Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Pieter

Door Pien Burgersdijk

Ik ging mijn kind aankleden. Hij lag op een roestvrije tafel met afdruipgootje. Ondanks het feit dat hij achttien was en 1.83 lang (ja, twee centimeter tekort) dacht ik dit wel zonder veel problemen te kunnen doen. In herinnering het gewurm met babyrompertjes vroeger pakte ik zijn favoriete t-shirt uit mijn tas. Na vijf minuten zaten zijn armen tot net over de ellebogen er in. En dan moest dat nog over zijn hoofd en schouders! Babies zijn toch wat buigzamer dan een volwassen kind dat op de kop af negenentwintig uur dood was. Gelukkig zijn de t-shirts van de Primark van goedkope stof gemaakt die makkelijk uitrekt en na wat wrikken had Pieter zijn lievelings shirt aan.
Nu liep Pieter het liefst in zulke strakke broeken dat zitten onmogelijk was. Daar heb ik blijkbaar toch aan gedacht die zondagochtend toen ik groef in de stapels kleren onder zijn bed. Een iets wijder model met elastiek ging redelijk vlot aan. De broek was wat ruimer van boven en dat was maar goed ook want mijn grote jongste zoon had een luier aan. Dat was even heel verkeerd terug in de tijd en met een snoeiharde klap pijnlijk terug in het heden.
Omdat het donorteam veel huidweefsel van zijn benen had weg kunnen nemen waren die ingepakt in een soort strakke verbandmaillot. Ook zijn voeten waren ingepakt maar de wijde grijze sneakersokjes kreeg ik daar zonder problemen omheen. Toen zijn schoenen. Ik had zijn witte gympen meegenomen maar verzuchtte tegen de schouwarts dat Pieter het liefst zijn rode had aangehad. “ Maar die heb ik! “ schreeuwde ze blij. En uit een grote plastic zak die in de hoek lag haalde ze zijn lievelings gympies. Helemaal intact, geen vlekje te zien. Nu waren ze rood, dat scheelt.
Toen ik zijn linkervoet pakte en zijn schoen er probeerde in te wringen schrok ik. Alle botjes in zijn voet, enkel en onderbeen leken los te zitten en in de kamer klonk een eng gekraak. “ Laat mij maar ” zei Jolanda van de uitvaartverzorging. “ Mijn vader had een schoenenwinkel en ik heb heel wat onwillige voetjes in kinderschoenen gekregen. “
Het spijkerjasje waar Pieter altijd in liep zou een probleem worden. Onmogelijk om dat aan het stijve lichaam van mijn zoon te krijgen. Knippen we het door aan de achterkant? Never! Pieter zou het me nooit vergeven. Dus werd het jasje om zijn schouders gedrapeerd met de mouwen langs de zijkant.
Toen was mijn kind aangekleed en klaar om mee naar huis te gaan. Achterin in een grote auto over de wegen waarop hij zoveel kilometers versleten had met zijn scooter. Naar huis, waar ik hem zo miste. Het huis waar alles nog net zo was als er voor. Vorige week om precies deze tijd zei Pieter: “ Mam, ik ben weg!”

Okidoki, veel plezier! Doe voorzichtig!
Je kind is dood. Vier dagenlang kun je niet eten. Vanaf het moment dat de politie aan de deur stond krijg je alleen maar water naar binnen. Toch moet je lichaam poepen en wurm je er een armzalig zwart drolletje uit. Je denkt aan al die keren dat je zijn billetjes hebt schoongeveegd en snikt even in het toiletpapier.
Je verliest je kind. Maar je hebt er nog twee. Die moeten eten en drinken dus ga je naar de supermarkt. Je standaard boodschappenlijstje met lekkers voor het hele gezin zit in je hoofd geprent maar moet nu worden aangepast. Opnieuw de voorkeuren van iedereen verwerken maar nu met één minder. Onwerkelijk stop je van alles in het karretje. Dan stap je de winkel uit, staat er zo’n biologisch dynamisch meisje. “Mevrouw, mag ik u wat vragen?” Je denkt dat ze jou herkent en iets wil zeggen over je overleden kind dus zeg je ja. “Bent u een beetje duurzaam?” En dat je dan alleen maar “ Nee” kunt antwoorden.
Je kind is dood. De arts in het mortuarium heeft twee grote plastic zakken in de hoek liggen. In de eerste zak zitten de kleren en schoenen van je kind die nog redelijk netjes en schoon zijn. In de tweede niet. Ze vraagt of je die wil zien en je zegt “ Ja.” Er worden twee donkerkleurige jasjes uitgehaald en je vraagt je af waarom je kind in godsnaam twee jasjes aan had. Dan een zwart t-shirt dat hij de dag ervoor gemaakt had en dat bruut doormidden is geknipt. En als laatste komt uit die zak een grijs vest met capuchon. Je weet dat het grijs is omdat je het zo vaak gewassen en gestreken hebt. Nu is het rood en al de vezels in je lichaam schreeuwen het uit van pijn.
Mijn kind is dood. Ik probeer te huilen maar durf het niet. Want misschien als ik niet huil, is het niet echt gebeurd.

Ik slaap nog steeds op de bank in de opkamer. De kamer waar Pieter lag nadat ik hem naar huis had gehaald. De hele donkere nacht branden er kaarsjes bij zijn foto. Ik wil hier nog even blijven. Hier, in deze kamer waar ik drie nachten naast zijn dode lichaam heb geslapen. Waar ik muziek draaide voor hem en voor mij. Waar zoveel familie en vrienden om hem huilden. Waar ik dacht het allemaal te kunnen begrijpen en beseffen.
De kamer waarin de tijd stil bleef staan met een doofstomme kreet van verdriet en pijn. Waar ik de oogleden van mijn kind aan elkaar plakte met secondenlijm en de vliegen van zijn mond verjoeg. En waar ik uren over zijn handen wreef om ze weer warm te krijgen. Waar het tastbare bewijs van zijn leven lag dat ik kon aanraken en vasthouden.
De kamer is nu leeg omdat Pieter er niet meer ligt. Maar er heerst een magisch sfeertje en de enige mogelijkheid om zo dicht mogelijk bij hem te zijn is hier. ’s Nachts wapperen de kaarsjes en maken mooie tekeningen op het plafond. Mijn moederhart bloedt. De pijn die ik voel is zo erg dat het geen pijn meer doet. Ik wil dat dat altijd zo blijft. Ik huil alleen als ik het verdriet om Pieter bij anderen zie.
Ik blijf in de kamer waar ik was met Pieter. Waar ik ’s ochtends de ijskristallen van zijn kleren afveegde en hem mooi maakte voor de dag. Waar ik lippenstift op zijn steeds doder uitziende mond smeerde en de blauwe kringen onder zijn ogen probeerde te maskeren.
De kamer van de laatste avond. Mijn bank tegen zijn baar aangeschoven, mijn arm om hem heen. Ik werd wakker toen de mensen van de uitvaartonderneming hem kwamen halen. Ik liet het toe. Ze namen hem mee. Toen was de kamer leeg. Maar ook niet.

Lief kind van me. Je bent nu al negentien dagen dood en ik wacht op De Grote Boem. Die komt, zegt iedereen, na die hectische dagen als de rust weerkeert. Ja, de rust is wedergekeerd, iedereen doet weer wat hij moet doen en het lijkt net alsof er niks aan de hand is. Ik had toch liever die dagen dat je hier in de opkamer lag en het hele huis vol was met verdrietige mensen. Heel veel tranen maar je was er wel.
Nu loop ik de dag door zoals het hoort. Maak een grapje met het meisje achter de kassa en verbaas mijzelf daarover. Hoe kan ik grapjes maken terwijl jij dood bent? Waarom lig ik niet al dagen te huilen en dood te gaan onder mijn dekbed?
Als ik denk dat ik nu wel al je laatste vuile was heb gedaan kom ik een verdwaalde sok van je tegen in de handdoekenwas. Ik zit twintig minuten met je sok tegen mijn mond aangedrukt op de grond voor de wasmachine maar ik huil niet.
Ik ga naar bed, doe het licht uit en wacht op De Grote Boem. Er lopen wat tranen uit mijn ogen maar dat is toch echt geen Grote Boem. Expres denk ik aan die verschrikkelijke momenten. Dat de politie voor de deur stond, zaterdags om kwart over vijf ’s ochtends. Dat ik je terugvond in het mortuarium. Dat ik op televisiebeelden zag dat het ambulancepersoneel een brancard bracht naar de afgeschermde plek waar je dode lijf lag. De foto waarop te zien is hoeveel water de brandweer nodig had om al jouw bloed van de straat te spuiten. Van binnen ga ik dood maar ik huil niet.
Sinds die zaterdagochtend heb ik een rattaklop en galoppeerhart . “Das normaal” zei mijn huisarts. “Je lichaam en geest zijn druk bezig dit te verwerken.” Maar De Grote Boem komt niet. Nog niet. Of misschien is hij vermomd als een ander soort Boem. Ik weet het niet. Ik weet alleen dat ik me schuldig voel. Een kouwe heks die niet kan huilen om jouw dood. Die pijn die zo’n zeer doet dat je het niet meer voelt. Maar juist dat voelen heb ik zo nodig nu.

3 reacties

Olivier von Elt

zaterdag, 03:31

Buitengewoon roerend.

Lehti Paul

donderdag, 16:31

Hier beland omdat mijn vader en zoon dezelfde naam dragen.

‘Ik zit twintig minuten met je sok tegen mijn mond aangedrukt op de grond’
*Slik*

Tamara Baars

zondag, 15:20

Wat een vreselijk verhaal en wat goed opgeschreven. Ik denk dat het zeer herkenbaar is voor iedere moeder (en vader) die haar kind is kwijtgeraakt. Sterkte!

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch