Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

OP DRIFT

Door jes de Kam

Het was steenkoud in de kamer, toch lag Rins bloot in bed te zweten. In hem kolkte een drift die in de donkerte van de nacht als een vloedgolf was komen opzetten en zich in de veel te nauwe ruimte achter zijn neus had verzameld, zodat het stoom hem letterlijk uit de oren kwam. Sommigen zeiden dat die razernij was aangeboren, anderen dat het een product van zijn opvoeding was. Rins keek naar de wekker. De klok lichtte 04:12 op. Buiten kwetterden vogels alsof het lente was. Hij wreef over zijn spiegelgladde hoofd. Onlangs was hij de 46 gepasseerd maar al sinds zijn 40ste was hij kaal. Zijn ex noemde hem ‘Golem’, ze zei wel meer dingen, zoals dat hij aan de oppervlakte van zichzelf leefde en het type was dat de schijn van intimiteit wekte om met vrouwen te neuken. Hij staarde naar de wand waaraan zijn manshoge kinderportret hing. In het duister zag hij slechts een schaduw. Zijn moeder had altijd beweerd dat hij op die foto een engel leek. Schuldgevoel woekerde in zijn borst bij de gedachte aan zijn moeders plotselinge overlijden; hij had niet gedaan wat zijn vader had nagelaten. Daags na haar dood had zijn vader hem en zijn drie broers gesommeerd alles wat aan haar herinnerde het huis uit te dragen. Onder zijn jongensfoto stond nu een donkergroene kist met haar dagboeken. Tot ieders verbazing was het fraaie exemplaar met koperen beslag uit haar kledingkast tevoorschijn gekomen. Als vanzelfsprekend was de kist bij hem beland.

Wat hem betreft was er geen misverstand: zijn vader had zijn moeder vermoord. De avond van haar dood, nu twee jaar geleden, was Rins nog bij haar op bezoek geweest. Zijn moeder had lelijk gehoest en verteld over aanhoudende pijn in de borst. Zoals gewoonlijk zat zijn vader aan het eikenhouten bureau bij het raam in de woonkamer met een pen in de hand. Zonder zich om te draaien had hij geroepen dat haar klacht een muizenis was. De ambulance was te laat gekomen. Ze was gestorven aan een veronachtzaamde longontsteking. Rins dwaalde in zijn geheugen. Zijn moeder zat in elk hoekje van zijn herinnering, toch kon hij de details van haar gezicht niet voor de geest halen. Van zijn vader kende hij alleen diens rug. In gedachten zag hij hem telkens op militaire missies met onbekende bestemming vertrekken en als hij thuis was, zat hij schrijvend aan zijn bureau. Zijn moeder zei dat hij de mensheid tegen het kwaad beschermde, maar Rins vroeg zich af hoe iemand die zelf het gevaar was een ander ertegen kon beschermen. Eenmaal thuis eiste zijn vader overdag doodse stilte zodat hij aan zijn grote roman kon schrijven maar ’s avonds, net voor het eten, leegde hij de verzamelde lelijkheid van de hele aardkloot in de huiskamer en ruimden Rins en zijn broers met tekortschietende harnassen het veld. Hij herinnerde zich vooral de geur van angst, de voortdurende alertheid en de verpletterende zwaarte rondom zijn vader. De devotie van zijn moeder had Rins nooit begrepen, zijn vader leek haar in elk geval niet op te merken want iemand die zichzelf volkomen wegcijferde telde volgens hem niet mee. Als jongen had Rins tot gekmakends toe willen weten wat zijn vader aan het papier toevertrouwde, maar zijn vader schoof zijn schriften in lades die hij met een zware sleutel vergrendelde. Op een avond, hij was 17 jaar, besloot hij het heft in eigen hand te nemen. Om 2:00 uur precies sloop hij naar de ouderlijke slaapkamer om de bureausleutel uit zijn vaders broek te halen. Even verstarde hij toen hij tussen het gesnurk van zijn vader en de pufjes van zijn moeder net iets teveel kabaal maakte, maar hij wist ongezien weg te komen. Rins herinnerde zich de zachte klik van het slot voordat hij de lade opentrok en dat hij eindeloos naar de naam op de bovenste van vier stapeltjes zwarte schriften had gestaard. Er was die verwarring: zijn vaders naam was ook de zijne. Nog steeds had hij een zich herhalende nachtmerrie waarin hij in wanhoop probeerde de kaft omhoog te krijgen. Wat hij in zijn vaders schrift had gelezen was zo onwerkelijk dat hij zich afvroeg of hij het wel echt gelezen had. Zijn moeder had ooit gezegd: ‘Iets wat je verstand te boven gaat zie je niet. Als je dingen niet kent, herken je ze ook niet. De hersenen kunnen de informatie nog niet begrijpen. Daarom zie je niet wat levensgroot voor je verschijnt.’ Hij probeerde zich het moment weer voor de geest te halen. Wat hij zag was een eindeloze stottering van dezelfde drie woorden, of was het een verzameling lettergrepen? Verbijsterd bladerde hij door de andere schriften: pagina na pagina dezelfde drie woorden. Rins was zo geabsorbeerd door dat wat hij niet begreep dat hij het kraken van de trap niet had gehoord. Plots waren vuisten op hem neergedaald en was alles zwart geworden. Jaren later, in de nevelige toestand van het ontwaken, dacht hij dat het de vuisten van zijn moeder waren geweest, maar net als zijn dromen was die gedachte vluchtig.

Tot de vondst van de donkergroene kist van zijn moeder had hij de herinnering aan dit alles zorgvuldig van de rest van zijn geheugen afgesplitst. In de schrapende stilte had hij destijds een poosje met een van haar grijs gemarmerde schriften in handen gestaan, alsof het gewicht het belang ervan moest duiden. Iedereen had naar de dicht op elkaar geschreven zinnen vol gecondenseerde gedachten van zijn moeder gestaard toen hij met een snelle beweging van zijn duim door de pagina’s was gebladerd. Ooit had hij zijn moeder horen zeggen: ‘De maan is de vrouw en de man de zon. De zon schijnt zijn licht, maar als het altijd winter is zal hij de maan en haar libraties nooit werkelijk kennen’. Destijds had hij niks van die woorden begrepen. Hij zag de zich herhalende woorden in het schrift van zijn vader weer voor zich: Ha-Satan, Sa-ha-tan, Satan-ha. Had zijn moeder in haar schriften geschreven wat zijn vader niet op papier kreeg? Liet zij in haar dagboeken als de zon haar licht op hem schijnen en op dat deel van de maan dat altijd onzichtbaar bleef? Rins voelde een knagend schuldgevoel. Zijn moeder was altijd in het donker gebleven, en zelfs nu zij hem postuum de kans gaf zijn licht op haar te schijnen, durfde hij haar dagboeken niet aan te raken. Was het de angst voor de vuisten?

Ineens laaide de woede weer hoog in hem op. Ha-Satan betekende ‘tegenstander’ in het Hebreeuws, wist hij nu. Zijn vader had zijn leven lang tegen alles maar vooral zichzelf gevochten, zo zag hij dat. Hij stond op. Als zijn vader zijn moeders parallelle wereld weigerde te lezen, waarom lag de verantwoordelijkheid om haar verhaal aan het licht te brengen dan bij hem? De godverdomde mensheid zag het hele leven maar één kant van de maan. De rotatietijd van de maan was immers precies gelijk aan de omwenteling van de maan om de aarde. Zijn moeder had hem met een onmogelijke opdracht opgezadeld en hij was verdomme de loopjongen van zijn vader toch niet? Tastend in het duister schuifelde hij naar de kist en sjorde aan een handvat. Hij wist precies wat hij te doen had. Hevig zwetend trok hij het dekbed met een ruk van zijn bed, tilde de kist iets omhoog en pakte het ding in het dons. In het pikkedonker duwde hij het geheel de trap af. Met een klap kwam de kist tot stilstand tegen de wc-deur beneden. Voort ging hij, richting tuindeur. Met een paar stappen stond hij met kist en al buiten, zijn blote voeten in de natte sneeuw. Vogels vlogen op. Hij liet het handvat los en stevende richting schuurtje. Met een jerrycan benzine in zijn rechterhand en een brandende lont in zijn linker rende hij terug. Vloekend goot hij de brandstof over het dekbed en met een felle beweging van zijn linkerhand stak hij de boel in lichterlaaie. Daar, nu had zijn moeder haar licht en zou zijn vader voor altijd in het duister van onwetendheid voortploeteren, gedoemd om te blijven vechten tegen zichzelf.

8 reacties

Lizette

zaterdag, 17:14

Wauw, ik kon niet meer stoppen met lezen en was overweldigd door het einde. Dit zag ik niet aankomen. Ik was gewoon té nieuwsgierig naar de inhoud van die kist, haha!

Sandra van Koningsbrugge

maandag, 18:41

Verrassend, scherp, vraagt om meer

miriam peeters

zondag, 12:49

mooi taalgebruik dat de koortsige gemoedstoestand van de hoofdpersoon goed weergeeft

Fanny Willems

zaterdag, 00:47

Meteen wordt ik in het verhaal gezogen en wil ik eigenlijk meer weten van de personages en de achterliggende gebeurtenissen. Wanneer komt deel 2?

Shaida Freese

vrijdag, 18:16

Vernieuwing is uitzonderlijk in de literatuur met dit boek doet Jessica de Kam exact dat!

Saskia Brobbel

vrijdag, 17:42

Een verhaal dat me beetpakt en niet zomaar weer loslaat. Eigenlijk wil ik meer hiervan!

Linda Van Vliet

vrijdag, 16:10

Een steengoed stuk! Ben zeer benieuwd naar het vervolg!

Ton van Huijstee

vrijdag, 14:34

Een verward verhaal en vreemde zinnen die je eigenlijk wilt overslaan.

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch