Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Reiger Jessy wacht op vis

Door Fons Heijnsbroek

‘Nu even geen gezeur aan zijn kop; hij is bezig, ja!’
Op zijn lange poten stond reiger Jessy te turen in het donkere water – bij de hoge brug in het park. Ver weg van het stomme gekwaak van die eenden en ganzen. Die waren allemaal druk bezig met het brood te pakken uit het gras. Boven de sloot vlogen de meeuwen hongerig rond, en krijsten. Maar reigers eten geen brood. Jessy stond in de sloot voor vis!

Daar kwam Hoesman aan in zijn electrische karretje. Zijn benen deden het niet goed, daarom reed hij. Hij was jong en wat wild, ook al kon hij niet goed lopen. Maar wielen die had ie: drie stuks!
Het was zondag, en Hoesman had zin om hard door het park te racen. Eigenlijk was hij al een beetje laat, want ‘s middags waren veel mensen aan de wandel. Maar, hij kon goed sturen, hoor! Zijn karretje zag er snel uit; niks ge-handicapt of zo. Zelf zat ie stevig in zijn verende stoel.

Er waren veel bruggetjes in het park, en nog meer bochten. Juist daar hield hij zo van. Op zondag was het ook zo gezellig druk; had ie meteen publiek! Wedden dat ze naar hem keken? Hoesman wist precies hoe dat moest. Eerst een flinke dot elektrisch gas, vlak voor de bocht. En dan op één achterwiel er snel doorheen. Zijn andere wiel kwam vanzelf weer op de grond. Dat had ie zo vaak gedaan! Leuk man! Zo’n machtig gevoel geeft dat, om lang in de bocht te hangen op één wiel. Daar had hij lol in; en nog meer als ze gingen roepen.

Toeterend reed Hoesman het drukke park in; iedereen ging opzij. Hij reed meteen door naar de hoge brug. De bocht daarna was vèt scherp; die wou hij snel nemen! Hard reed hij de brug op. De wielen roffelden over de houten balken. Daarna naar beneden, om zo hard mogelijk de bocht te nemen. Goed sturen moest ie, want meteen daarna moest ie langs de sloot rijden om die ganzen op te jagen. Leuk joh! Gingen die beesten toch blazen!

Bij de bocht stond Jessy rustig te vissen. Uit één ooghoek zag hij Hoesman aan komen rijden. Wat kreeg hij nou aan zijn kop? Komt daar een wagentje recht op zijn visplek af; hij werd kwaad.
Inderdaad! Hoesman had wat extra gas gegeven, maar begon toen te schuiven en te glibberen. Hij kon zijn karretje niet goed op het pad houden; nog een geluk dat ie niet omsloeg! Wèl reed hij het pad af, het gras in, – richting de sloot. Hij ging recht op Jessy af! Met een flinke klap kwam Hoesman in het water terecht, vlak voor de scherpe snavel van de reiger.

Twee boze ogen staarden hem dreigend over het water aan. Wat keek dàt beest kwaad! En wat een snavel had zo’n reiger, van dichtbij. Maar voordat Hoesman bang werd voelde hij nattigheid; zijn karretje begon naar beneden te zinken in het koude water.
De eenden en ganzen waren al verdwenen, maar Jessy niet. Hij had honger, dus hij moest vissen. Dreigend kwam hij op Hoesman af om hem van zijn plek te jagen. Hoesman kon niks; hij zat vast in zijn stoel, in het koude water. Van ellende deed hij zijn ogen dicht om niks meer te hoeven zien.

Aan de kant begonnen de mensen te roepen en te lachen. Van alle kanten hoorde hij stemmen. Hoesman schaamde zich rot. En wat was dat water koud! Zijn broek was al helemaal nat! En steeds maar die dreigende snavel vlak voor zijn neus. O jee, wat ging dat beest nou doen?…  Nee! Óók dat nog!
Krassend was Jessy uit het water gevlogen en stond even later boven op zijn hoofd. Iedereen stond te gillen en te wijzen. Vanaf zijn nieuwe plek keek de reiger geschrokken rond; wat een lawaai maakten die mensen ineens! Van schrik liet Jessy een witte poep vallen.
‘Gadverdamme, rotbeest,’ schreeuwde Hoesman; hij voelde de viezigheid langs zijn haren naar beneden druipen. Maar hij bleef toch héél stil zitten, bang voor dat beest op zijn hoofd.

Aan de kant stond het nu vol met mensen. Iedereen wilde dit zien. Anderen hadden meelij met die man in het water, maar wisten niet goed hoe ze hem konden helpen. Gelukkig voor Hoesman kwamen een paar jongens op hem af om hem uit zijn karretje te trekken. Maar dat was niet zo eenvoudig; want de lange snavel van Jessy kwam dreigend hun kant op. Geschrokken gingen ze achteruit.

En Hoesman? Die deed zijn ogen weer open, want hij kreeg ineens een idee: ‘Vanmorgen had hij thuis toch brood met zalm klaargemaakt? Om op te eten in het park! Dan had ie toch zeker wat lekkers voor die rare reiger? Dat magere beest had vast en zeker honger!’
Met stijve vingers begon hij het pakje brood-met-zalm uit zijn natte jas te wurmen en gooide het op de rustig kant van de sloot. ‘Daar zit vis in; dat lust je vast wel’ riep hij nog naar de reiger op zijn hoofd. Het pakje was nog niet in het gras gevallen of Jessy vloog al op en stond even later bij het pakje om het met zijn snavel open te pikken. ‘Zalm!’; dat begreep zijn neus meteen. En dan zelfs gerookte zalm; dat maakte Jessy niet vaak mee. Alles voor hem, alleen!

Hoesman schreeuwde dolblij; het was gelukt. Dat stomme reigerbeest was eindelijk van zijn hoofd af. Nu konden die jongens hem tenminste uit de sloot helpen, want Jessy liet zich door niemand meer storen. Één voor één pikte die de roze stukken zalm tussen het brood uit. Het brood zelf liet ie liggen voor de eenden en ganzen; daar kwamen er al een paar aanvliegen, maar ze moesten nog even wachten tot ie klaar was met zijn zalm.

Hoesman stak zijn handen uit naar de jongens aan de kant, die hem daarop uit zijn karretje trokken. Zijn broek en jas dropen van bruin slootwater. Ze legden Hoesman zolang maar in het gras, want ook zijn dure elektrische karretje moest er nog uit. Dat was een flinke klus met die zware batterijen, en met het voorwiel stevig in de blubber. Maar het lukte ze! Ook zijn wagentje stond nu te druipen in het gras, naast Hoesman zelf. De jongens tilden hem in zijn karretje, zodat hij tenminste rechtop kon zitten.

Er werd hard geklapt. De mensen waren blij dat die man eindelijk uit het water was. En Hoesman was dolblij om weer zijn eigen stoel onder zijn billen te voelen.  Met zijn vieze muts zwaaide hij dankbaar naar zijn redders. De mensen begrepen dit meteen en klapten mee. Daarna wees Hoesman naar de reiger die aan de overkant nog druk met zijn zalm bezig was. Lachend klapten de mensen nog een keer, nu voor Jessy. Maar die keek niet eens op: ‘Geen gezeur aan mijn kop; ja! Ik heb vis!’.
Onder de mensen waren een paar buren van Hoesman die hem nu snel naar huis wilden brengen. Ze zagen hem rillen van de natte kou en van de spanning. Eerst maar eens een warme douche en dan droge, schone kleren aan! Ze duwden het karretje vooruit en hielden ondertussen de bibberende Hoesman goed vast. Zo gingen ze het park uit. Maar Jessy had het allemaal gezien, want de zalm was op. Met een schorre kreet sloeg hij zijn vleugels uit en vloog omhoog, het groepje achterna. Hij rook al meer vis. Bij Hoesman thuis gekomen deed een buurman de voordeur open en ze duwden hem met wagentje en al de warme gang in; de deur viel dicht.

Vanuit de lucht had Jessy al snel een lantaarnpaal voor het huis ontdekt en zette zijn dunne poten boven op de kap, en kraste. Daar stond ie goed; hij ging wachten, met zijn kop in zijn nek. En probeerde door de ramen naar binnen te gluren waar die zalm-man toch was gebleven. Want het smaakte naar meer! Hij bleef daar tot het donker werd en vloog toen naar zijn slaapboom.
De volgende morgen stond ie al weer vroeg op zijn plek. Na urenlang wachten ging eindelijk de voordeur open en kwam het karretje naar buiten rijden; Jessy kraste hard. Hoesman keek naar boven en moest lachen toen ie de reiger over de rand van de lantaarnpaal naar hem zag kijken. Hij had thuis alvast wat zalm ingepakt, voor dat ‘stomme’ beest! Hij gaf gas en reed richting het park; Jessy vloog hem achterna.

Vanaf die dag reed Hoesman nooit meer alleen. Waar hij rijdt, daar vliegt Jessy – ergens boven zijn hoofd. De buren noemen Hoesman nu het ‘Zalm-mannetje’. Want zalm krijgt Jessy dan ook, elke dag! In het park, bij de brug.
Hard racen doet Hoesman nog altijd graag, maar alleen als het rustig is. Want reigers houden niet zo van drukte.

tekst, Fons Heijnsbroek / illustratie, Wendy Tjalma

1 reactie

A van der Meer

woensdag, 16:31

Leuk ingeleefde “petite histoire” met gelukkig einde! en hel up to date.

2 Poetry slam

Samen Slapen

Ben Oranje

0 Poetry slam

Ik ben net niet

Reinier Punt

0 Fictie

De dijk

Wendy Wierdsma

0 Non-fictie

Kwijt

ANJA KWARTEN

0 Fictie

Stromen

Sonja Coenen

0 Non-fictie

Als ik ga

Heidi Hulst

2 Poetry slam

kindje

Jacqueline Brouwers