Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Onvoltooid verleden tijd

Door Harrie Adema

Loom laat ze zich op haar rug meedrijven op de deining van de golven. Ze geniet van het maanlicht, dat haar naakte, zeegroene huid streelt. Ze weet dat het haar tijd is, maar toch is ze onrustig omdat het haar eerste keer om zwanger te worden en ze haar zusters niet wil teleurstellen. Als de maan verdwijnt achter een wolk draait ze zich om en zwemt ze met krachtige slagen de diepte in. Ze kronkelt als een zeeslang door het water. Dan wordt haar aandacht getrokken door iets groots. Het glijdt over het water. Nieuwsgierig zwemt ze ernaartoe en ziet dat het gemaakt is van dood hout.


Wankel en met hevige hoofdpijn ondergaat Wander het rukken en trekken van een schildknaap, die hem met zichtbare moeite in zijn harnas probeert te hijsen.

Gisteravond had hij zich bezat en toegekeken hoe de anderen zich vergrepen aan de vrouwen, bloedmooie meiden die in een kleine stad verderop aan de kust schatplichtig waren gemaakt. Zelf kon hij hem niet eens meer stijf krijgen. Alleen de drank had nog enig vertier geboden, even maar, want voor zonsopgang had de drakenhoorn geklonken en werd hij wakker met een houten kop.

‘Je kunt toch wel een beetje meewerken,’ zegt het joch. Ik krijg dat kuras van je niet strakgetrokken. Man, houd die pens eens in!’

‘Wat zeg jij!’ zegt Wander met dikke tong en grijpt de jongen bij zijn strot. Met één hand tilt hij hem van de grond. Hij luistert naar zijn eigen hart en de gorgel- en piepgeluiden van de spartelende knaap. Teleurgesteld omdat angst en pijn hem nog steeds geen genot schenken, smijt hij hem van zich af. ‘Gedraag je,’ zegt hij terwijl er een traan in zijn ooghoek groeit.

Hij vervloekt Ireen. Zij wilde graag een kind van hem. Hij wilde het haar graag geven, maar destijds kon hij zich niet binden en koos hij voor de zee, zonder spijt. Sinds hij echter gehoord heeft dat ze dood is, knaagt ze aan zijn ziel en speelt ze met zijn gevoelens, zijn denken en handelen verlammend.

De doodsbange jongen knikt kokhalzend en buigt diep.

Wander ruikt urine en ontlasting. Het stoort hem niet, gewend als hij is aan doden en gewonden die ook stinken naar uitwerpselen. Met loodzware benen, niet van het ijzerwerk, maar van de moeheid in zijn hoofd, beklimt hij de trap naar het dek van de houten driemaster. De zee is ruw en klotst in zijn buik, maar ondanks de nawerking van de drank staat hij stevig verankerd.

De meeste mannen van de IJzeren Horde turen door de ochtendnevel naar de wachtvuren aan de kust, maar Wanders aandacht wordt getrokken door iets in het water. Het zwemt met het schip mee. Een slanke, groene rug zonder vinnen duikt op en weer onder. Een zeehond? Het is te donker om het duidelijk te kunnen zien.

De schepen gaan voor anker op het moment dat de zon op komt. Het ratelen van de ankerkettingen klinkt te luid. ‘Mannen, zet je schrap!’ wordt er geroepen als de rem van de katrollen wordt verwijderd. Met een klap raken de roeiboten het water, waarna de riemen tegen de dollen worden gelegd en de boten door de branding naar het strand worden geroeid.

De gealarmeerde bewoners beschieten hen met brandende pijlen, maar ze zijn niet opgewassen tegen de ijzeren mannen. Na een korte, felle strijd op het strand slaan de overlevenden met achterlating van hun wapens op de vlucht.

Het lijkt vandaag veel te gemakkelijk te gaan. Een valstrik? vraagt Wander zich af. Hij kijkt zoekend om zich heen. Zijn blik blijft even rusten op de doden, liggend in het natte zand, de schedels ingeslagen. Met gebogen hoofd volgt hij de Horde, het zwaard door het zand slepend.

Ondanks de verwarring in zijn hoofd laat het instinct hem nog steeds niet in de steek. Vaag hoort hij iets achter zich. De haren in zijn nek beginnen te kriebelen, een koude streling die hem nog nooit in de steek heeft gelaten. Dan het zachte schuifelen van iemand die sluipt maar nooit geleerd heeft het goed te doen. In een trage reflex draait hij zich om en slaat hij een oude, tandeloze boer, gewapend met een mestvork, bijna doormidden. De gil van de grijsaard gaat door merg en been; de man blijft stuiptrekkend liggen met een opengereten buik, zwemmend in een plas bloed. Stommeling, denkt Wander. Was gevlucht net als de rest! Hij steekt het zwaard rechtstandig in de borst van de creperende landsman en draait het een kwartslag. ‘Geef je God een hand en groet hem van me,’ zegt hij emotieloos als de boer zijn laatste ademzucht uitblaast.

Wander veegt zijn zwaard af aan het gras, draait zich om en loopt in gedachten achter zijn maten aan. Het kost hem moeite om de groep bij te houden.

‘Psst, wat is er met jou aan de hand?’ vraagt opeens iemand met een zangerige vrouwenstem.

Wander blijft verbaasd staan. In eerste instantie ziet hij niemand maar als hij tegen de zon in naar de rivier kijkt, neemt hij in het water het silhouet van een vrouw waar. Ireen? Hallucineer ik? Hij knijpt zijn ogen tot spleetjes.

De watervrouw kijkt terug en begint te zingen.

Wander schermt de zon af met zijn ijzeren hand en probeert in haar ogen te kijken. ‘Wat een lieflijk lied,’ zegt hij en loopt naar de waterkant. ‘Jij herinnert mij aan een meisje van lang geleden. Wie ben jij?’

Ze onderbreekt haar lied en zegt: ‘Ik ben wat jij graag wilt dat ik ben.’ Ze toont hem een betoverende glimlach. ‘Waarom loop jij eigenlijk als een zoutzak langs de oever van deze rivier?’

‘Omdat ik lusteloos ben. Sinds ik weet dat ze dood is, krijg ik dat meisje van vroeger niet meer uit mijn hoofd. Soms wilde ik dat ik haar nooit had gekend. Ze ontneemt mij mijn lust en mijn mannelijkheid.’

‘Misschien kan ik je helpen om het terug te krijgen,’ zegt de vrouw. ‘Leg je erbij neer en geef je over aan wat komt.’

‘Dat zit niet in mijn aard,’ zegt Wander. ‘Mij overgeven kan ik niet. Ik vecht altijd door tot het bittere eind. Maar mij erbij neerleggen is bij nader inzien eigenlijk wel een goed idee.’ Hij zakt door zijn knieën en laat zich in het zand vallen. Het gewicht van het ijzerwerk drukt zwaar op zijn borst en buik. ‘Erg comfortabel lig ik niet,’ klaagt hij en kijkt over het ijzeren landschap naar de neuriënde vrouw in het kabbelende water. Haar naaktheid maakt iets in hem wakker. Zijn lid duwt protesterend tegen de binnenkant van zijn pantser.

Ze begint opnieuw te zingen, betoverend.

Wander gromt en sjort aan zijn harnas. Hij krijgt het er warm van. Zonder schildknaap is het een heel gedoe om dat ijzeren pak weer los te krijgen, maar hij is blij dat zijn gevoel terug lijkt te komen. Koortsachtig rukt hij aan het ijzerwerk, maar ziet dan tot zijn teleurstelling dat ze het water induikt.

Ze komt echter weer boven, blijft op enige afstand geamuseerd naar zijn gestuntel kijken en neuriet nu een mierzoet liedje dat nog meer op zijn gemoed inwerkt. ‘Ik kom, Ireen. Ik kom!’ roept hij en stapt in zijn onderhemd, met uitgestoken armen, het koude water in. ‘Hoe heb ik je ooit kunnen verlaten.’

Ze wenkt en zwemt nog een beetje verder.

Hij duikt naar haar toe om haar onder water te kunnen trekken, maar ze is niet op de plaats waar hij haar had verwacht. Zijn haar uit het gezicht vegend, kijkt zoekend om zich heen. Ze is weg. ‘Waar ben je? Doe nu niet zo vervelend en werk een beetje mee. Ik kan hem niet de hele dag voor je stijf houden.’

Met krachtige slagen zwemt hij terug naar de oever, teleurgesteld. Op dat moment voelt hij iets langs zijn kuit schuren. Een vis? Hij wordt bij een enkel gepakt en onder water getrokken. Hij is niet bang, want in het troebele water naast hem zwemt Ireen. Door de weerkaatsing van het licht heeft haar lichaam een groene gloed.

Ze omarmt hem, geestelijk en lichamelijk, en trekt hem mee de diepte in.

Zijn handen liggen tegen haar volle borsten. Ondanks het zuurstofgebrek voelt hij dat hij hem weer stijf krijgt. Ze kronkelt en even later glijdt hij bij haar naar binnen. Hij kreunt en geeft zich over aan zijn teruggekeerde gevoelens. Het is heerlijk om weer te weten waarvoor ik leef, is het laatste wat hij denkt voordat hij wegglijdt in vergetelheid.


Verveeld laat ze de man los. Nog eenmaal kijkt ze in zijn dode ogen. Ze heeft gekregen wat ze wilde en koestert het moment van samenzijn met deze menselijke ziel die zo gemakkelijk te verleiden was om zijn zaad aan haar te geven en nu voer wordt voor de vissen. Ze verheugt zich op de geboorte van haar kind het komend voorjaar. Wel hoopt ze dat het een meisje is, want alleen meisjes mogen blijven leven.

1 reactie

Odile Schmidt

zondag, 14:45

Mooi episch verhaal in krachtige taal.

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch