelde, dus lieten ze me gaan.’

-‘Ongelofelijk,’ zegt hij hoofdschuddend. ‘In wat voor een wereld leven we? Maar kom snel binnen. Je zal wel honger hebben.’

Hij pakt haar hand en leidt haar naar het licht. Als ze de hoek om komen, staren twee paar ogen haar aan. Aan haar dochters vork hangt een blaadje rucola. Het trilt een beetje.

Als de kinderen in bed liggen, kijken zij en haar man naar de herhaling van het journaal. Op het beeldscherm stromen mensen voorbij. Mensen stromen door een woestijn. Mensen stromen door kapotgeschoten straten. Mensen stromen tegen de politie in. Mensen stromen aan op het strand. Ineens begrijpt ze waarom ze gelukkig zou moeten zijn. Omdat ze hier niet aan mee hoeft te doen. Voor haar ligt het leven gewoon voor het oprapen.

De reclame begint. Stofzuigers, make-up, afwasblokjes, telefoonabonnementen en de belofte dat het gemakkelijker kan. Ze kijkt naar haar man en probeert na te gaan of ze nog iets voelt. Hij kijkt naar haar en glimlacht. Zijn hand, die al de hele tijd op haar buik heeft gelegen, begint zich langzaam naar beneden te verplaatsen. Als de reclame is afgelopen en de herhaling van het journaal begint, heeft hij zijn bestemming bereikt. Terwijl de ellende van de wereld zich voor haar ogen herhaalt, voelt ze het. De strijd die aan haar leven ontbreekt.

Normaal gezien rijdt ze nooit door deze buurt. Het is eigenlijk de kortste route naar de school, maar ze houdt niet van de kriskras door elkaar geweven straatjes. Een doolhof waar je je gemakkelijk in verliest. Vol met nachtwinkels, Turkse bakkers en ander schimmige figuren. Ze haat de chaos hier. Maar vandaag is ze zonder er bij na te denken rechtsaf geslagen.

Vanuit de verte komt een scooter aangereden. Zo te zien een pizzabezorger. Hij draagt geen helm. Zweet glimt op zijn donkere huid. Op zijn T-shirt staat in grote blokletters ‘Snel, Lekker en Gemakkelijk’.

Ze drukt de rem een beetje in. De scooter volg haar voorbeeld. Langs beide kanten is er weinig ruimte voor een inhaalmanoeuvre. Dus blijven ze op elkaar afstevenen. Langzaam, maar zeker. Ze draait haar stuur een beetje naar rechts, om langs links een opening te creëren. Hij wil er gretig gebruik van maken en draait zijn gaskraan open. Ze kijkt naar hem. Hoe hij vaart maakt. Hoe hij op haar afkomt. Hoe hij haar voorbij zal gaan. Zonder te weten waarom draait ze haar stuur terug naar links en laat de scooter de zijkant van haar auto schampen. Vanuit haar achteruitkijkspiegel ziet ze hem over het asfalt slingeren. Een moment lang lijkt hij met een uiterste krachtinspanning zijn evenwicht te kunnen bewaren. Maar dan glijdt zijn achterwiel onder hem vandaan en klettert hij tegen de grond. Dan pas drukt ze zo hard als ze maar kan op de rem, maakt haar gordel los en stapt uit de auto.

-‘Oh mijn god!’ roept ze. ‘Oh mijn god! Sorry! Ik zag je niet. Ik had je niet gezien.’

In de winkel van het ziekenhuis staat ze voor het rek met geschenkkaarten. Aan de kassa achter haar staat een vrouw met een rond gezicht en een dikke bos krullen, die ongeïnteresseerd voor zich uit staart. Ze doet alsof ze niet op de vrouw let, maar met haar rug probeert ze te voelen wanneer er naar haar gekeken wordt en wanneer niet. Maar ze voelt niks. De vrouw staart slechts.

Ze vraagt zich af of ze voor iets anders dan een kaart zou moeten gaan. Normaal gezien zou ze daar niet aan twijfelen. Zou ze gewoon haar plan volgen. Maar in een kleine winkel als deze is het moeilijker. Ze heeft hier niks om zich achter te verbergen.

De vrouw achter haar kucht. Ze draait zich vlug om, alsof ze al iets gedaan heeft. Alsof ze al schuldig is verklaard.

‘Als je eruit bent, leg je hem maar op de balie, schat. Ik ga even roken.’

Ze doet een poging tot een glimlach, maar die komt maar moeilijk uit de verf. De vrouw achter de kassa haalt eerst een wenkbrauw op, dan haar schouders en verdwijnt daarna in de richting van de uitgang. Als ze verdwenen is, grijpt zij snel de grootste beterschapskaart met ingebouwd muziekdoosje en laat hem in haar handtas glijden. Dan loopt ze richting de balie.

Halverwege blijft ze stil staan. Op haar lippen verschijnt een glimlach, die na een tijdje omslaat in een soort gegrinnik. Steeds harder en harder begint haar lach door het forum van het ziekenhuis te klinken. Mensen kijken haar na in het voorbijgaan, maar ze kan zich niet inhouden. Zo snel als haar voeten haar kunnen dragen, loopt ze naar de uitgang. De draaideur door, langs de verbaasde caissière, zo de buitenwereld in. De onschuld zelve.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch