Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

PAULUS

Door Jos Buijs

PAULUS

Ik kon mijn ogen niet geloven toen Paulus voorbij liep. Maar het kon alleen Paulus zijn: fors postuur, groot vierkant hoofd, schouderlang rood haar en kolossale boots. Net voordat hij opging in de grote groep reizigers op weg naar perron 3 draaide hij zijn hoofd in mijn richting en zag ik zijn ogen trots oplichten alsof hij wilde zeggen: ‘Zie je wel?’
En toch was dat onmogelijk! Nauwelijks een uur geleden had ik hem nog bezocht in het verzorgingshuis. Een onomkeerbare ziekte ketent hem aan bed. Zijn verweekte spieren zijn als dode vissen die wel in het water liggen maar zich niet meer bewegen.
Ik vertelde hem dat ik binnenkort op vakantie zou gaan en hij me dus een tijdje niet zou zien. Ik zag er tegenop dit te vertellen omdat ik me realiseerde dat ik er gezond en wel op uitging terwijl dat voor hem onmogelijk was.
Hij was even stil na mijn mededeling, keek me aan met zijn gitzwarte ogen, en zei toen, zonder enig spoor van rancune, dat hij al tien jaar niet op vakantie was geweest. Grinnikend zei hij: ‘Maar ik ben iedere dag dat ik dat wilde op reis gegaan.’
‘Ja, ik ken dat,’ zei ik, ‘een vriend van me, een neerlandicus, gaat nooit op vakantie, hij gaat op zijn bank zitten met een goed boek en in gedachten reist hij met de hoofdpersoon van zijn roman mee.’
Ik dacht dat hij dat bedoelde en het leek me fijn voor hem om te merken dat ik hem begreep.
Maar op een wat boze toon zei hij: ‘Nee, nee, dat is flauwekul, dat is niet op reis gaan!’
‘OK, OK,’ bond ik in, ‘leg me maar uit wat je dan wel bedoelt.’
‘Bilocaliteit, weet je wel?’ Hij trok zijn wenkbrauwen op alsof ik er alles van af moest weten.
‘Je bedoelt dat je op twee plaatsen tegelijk bent?’ zei ik, nu wat aarzelend.
‘Natuurlijk,’ zei hij, alsof het de gewoonste zaak van de wereld was.
Ik krabbelde wat ongemakkelijk aan mijn kin. Ik had ik er wel van gehoord en over gelezen, wie niet, en ik vond het totale onzin.
‘Gisteravond heb ik nog een partijtje geschaakt in Frans Guyana,’ zei hij voldaan.
Ik moest nu werkelijk moeite doen om niet in lachen uit te barsten.
‘Frans Guyana,’ herhaalde ik, terwijl ik mijn billen samen kneep.
‘Ja, Frans Guyana,’ zei hij opnieuw. Hij moet mijn scepsis hebben opgemerkt maar negeerde die volstrekt.
‘Ik had een afspraak met Jean Meunière.’
‘Ja,’ zei ik.
‘Hij had trouwens al met wit een zet gedaan, dat is natuurlijk niet comme il faut. Hij had op mij moeten wachten zodat we netjes hadden kunnen loten wie er zou beginnen.’
Hij keek me nog altijd ernstig aan en ik wist absoluut niet meer of hij mij in de maling nam of alles serieus meende.
Ik keek op mijn horloge en zei dat ik niet langer kon blijven, tikte hem op zijn arm en zei zoiets van tot ziens, ik zie je nog wel voor mijn vakantie.

Ik had Paulus zo’n vijftien jaar geleden voor het eerst ontmoet. Hij zat alleen op een terras en wenkte mij naast hem te komen zitten. Ik maakte een moeilijke tijd door omdat mijn vriendin me gedumpt had. Hij keek me indringend aan en zei op plechtige toon dat ik niet lang zou hoeven rouwen en beschreef vervolgens mijn aanstaande vriendin tot in detail, inclusief de moedervlek op haar rechter wang. Negen weken later was het zover, daar zat ze, nota bene op het zelfde terras. Ik herkende Eva meteen.
Daarna zagen we elkaar alleen een paar keer in het voorbijgaan tot ik twee maanden geleden in een winkelcentrum werd aangesproken door een wederzijdse kennis die me vertelde dat Paulus in een verzorgingshuis zat en het fijn zou vinden als ik hem eens kwam bezoeken.

De nacht nadat ik hem op het station zag had ik een zeer heldere droom. Ik liep op de oever van een brede rivier toen Paulus me tegemoet kwam.
‘Hallo John,’ zei hij, ‘je hebt vandaag gezien dat ik in een staat van bilocaliteit kan zijn. Dat is niet voor iedereen weggelegd, zeker niet voor mensen, zoals jij, die nogal rationeel zijn en een te grote weerstand hebben. Maar er zijn verplaatsingstechnieken mogelijk, zoals het ruilen van elkaars bewustzijn, die jij ook kunt leren toepassen.’
‘Waarom zou ik dat doen?’ vroeg ik verbaasd.
‘Omdat het een ervaring is die je leven zal veranderen en je, zeker in je schrijverschap, veel inspiratie zal geven.’ Zijn ogen vernauwden zich. ‘Heb je genoeg vertrouwen in mij om dat aan te gaan?’
‘Ja, waarom niet,’ zei ik. Ik kon het me niet goed voorstellen, het leek me een soort hypnose waar ik totaal ongevoelig voor was.
‘Dan kan je me binnenkort in een van je dromen verwachten, of liever gezegd, je kunt mijn bewustzijn verwachten,’ zei hij. Hij glimlachte alsof hij blij was dat ik meedeed en hem zo de gelegenheid gaf te tonen wat hij allemaal kon.

Van de volgende lucide droom die ik had, de nacht daarna, herinner ik me alleen dat Paulus een vinger op mijn lippen drukte. Kennelijk gaf hij aan dat ik niets moest zeggen of vragen. Wat ik me ook herinner was dat ik een erg hoge hartslag had.

‘Meneer De Goede, wakker worden,’ klonk het schel. Een gordijn werd met een ruk opengetrokken. Langzaam trok de mist in mijn brein op. Ik herkende de rolstoel van Paulus, de Jezusprenten aan de muur, het kastje waarin stroopwafels en paracetamol wedijverden in de kunst van het verleiden en ik voelde een urinekatheter tussen mijn benen. Ik lag in zijn bed en kon me niet verroeren alsof ik ingemetseld was in een onderaardse cel. Toen zag ik mijn handen maar het waren niet mijn smalle lange vingers maar de korte stevige van Paulus. Het volgende moment werd ik overvallen door een claustrofobische paniek die mijn pyjama en lakens in ettelijke seconden doorweekte.
Het duurde uren voordat ik wat rustiger werd en mezelf kon voorhouden dat dit een zeldzame ervaring was en dat ik nu pas werkelijk kon voelen wat Paulus voor leven had.
Die dag en de dagen daarna waren van een doodse uitzichtloosheid. Ik had intens gehoopt dat Paulus snel zou komen en alles weer zou worden zoals het was. Ik voelde me steeds machtelozer en de toenemende angst had me nog meer geparalyseerd. Met de weinige energie die mij nog restte had ik een paar keer de verpleging proberen uit te leggen wat er aan de hand was. Ze zeiden dat we het rustiger aan moesten doen en dat ze me begrepen. Het ging over zielsverhuizing, het lichaam van een ander, natuurlijk, we hoefden ons geen zorgen te maken.

Toen kwam, nadat ik het besef van tijd al verloren had, mijn lichaam binnen. Het gaf me een apocalyptische schok mijn eigen lichaam te zien, los van mijzelf. Mijn hart bonsde in mijn borst als een kikker die naar buiten wilde springen.
Mijn lichaam kwam naast het bed staan.
‘Hallo,’ zei mijn stem. Op mijn gezicht lag een glimlach, niet van vriendelijkheid maar van een koele afstandelijkheid.
Ik probeerde uit alle macht iets te zeggen maar het lukte me niet om een klank uit mijn keel te krijgen.
‘Doe geen moeite, je hoeft niets te zeggen, ik weet toch hoe je je voelt,’ zeiden mijn mond en de koude ogen. Hij legde mijn hand op zijn hand.
‘Ik moet je werkelijk danken voor wat je me geschonken hebt. Zo’n gezond lijf en je hebt Eva ook blij gemaakt, wat een vrouw. Ze verwondert zich over mijn potentie, dat was er een beetje bij ingeschoten begrijp ik.’
Hij knipoogde alsof we partners in crime waren. ‘Morgen gaan we voor een weekje naar Italië, dat vind je wel goed, denk ik, na alles wat ik jou gegeven heb.’
Ik kon niet anders dan hem aanstaren en zag zijn ogen donker worden.
‘Dacht je werkelijk dat ik niet in de gaten had hoeveel plezier je beleefde tijdens je bezoekjes, hoe edel je jezelf voelde, hoe verheven boven mij? Ik zag het aan je ogen als je een stuk appelkoek in mijn mond schoof of het rietje tussen mijn lippen duwde om de schlemiel ranja te laten drinken.’
Ik weet niet waar ik de kracht vandaan haalde maar de verlamde rechterhand greep de elleboog waarmee hij op het bed steunde. Hij vloekte en probeerde zich los te trekken. Er kwam een verpleegkundige binnen die toesnelde om hem te helpen.
‘Maar Paulus, wat doen we nu, in plaats van dat we dankbaar zijn voor het bezoek,’ zei ze streng.
‘Och,’ hoorde ik mezelf zeggen, ‘het is niet erg mevrouw, Paulus en ik weten wat we aan elkaar hebben. Nietwaar Paulus? Na de vakantie kom ik wel weer eens langs.’

Ik zag mezelf de kamer uitlopen. Langzaam verdween ik uit beeld.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch