Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Over een portie spareribs en hoe het allemaal zo voorbij is

Door M. Wesselink

Het zwerk spuwde een deken van oneindige grauwheid over de stad en je kunt dan wel tot in den treure gaan zitten hopen op een silver lining, maar er zijn mensen om minder bezweken. Dus ik naar de kroeg op de hoek, waar Arie achter de bar weer eens in geuren en kleuren zijn openhartoperatie stond na te spelen.

‘Sneden ze me open hè’, zei hij in onvervalst Amsterdams tegen zijn publiek, dat bestond uit een morsige figuur die berustend over zijn biertje zat gebogen. ‘Van hier’, Arie plantte zijn vinger op zijn witte polo ter hoogte van zijn hart en liet die niet zonder gevoel voor drama langzaam afdalen tot zijn navel, ‘tot HIER!’, schaterde hij. ‘Ik leek wel een portie spareribs!’

Ooit was Arie zeeman en toen hij zijn laatste golf had bedwongen, was hij een kroeg begonnen. Café Zeezicht had het moeten heten, maar daar had zijn vrouw een stokje voor gestoken. Omdat er in de Amsterdamse Pijp geen zee te bekennen is wellicht, of om andere haar moverende redenen, wie zal het zeggen? De kroeg werd vernoemd naar hun zoon en dat was dat.

Inmiddels waren drie vrouwen aangeschoven, van het kaliber dat de chaos die het leven nou eenmaal voortdurend voor je voeten blijft kwakken weet te ordenen met een stevig robbertje ramen lappen. Hun wijsvingers hamerden ritmisch op hun lightsigaretten die boven de groepsasbak zweefden.

‘K’heb de héle nacht liggen dromen’, zong Arie luidkeels mee met de stereo. ‘Van je stem, van je mond, van je lijf, van je kont…’ De volumeknop kreeg een slinger. ‘Kom op meid!’, jubelde hij naar de blonde van het trio. ‘Gooi je haar los! Want het is allemaal zo voorbij hoor!’ De vrouw grinnikte besmuikt en duwde haar handen onder die gedroomde kont van d’r.

‘Ja, je lacht’, mompelde Arie, die zich inmiddels had omgedraaid naar de koffiemachine. ‘Maar het is allemaal zo voorbij.’

Het gezicht van de figuur aan de toog kreeg een vage trek die in betere tijden had kunnen uitgroeien tot een glimlach. Voor zich liet hij een bierviltje tollen. Hij nam nog een slok van zijn pilsje.

Buiten begon het te plenzen.

geen reacties
0 Fictie

Rauwe pijn

Sahar Noor

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam