Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Ribfluweel

Door Marian Bronkhorst

Mijn boek had ik vast dichtgeslagen en ik hield de klok die boven de deur van het lokaal hing goed in de gaten.

Ik had het warm in mijn corduroy broek. Ik vond de broek lelijk. Hij had een rare kleur. Grijsblauw met een zweem van groen. Twee had ik er. Twee in dezelfde kleur. Het zou lijken of ik altijd dezelfde broek aan had. Er was niemand op school met een corduroy broek. Misschien een paar jongens maar zeker geen meisjes. Mama had ze voor me gekocht. Extra lange pijpen waarvan ze de zoom had ingenomen zodat ze die later kon uitleggen. Ik kon er weer een poos mee door had ze gezegd.

De andere meisjes uit de klas hadden elkaar aangestoten toen ik hem gisteren voor het eerst naar school aan had. Giebelend hadden ze naar mij gewezen. Zij zagen er leuk uit in hun grote sweaters in pasteltinten op een mini rokje. Beenwarmers en haarbanden. Ik droeg een bloesje met bloemetjesmotief. Mijn moeder had het zelf genaaid.

Nog twee minuten voor de bel van half vier zou gaan. Zodra de bel ging had ik mijn keuze al gemaakt. Ik kon kiezen tussen: zorgen dat ik één van de eersten was die bij de kapstokken was om mijn jas van het haakje te grissen en vervolgens hard naar huis te rennen of ik bleef treuzelen zodat de meeste kinderen al ver genoeg van de school weg waren en rende dan naar huis. Vandaag zou ik treuzelen.

Ik vroeg me af of mijn benen weer zo anders zouden zijn als ze die ochtend waren toen ik, als iedere ochtend, naar school rende. Het kwam ongetwijfeld door die stomme broek met zijn dikke ribbels had ik bedacht toen op mijn bovenbenen een laag onder mijn broek bleef na deinen. Mijn bovenbenen waren niet meer de sprietige meisjesbenen die mij zo vertrouwd waren. Mama had een paar weken terug ook al een opmerking gemaakt bij het zien van de twee ontstane bultjes bij mij van voor.

‘Je begint nu een grote meid te worden.’ Ze had het gezegd terwijl ze haar verlegenheid weg lachte. Ik had me ongemakkelijk gevoeld.

Net buiten de openstaande voordeuren van school was het nog veilig. Ik kon immers altijd nog naar binnen gaan. Ik nam een diepe hap lucht. Ademde uit. Buitenlucht was iets waar ik veel behoefte aan had na al die uren binnen zitten in het muffe lokaal. Ik spiedde de straat die langs het schoolplein lag af. Die straat moest ik door zien te komen. De zeventien platanen als wachters. De laatste stond op de hoek.

Vaak was ik net voor de hoek al overgestoken. Ter hoogte van de veertiende boom in de rij. Daar stond het huis van meester Tremens. Hij gaf les aan de vierde klas. Het jaar bij hem was leuk. Hij liet me na schooltijd de planten verzorgen. Eerst alleen onze klas, later het jaar alle plantjes in de school. Ik vond het heerlijk om die momenten alleen te zijn. Ook omdat het groepje dat mij steeds opwachtte dan al naar huis was.

Ze stonden er, onder de laatste plataan. Nu moest ik razendsnel zijn, zorgen dat ik het huis van meester Tremens voorbij was voor ze mij in de gaten kregen. Als ik daar voorbij was kon ik een stukje verder door een tuin heen rennen die uitkwam op een brandgang. Aan het einde daarvan hoefde ik alleen nog maar de straat over te steken en kon zo de volgende gang in die uitkwam op onze achtertuin.

Buiten adem stapte ik de keuken in.
‘Je moet niet zo rennen, dat is toch nergens voor nodig?’ Mijn moeder zette een glas Roosvicee voor mij neer. Ik dronk het glas leeg en probeerde mijn adem rustig te laten worden.
‘Hoe was het op school?
‘Goed’ antwoordde ik zoals iedere schooldag en staarde naar de grond.

Van de straatkant voor het huis drong geroezemoes door. Gejoel en geroep. Mijn vader kwam de keuken in.
‘Wat moet dat voor ons huis?’ doordringend keek hij mij aan. Langs hem heen zag ik door de vitrage schimmen van kinderen die zich voor ons huis verzameld hadden. Enkele stemmen dacht ik te herkennen.
‘Wat doen die hier?’ vroeg hij weer. Ik wist het niet. Mijn hart begon te bonzen. Ik voelde dat ik rood werd.

Mijn vader liep de woonkamer weer in en ik volgde hem. Hij liep naar het venster. Ik bleef halverwege de kamer stilstaan. Met zijn wijs- en middelvinger schoof hij de vitrage iets open. Daar stonden ze. Bijna de hele groep van pesters uit mijn klas. En de meelopers. Ze waren zeker met zijn negenen. Tot mijn opluchting stond de grootste pester er niet tussen. Geschreeuw klonk toen ze mijn vader in het vizier kregen. Hij liet de vitrage los. De kinderen werden weer schimmen.

Gejuich ging op. Mijn vader gluurde nog eens.
Met een bijl boven zijn hoofd stond de grootste pester op het muurtje voor ons huis. Zijn bmx leunde tegen de voorkant van onze auto.

‘Wat heb jij gedaan?’ Bars klonk zijn stem door de kamer. Mijn moeder stond in de deuropening van de keuken en hield een theedoek in haar handen. Ze zweeg.
‘Niets. Ik weet het niet.’ Ik begon te huilen.
‘Lieg niet! Die lui staan hier toch niet voor niets voor de deur?’ Het was voor het eerst dat ik hem zo hoorde bulderen.
‘Je gaat maar naar buiten en zorgt ervoor dat ze hier ogenblikkelijk weg gaan.’
‘Wat moeten de buren er wel niet van denken!’ voegde hij er nog aan toe.

Weer moest ik inschatten hoe veel tijd en snelheid ik nodig had. Dit keer om langs mijn vader zien te komen.
De trap, ik had hem nog nooit eerder met maar vijf sprongen genomen. De deur van mijn kamer draaide ik op slot. Met mijn kussen over mijn hoofd lag ik te luisteren hoe na een minuut of twintig het weer rustig werd op straat.

Op de stoel naast mijn bed gaapte een nog niet gedragen blauwgrijze corduroy broek mij aan. Blauwgrijs met een zweem groen.

geen reacties
0 Fictie

Rauwe pijn

Sahar Noor

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam