Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

POEDELPUP, een onaangenaam verhaal

Door Pieter Ewals

‘Oom Titus?’

‘Ja, jongen, zeg het eens.’

‘Mag ik je jachtgeweer lenen?’

Titus kijkt verbaasd op naar Max. De jongen is zestien. ‘En wat ga je daar mee doen?’

‘Beetje oefenen op lege flessen, in het bos.’

‘Wat zegt Hermien daarvan?’

Hermien is de moeder van Max, en zus van Titus. Max speelt met de oren van Boef. De bouvier is vals, maar verdraagt van hém alles. Max houdt van de hond.

‘Die vindt het goed, oom Titus.’

‘Daar moet ik een nachtje over slapen, jongen.’

Twee weken later krijgt Max het jachtgeweer mee, in een leren foedraal en met een doos hagelpatronen.

‘Niet op dieren schieten, jongen.’

‘Nee, dat doe ik niet,’ zegt de jongen, en bloost. Hij klopt Boef op zijn rug en rijdt met de scooter het kale erf af met het wapen op zijn rug.

Hermien is nog geen veertig en verft haar haar. Gitzwart. Dat kan lijken op levenslust, maar dat is het niet. Het is een bezwering. Desondanks heeft ze vaak een kapotte lip, een blauw oog of bloeduitstortingen op haar borsten na weer een pak slaag van Kees.

Kees met de schichtige, gloeiende ogen. Als hij gaat drinken verandert hij in een getergd beest dat boosaardig ontspoort. Dan wordt hij één bonk spekkig vlees die speeksel sproeiend vloekt en tiert met rondtollende harde vuisten die alles raken wat in hun baan komt. Kees heeft altijd dorst.

In de kleine arbeiderswoning, die zich vastklampt aan de rand van het dorp, schilt Hermien aardappelen als Max achterom de keuken binnenkomt. Titus heeft gebeld en ze weet van het jachtgeweer, maar zegt niets. Ze kijkt naar haar zoon met oplichtende ogen. Het is een mooie jongen: stevig, met rechte rug, een kop met krullen en een zachte stem. Die krullen heeft hij van zijn vader, maar dat weet alleen Hermien. Kees is de stiefvader van Max. Als in slecht sprookje, denkt ze wel eens.

Toen Max elf was, begon Kees hem uit te schelden voor poedel, vanwege de krullen. Hij jende, kneep en mepte de jongen steeds vaker, tot Max op een keer terugsloeg waarna Kees het kind vloekend tegen de grond drukte, met zijn neus tegen de tegels. Met zijn andere hand bond hij een stuk touw om het smalle nekje en legde hem vast aan een tafelpoot. Max snoof, gromde met flitsende ogen, maar huilde niet. ‘Poedelpup,’ siste Kees, en pakte een blik hondenvoer, lepelde de bruin-roze smurrie op een bord en dwong hem te eten met alleen zijn mond en tong. Tot het bord leeg was en schoon.

‘Heb je honger?’ Hermien kijkt onderzoekend naar haar zoon.

‘Hmm,’ bevestigt die. ‘Waar is Kees?’

‘In zijn stoel, waar anders?’

Max loopt de kamer in en hoort nat gesnurk. Breeduit ligt zijn stiefvader onderuit in de grote fauteuil, de dikke benen maximaal uit elkaar, bleke armen die uit een te krap vlekkig T-shirt steken hangen over de armleuning. In zijn kruis zit een natte vlek. Behoedzaam loopt Max naar de gedekte eettafel en gaat zitten.

‘Ha, de hond is weer in het hok,’ geeuwt Kees en zijn ogen priemen naar hem vanonder woeste wenkbrauwen. Hij hijst zich overeind en zwalkt breedbeens naar Max, die zijn impuls om weg te duiken onderdrukt. Een grote, maar eeltloze hand grijpt in zijn nek en schudt die zachtjes. ‘Lust je nog een bakje Frolic, pup?’

Dan laat Kees hem grijnzend los. Zijn adem stinkt naar alcohol en bederf.

‘Honger, moeder! De mannen hebben honger!’

Max staart snuivend naar zijn bord. Kees pakt zijn mes en tikt op tafel.

‘We moeten samen eens wat leuks gaan doen,’ zegt Kees. ‘Sámen erop uit.’

Zijn stem klinkt nagenoeg normaal. Max herinnert zich de zeldzame keren dat ze met zijn drieën naar zee gingen, of naar de bioscoop. De dagen waardoor zijn moeder en hij wisten dat het zo óók kon, of nog kon worden. Dan zagen ze de Kees van vroeger, en stilaan drong het besef tot ze door dat vroeger dood was.

Max knikt zonder op te kijken, hij weet dat het uitje er niet zal komen.

Hermien komt binnen met het eten. Stamppot, gehaktballen en voor Kees ribeye.

De vuist klapt op tafel: ‘Waar is mijn bier, kutwijf!’

Hermien kan maar net de stomp in haar gezicht ontwijken. Ze vlucht naar de keuken terwijl moeder en zoon elkaar even aankijken met ogen vol vuur en rook. Max verbleekt, net als de knokkels van zijn vuisten. Zijn kaakspieren spannen zich aan. Hij loert naar Kees die het vlees met zijn worstvingers oppakt en zijn vochtige rode mond opent.

Ineens schuift hij zijn stoel naar achteren en rent weg, de buitenlucht in. Slippend spuit hij op zijn scooter weg. Hij gaat nù het geweer van oom Titus halen, dat verstopt ligt in de oude boomhut. In zijn hoofd draaien en tollen beelden over elkaar heen, allemaal vol razend geweld en allemaal eindigen ze hetzelfde.

Zijn achterwiel stuitert onder hem weg op het hobbelige bospad en Max ligt languit tussen de brandnetels, maar voelt niks. Hij holt de laatste meters naar zijn schuilplaats. Daar gaat hij zitten, het geweer op zijn schoot, wachtend tot zijn ademhaling weer rustig is. De scooter doet het nog en staat naast hem. Zijn vingers strelen de dubbele loop. Hij stopt er twee zwaar kaliber hagelpatronen in. Geduld! Kalmte!

Telkens weer visualiseert Max zijn plan: als het donker is rijdt hij terug naar huis. Daar hangt Kees, omringd door lege bierflesjes te snurken voor de televisie. Dat is vaste prik. Een zekerheidje. Max zal voor hem gaan staan: ‘Kees!’

Alleen dat. Zonder schelden, en op afstand.

Kees opent een bezopen lodderoog en zevert. Het dringt tot zijn zompige hersens door dat het hondenjong een verdomd volwassen geweer op hem richt. Woedend spert hij zijn gelige ogen open, maar dan komt de angst, het besef. Het is zover: de wraak van de poedelpup. Max ziet dat inzicht achter de uitpuilende ogen ontstaan, rijpen en openbarsten, en dan zal hij glimlachten. Hij legt de kolf tegen zijn wang, richt op die rotkop en drukt af. Twee keer. Bloed, botsplinters en hersenen spuiten door de kamer en dan is het voorbij. Eindelijk. Uit zijn ooghoeken ziet hij zijn moeder, de handen voor de mond, ogen vol verbijstering, veranderend in opluchting. Haar gitzwarte haar glanst, dan zal ze met open armen naar hem toe komen. ‘Max…’

Hij start de scooter. Nu gaat het écht gebeuren. Max is gespannen maar niet zenuwachtig, als de voetballer die de beslissende penalty gaat nemen. Honderd meter voor het huis zet hij de motor af en laat zich geruisloos uitrijden. Elf uur, er brandt nog licht, precies zoals hij verwachtte. In huis beweegt niets. Muisstil opent hij de achterdeur, het geweer op heuphoogte. De keuken is verlaten. Kees moet in de kamer zitten, zoals gewoonlijk, in zijn fauteuil. Duttend, dronken en duf, maar in geen geval alert. Max hoort Hermiens gierende, snelle ademhaling uit de kamer komen. Verder niets. Zij zit zoals altijd, buiten het bereik van de vuisten, op de bank. Veilig en buiten schot.

Hij sluipt naar de openstaande kamerdeur en probeert zijn ademhaling te dempen. Een zweetdruppel rolt over zijn voorhoofd in zijn oog. Hij knippert, het zout prikt. Met de duim spant hij de haan en schoudert het geweer. Nog één ademteug, nog één kloeke stap en dan staat hij in de kamer. Zijn vinger haakt aan de trekker. Door deze kleine grote beweging zal alles veranderen. Beter worden.

Met een korte ruk richt hij de dubbele loop op de bovenkant van de fauteuil, waar hij de vette, zweterige kop van zijn stiefvader weet, maar dan stokt hij.

Met een snerpende gil laat Max het wapen zakken.

In zijn brein schakelen alle radertjes vliegensvlug en dan beseft hij wat hij ziet.

Het hoofd van Kees hangt scheef en rust half op zijn schouder, alsof hij slaapt. Maar dat hoofd en zijn borst zitten onder het bloed, net als alles in een paar meter omtrek. Max herkent het vleesmes uit de keukenla en dat mes zit tot aan het heft in Kees’ linkeroog. Het andere oog kijkt blind naar niets. De hals is met lange halen opengereten, met ruwe flarden huid en vlees. Bloed vloeit traag uit de wonden, want het merendeel is al uit het lichaam gespoten, gesproeid en gevloeid.

Max kijkt naar zijn moeder. Ze zit op de bank, knieën tegen elkaar, handen op de bovenbenen, kaarsrecht en hij hoort haar scherpe ademhaling. Ook zij zit onder het bloed dat ooit door Kees stroomde. Haar vingers druipen. Ze staart naar Max, stilletjes.

‘Ma!’ roept hij, en zakt door zijn benen terwijl het jachtgeweer uit zijn handen glijdt.

Dan zachter: ‘Ma…’

Hermien kijkt naar Max: ‘Ik heb gedaan wat moest gebeuren, lieverd. Jij hebt je leven nog voor je.’

De jongen schudt zijn krullen. Tranen stromen over zijn jongenswangen.

‘Verstop het geweer. Bel de politie. Het is goed zo!’

‘Mama…’

Dan belt Max 112.

Pieter Ewals

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch