Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Paultje

Door Jan Pronk

‘Paultje? Wat doe jij hier?’
Verbouwereerd kijk ik naar het gezicht van Paultje.
Paultje zwijgt. Dan verschijnt er een vreemde, droeve glimlach op zijn mond. ‘Denk maar even na,’ zegt hij zacht.
Ik staar hem niet-begrijpend aan, dan gaan mijn gedachten terug…

Ik fiets op de stille weg. De zomerzon schijnt en verwarmt mijn huid. Een lome bries strijkt zacht door mijn haren.
Links van mij glijdt een glooiend bos voorbij. Aan de andere kant bevindt zich een met struiken begroeide helling die tien meter omlaag duikt en begrensd wordt door een kanaal.
De weg waarop ik fiets daalt langzaam en komt een kleine honderd meter verder uit op een kruising.
In harmonie met de stilte en de natuur sluit ik mijn ogen. Een herinnering komt bovendrijven. Een herinnering van vijftig jaar terug.
Een spichtig jongetje, lopend door het bos waar ik nu langsfiets. Een jongetje met een witte pvc-buis in zijn handen. Hij is niet alleen. Een paar leeftijdsgenootjes, met net zo’n pvc-buis in hun handen, vergezellen hem. Ze praten opgewonden, want vandaag is een bijzondere dag.
‘En als we per ongeluk een politieauto beschieten?’ vraagt één van hen bezorgd.
‘Voordat die jutten de wagen uit zijn, zijn wij allang weg,’ antwoordt een ander.
‘Voordat we schieten moeten we eerst zeker weten dat het geen politieauto is,’ zegt Martin, die geldt als de verstandigste van de groep.
‘Stelletje bange wijven,’ zegt Paultje, een brutale, donkerharige jongen die altijd pochte dat hij nergens bang voor was. ‘Ik schiet gewoon. Of het nou jutten zijn of niet. Waar maken jullie je druk om?’ Paultje woont een straat verderop. Ooit had hij verteld dat zijn ouders zigeuners waren en op een dag hadden besloten om in een fatsoenlijke woning te gaan wonen in plaats van een armzalige caravan. Of het waar was wisten we niet, maar als Paultje dat met zulke stellige zekerheid zei, dan moest het wel waar zijn.
’Ja, waar maken we ons druk om,’ val ik Paultje aarzelend bij, terwijl ik ril bij de gedachte dat de politie je achtervolgt en je probeert te pakken. ‘Als ze ons achterna komen zijn we al een kilometer verder,’ verkondig ik dapper.
Zwijgend lopen we verder en luisteren naar het gekraak van takken onder onze schoenen.
We komen aan de rand van het bos. Hier staat dicht, manshoog struikgewas. Een paar meter lager loopt de stille weg.
‘Zo, eerst een stel van die kleine eikels verzamelen,’ zegt Paultje met schurende stem. Hij bukt zich en begint te rapen.
‘Ben je gek?’ zegt Martin. ‘Die dingen gaan dwars door een ruit als je hard blaast. We moeten de bessen gebruiken die aan deze struiken groeien. Die zijn zachter.’
‘Angsthaas,’ mompelt Paultje, maar staakt toch zijn gezoek naar eikels.
‘Luister jongens,’ zegt Martin op besliste, rustige toon. ‘Eén van ons gaat wat lager zitten en waarschuwt als er een politieauto aankomt. Ik wil geen herrie met ze en ook niet met mijn ouders. Oké?’
Oké, zeggen we één voor één.
Paultje biedt aan om wat lager als uitkijk te fungeren en iedereen stemt toe want in ons achterhoofd hielden we er rekening mee dat als je lager zat, je ook langzamer weg was.
Een tijd lang verzamelen we de witte bessen en proppen die overal waar we ze maar kwijt kunnen.
Dan dringen we door het struikgewas en gaan op onze hurken zitten.
‘Misschien komt de koningin langs,’ roept Paultje half schertsend, half ernstig. ‘Dan krijgt ze de volle lading. Alstublieft, majesteit. Met de complementen van de bosjesbende. Plaf, plaf, plaf!’
‘Die komt hier nooit langs, joh,’ antwoordt Hans, een forse jongen met een hoog voorhoofd en vrolijk twinkelende ogen.
‘O, nee?’ blèrt Paultje. ‘Ze gaat vaak naar Scheveningen om paard te rijden op die knol van haar. Ik heb haar weleens gezien op het strand. Rijdt er zo’n stijve hark op een andere knol achter haar aan.’
‘Da’s haar bewaker,’zeg ik.
‘Als ze hier komen dan schiet ik die vent ook een paar bessen voor z’n kop,’ roept Paultje stoer.
‘Je raakt eerder dat paard dan die kerel,’ zegt Martin droog.
‘Echt niet!’ reageert Paultje. Mijn opa was een beroemd messenwerper in een circus. En mijn vader heeft het van hem geleerd en ik van mijn vader. Wij zigeuners missen nooit!’
‘Opschepper,’ roepen we in koor.
Met een ruk staat Paultje op uit zijn hurkende positie, steekt zijn hand op en sist: ‘Stil!’
We luisteren. In de verte klinkt het sonore geronk van een motor.
‘Komt er één. Munitie gereedhouden,’ klinkt het bevelend uit Paultje’s mond.
Ineengedoken en de pvc-buis aan de mond loeren we naar de weg.
Ik voel mijn bloed sneller stromen. Mijn ademhaling versnelt. Een golf van spanning trekt door mijn lijf.
Een donkergroene auto rijdt langs. Plaf, plaf, plaf, plaf. Vier witte projectielen schieten naar de auto.
De remlichten van de auto lichten op. We houden onze adem in. Stopt hij? Komt hij er uit om te kijken waar we zitten? Mijn lichaam is tot het uiterste gespannen, klaar om weg te sprinten.
De auto rijdt door. We lachen, schreeuwen, joelen, kloppen elkaar op de schouders.
Ik verkeer in een ongekende, euforische roes. We hebben hem geraakt en hij wist het, maar hij kon er niks aan doen.
‘Goed zo jongens,’ roept Paultje wiens ogen fonkelen van opwinding. ‘We moeten klaar zijn voor de volgende.’
We nemen onze plaatsen weer in en worden dan stil om te luisteren.
Een paar minuten later sist Paultje: ‘Vrouw op fiets.’
Als ze langzaam langsrijdt vertrekken er weer vier witte projectielen. De vrouw wordt geraakt want ze kijkt verschrikt opzij. Hierdoor verliest ze bijna de macht over het stuur. Met enige moeite weet ze te stoppen. Dan kijkt ze in onze richting en ziet ons. Haar hoofd loopt rood aan. Ze balt haar vuist in de lucht. ‘Rotjongens,’ roept ze met hoge stem. ‘Ik ga de politie waarschuwen, wacht maar.’ Dan rijdt ze weer verder.
We staan op en lachen. ‘Zag je hoe dat mens slingerde? Ha, ha, ha.’
We beschouwen onze acties inmiddels als een onverwacht groot succes en genieten er volop van.
‘De bosjesbende maakt van de Duinweg de meest onveilige weg van heel de stad… nee, van heel Nederland,’ roept Paultje vol bravoure.
‘Maar als die vrouw nou echt naar de politie gaat,’ zegt Martin op ongeruste toon. ‘Dan hebben we een probleem.’
‘Wij zien de politie eerder dan dat zij ons zien,’ antwoord Paultje. ’En voor ze bij ons zijn duurt dat wel een minuut. We hebben dus altijd een grote voorsprong.’
Niemand kan daar iets tegenin brengen dus nemen we onze plaatsen weer in.
Er klinkt gelach in de verte. Dan de stemmen van jongens met duidelijk de baard in de keel.
Even later sist Paultje: ‘drie gozers op de fiets. Groter dan wij.’
‘Niet schieten,’ fluistert Hans. ‘Die gasten zijn sneller dan wij en hebben ons zo te pakken.’
Paultje humt minachtend. De drie opgeschoten jongens gaan ongehinderd voorbij.
We wachten vijf, tien minuten. Dan weer het geluid van een auto.
Paultje rekt zich wat uit om goed te kunnen kijken. Dan roept hij: ‘Auto. Geef hem de volle laag!’
Even later verschijnt de auto, die heel langzaam rijdt. Door het gebladerte zien we niet dat het een politieauto is. De vier projectielen zijn dan al op weg.
Eén projectiel komt met een harde klap tegen het zijraam van de auto.
Dan beseffen we met een schok dat we een politieauto hebben beschoten. We verstijven van schrik terwijl de auto abrupt stopt en twee agenten er uit stormen.
‘Godverdomme, Paultje,’ hoor ik Martin woedend roepen. ‘Je hebt met eikels op ze geschoten. Klootzak!’
Er klinkt een waanzinnige lach uit Paultjes’ mond. Dan rennen we in paniek weg. Even later klinkt er een rauwe schreeuw achter ons. ‘Laat me los!’ hoor ik Paultje gillen.
Terwijl ik de longen uit mijn lijf ren besef ik dat Paultje niet op tijd weg heeft weten weg te komen.

We zaten dagenlang in angst, bang dat de politie langs zou komen. Maar Paultje heeft ons niet verraden.
Een maand later hoorden we dat Paultje, twaalf jaar nog maar, was verongelukt. Hij was in zee gaan zwemmen, had zich veel te ver gewaagd en werd meegetrokken door de stroming. Twee dagen later spoelde zijn lijk aan op het strand bij Wassenaar. Paultje, arme Paultje. Heengegaan zoals hij was voorbestemd om heen te gaan; tijdens zijn eeuwige, rusteloze zoektocht naar gevaar en spanning.

Ik open mijn ogen. Mijn adem stokt. Een auto scheurt met hoge snelheid de bocht om. Hij komt recht op me af en kan hem onmogelijk nog ontwijken. Een klap. Een steek van pijn. Dan wordt alles donker.

Paultje kijkt me aan met een blik vol medelijden. ‘Nu weet je het,’ zegt hij zacht.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch