Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Ratten.

Door jose Verheijen

Ratten
‘En, nog iets gescoord?’ Elmer buigt naar voren. Alles doet hem pijn.
Arend grijnst. Zijn hand gaat naar de binnenzak van zijn jas.
‘Kijk eens!’ Hij houdt een zakje met wit poeder omhoog.
Elmer strekt zijn hand uit.
‘Geef hier.’
‘Voor niks gaat de zon op.’
‘Hoe bedoel je. We hebben pas nog een klus gedaan.’
Arend rekt zich lang uit.
‘Er moet veel geld liggen’
‘Weer een overval? Verdomme, man. Toch niet net als de vorige keer.’
‘Er is niemand thuis.’
‘Zei je toen ook. Dit zouden we toch niet meer doen?’
‘Graag of niet.’ Opnieuw houdt Arend het zakje omhoog.
‘Ik ga kapot man. Alles brandt van binnen. Geef hier.’
‘Onder één voorwaarde.’ Arend staat op en kijkt zijn vriend dreigend aan. ‘Je doet precies wat ik zeg. Geen gezeur. Geen sporen. Duidelijk?’
‘Arend, ik moet het gewoon hebben.’ Elmers ogen puilen uit van verlangen. En Arend speelt met hem, kan met hem spelen. Het is die verdomde verslaving.
‘Je doet precies wat ik zeg, vannacht.’
‘Vannacht?
‘Vannacht.’
‘Maar we hebben niks voorbereid?’
‘Hoeft niet. Wij hoeven het geld alleen maar te pakken.’
‘Waar?’
‘Kom je wel achter.’
Met de precisie van een professional trekt Arend een lijntje op tafel. Elmer vliegt erop af. Hij trekt zijn neusgat open om zoveel mogelijk naar binnen te snuiven. Arend grinnikt. Opnieuw strooit hij het poeder. En Elmer snuift.
‘Eh… hier was ik aan toe.’ Dan gaat hij languit op de grond liggen.

Maarten kan de slaap niet vatten. Het gaat niet goed met zijn moeder. Zij is nog de enige die hij in dit leven heeft. Vader is dood, en zijn jongere broer ziet hij niet meer. Het was altijd een los zand gezin.
Hij had voor een nakomeling moeten zorgen, maar vrouwen liepen telkens bij hem weg. Toen gaf hij de hoop maar op, en bleef bij zijn moeder wonen op de oude boerderij. Hij zorgt nog steeds voor haar.
Vanmorgen zei de huisarts dat de longontsteking in een te ver gevorderd stadium is. Het zal niet lang meer duren.
Voor het eerst voelt hij tranen. Hij zal het missen de zorg voor zijn moeder. Het geeft zijn leven zin. In al die jaren dat hij bij moeder woont, heeft hij veel geleerd. Hij kan koken, de was doen, het huis schoonmaken, de tuin bijhouden. Hij nam steeds meer taken over. En nu is hij ook nog ziekenbroeder.
Als moeder dood is, gaat hij de leegstaande stallen opruimen. Hij heeft dan iets om handen. En het is er een bende. Sinds zijn vaders dood is er niks meer aan gedaan.
Alle dieren waren verkocht.
‘Da’s niks voor jou’, zei moeder.
Maarten liet het maar zo. Hij laat altijd alles maar zo, als zijn moeder dat wil.
Ze leven van de moestuin, er zijn nog wat kippen en soms gaat Maarten op jacht. Vroeger ging hij met zijn vader mee. Konijnen, hazen, soms een hert. Moeder is gek op wild.
Vader vond ook wel eens ratten. Niet om te eten, maar als er een plaag was. Hij sloeg ze dood met een knuppel, zo hard dat het bloed eruit spatte.
‘Hier jij ook’ had vader hem toegeroepen.
En hij had geslagen, zo hard als hij kon. Het wond hem op. De stal wond hem op. Het was een prachtige plek, vooral s ’nachts. Dan leven de ratten.
Arend doet de lichten uit. Elmer schrikt wakker.
‘He, body, waar zijn we?’
‘Op de plaats van bestemming.’
Elmer wrijft zich in zijn ogen. ‘‘Godverdomme, man, ik ken het hier. Dit is… dit is mijn ouderlijk huis. Hier is helemaal geen geld.’
‘En of er geld is. Ze hebben geld zat.’
‘Maar ik ga toch niet mijn moeder… ben je gek geworden?’
‘Het geld ligt hier gewoon ergens. Je hoeft alleen maar een beetje druk uit te oefenen.’
‘Wist jij hiervan?’
‘Waarvan? Dat jij hier gewoond hebt. Nee, man dat wist ik niet.’
‘Ik wil het afblazen.’
‘jij wil helemaal niks. Je doet wat ik zeg.’ Arend duwt de loop van het pistool tegen Elmers slaap. ‘Vort, lopen.’
Ze gaan het erf op. Het is donker rondom de boerderij.
Ideaal, meent Arend. Hij bekijkt de voordeur. Een nachtslot, ziet hij.
‘We nemen de stalingang. Kom doe die nylon over je kop. Dan herkennen ze je niet.’
Voorzichtig schuift Elmer de pal van de schuurdeur opzij. Er volgt een krakend geluid. De deur is lang niet gebruikt.
Arend doet een stap naar voren. Hij schijnt met zijn zaklamp naar binnen.
‘Kom’, roept hij. ‘De kust is veilig.’
Voorzichtig sluipt Elmer achter hem aan.
‘Er is hier geen geld’ sist hij.
‘Dan hebben ze je goed voor de gek gehouden. Dat wijf heeft geld zat. Een familie-erfenis. Het hele dorp weet het. En jij niet?’
Angstvallig kijkt Elmer om zich heen. Hier kwam hij nooit graag. Geleidelijk aan beginnen zijn ogen aan het donker te wennen. Rechts liggen de stallen, en links is de keukendeur. Waar zou dat geld dan moeten liggen? Als jongste werd hij altijd buitengesloten. Maar Maarten… .
Plots ziet hij een gedrongen gestalte. Zijn vader? Nee, dat kan niet. Zijn vader is morsdood.
En hij ziet de loop van een jachtgeweer op zich gericht. Arend richt ook. Er volgt een knal.
In paniek wil Elmer wegrennen, maar een klik weerhoudt hem.
Arend ligt op de grond te kermen.
Als versteend blijft Elmer staan. Zou hij zich bekend maken? Of zou het er dan alleen nog maar erger op worden. Maarten was altijd de baas geweest. Maarten had hem weggestuurd.
‘Van jou komt niks terecht’ had hij geroepen toen hij zijn jongste broertje een paar klappen had gegeven.
‘Zo goedenavond’, hoort hij Maarten plotseling zeggen. ‘Het is weer rattentijd, merk ik.’
Elmer voelt hoe de urine tussen zijn benen loopt. ‘Rattentijd’, het woord alleen al, doet hem huiveren.
Maarten doet een paar stappen dichterbij.
‘Het stinkt hier’, sist hij tussen zijn tanden. ‘Ik heb ze nooit gemoeten, die ratten.’
Elmer wil een stap naar achter doen, maar zijn broer is hem voor. Met een ruk trekt hij de nylonkous van het hoofd.
‘Elmer. Hoe haal je het in je hoofd?’
‘Ik moest van hem’, jammert Elmer.
Samen kijken ze naar Arend, die samengetrokken van de pijn op de grond ligt.
Maarten richt het jachtgeweer op hem.
‘Die zullen we maar uit zijn lijden verlossen.’ Hij schiet.
Elmer wil wegrennen, maar zijn broer pakt hem bij de arm.
‘Jou vond ik altijd de grootste rat’, sist hij.
Er volgen een paar knallen.
Vroeg in ochtend gaat Maarten naar de slaapkamer van zijn moeder. Ze ademt moeilijk.
‘Heb je ze nog te pakken gekregen’ kreunt ze.
Maarten glimlacht. Hij trekt zijn van bloed doordrenkte blouse uit.
‘Vader had gelijk. Ratten moet je afmaken.’
Hij voelt nog hoe moeder een licht kneepje in zijn hand geeft.
‘Allemaal’ zegt hij. ‘Die rotbeesten.’
Als moeder er niet meer is, gaat hij verder met de stallen.

geen reacties
0 Fictie

Rauwe pijn

Sahar Noor

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam