Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Rosa en de doornen

Door Janine Geerling-Krol

Rosa en de doornen

Het geroezemoes uit de woonkamer verdrinkt in het gesis van de frituur. Ze draait het gas onder de dopertwen iets lager. Nog een minuut of drie, niet vergeten. Ze neemt een slok rode wijn.
Haar moeder komt de keuken binnen, dat hoort ze aan het geslof. Altijd sloffen aan in huis, ook bij anderen. Als tiener ergerde ze zich mateloos aan dat slepende geluid, maar inmiddels vindt ze het minder storend. Het heeft iets geruststellends, sussends. Bovendien sloft zijzelf precies zo, en ze weet zeker dat Lucinda zich er net zo aan ergert als zij, vroeger. Dat schept een band, dat zal zij later ook beseffen.
Haar moeder komt naast haar staan. ‘Je hoeft toch niet alles alleen te doen.’
‘Jawel, dat hoef ik wel.’ Ze leegt het netje van de friteuse in de aardewerken schaal. Eén aardappelkroketje stuitert er weer uit en belandt midden in iets nats op het aanrecht.
‘Doornroosje, toch.’ Haar moeder geeft een aai over haar wang met de buitenkant van haar hand.
‘Mam, toe.’ Ze licht de deksel van de pan met stoofpeertjes. De stoom slaat in haar gezicht.
Haar moeder zucht. ‘Ik neem nog wel wat brood mee.’ Slof, slof.
Je kunt het voelen als iemand er niet meer is. Het is dan alsof er een raam of deur wordt dichtgedaan.
Ze prikt in een peer.
Doornroosje. Zo noemde haar moeder haar vroeger, als ze prikkelbaar was.
De peer is zacht genoeg, maar het mag meer roze. Ze giet nog wat wijn in de pan, verdringt de gedachte aan bloed, organen aan steeltjes.
Ze moet het ze vertellen.
Opnieuw zet ze haar glas aan haar lippen, leegt het in één grote teug.
Hoe lang kun je zoiets uitstellen?
Ze schenkt het glas weer vol.
Het had al veel eerder gemoeten, natuurlijk, waarschijnlijk nog voor Hans’ verjaardag. Eerder nog. In september. Toen wist ze het al. Toen zeker.
Ze pakt de Marlboro Lights van de afzuigkap en steekt een sigaret op. Zo moedig is ze normaal gesproken niet – ze doet het altijd stiekem, als er niemand thuis is – maar vandaag is anders. Vandaag zal zij sowieso anders zijn. Voor hen, dan.
Ze buigt zich iets over het gasfornuis en blaast de rook recht de afzuigkap in. Weggezogen. Nog voor het een kans heeft echt te bestaan.
‘Doe je dat nog steeds?’ Dit keer had ze haar moeder niet horen aankomen.
Snel drukt ze de sigaret uit in een kommetje. ‘Het is bijna klaar. Paar minuten nog.’
De doperwten – verrek, de pan stroomt over. Ze draait het gas uit en giet de erwten af. Er vallen er een paar in de gootsteen. Misvormd, murwgekookt.
‘Er drijft iets in de pan.’ Haar moeder staat over de stoofpeertjes gebogen.
‘Aan de kant, mam.’ Ze zet de dopertwen op het fornuis en geeft haar moeder een licht duwtje met haar heup.
Tussen de stoofpeertjes drijven wat donkere stukjes. As. Van haar sigaret. Ze pakt een vork en probeert de vlokjes uit het roze vocht te vissen.
‘Eet je wel genoeg? Je ziet zo magertjes.’ Haar moeders hand klemt zich even om haar bovenarm.
‘Mwa, beetje grieperig geweest.’ De as glipt telkens weg. Ze geeft het op. Tijd om de kalkoen uit de oven te halen.
‘Dan moet je straks goed eten hoor, om aan te sterken. Ik zet de aardappels vast op tafel.’
Tijdens het snijden van de kalkoen komt haar moeder nog drie keer terug. Iedere keer iets langzamer schuifelend. Tweeëntachtig is ze, gammel maar koppig. Ze was pas laat zwanger geworden, op haar negenendertigste, toen ze dacht dat ze überhaupt geen kinderen kon krijgen – dat hadden de dokters gezegd – maar daar was je, en toen begon mijn leven pas echt. Slof, slof.
Ze steekt een sigaret op. Een paar trekjes nog, de kalkoen is heet genoeg.
Zelf was ze zesentwintig toen ze moeder werd. En eerlijk gezegd had ze indertijd helemaal niet het idee dat haar leven op dat moment pas begon. Er eindigde juist schrikbarend veel. Feestjes. Reizen. Spontaniteit. Avontuur. Naakt door de slaapkamer lopen met het licht aan, zonder je te generen voor wat andere ogen zien of wat je spiegelbeeld je vertelt.
De rook uit haar neus waaiert langzaam uit in het licht van het spotje van de keukenkast.
Na de bevalling had ze cup G, het was waanzinnig – nou ja, voor Hans dan, die keek er altijd naar alsof hij zelf borstvoeding zou krijgen – maar ook funest. Voor haar huid. Jeugd. Stevigheid. Geilheid. Zonder BH hangen ze nu voorbij haar middenrif. Een potloodje eronder? Zeg maar gerust een flink etui. Meerdere.
Ze lacht schamper, en neemt een slok.
Wat maakt het ook uit. Een lichaam is iets dat je gebruikt om in te leven. Of andersom. Een lichaam is iets dat jou gebruikt om dood te gaan.
Ze drukt de sigaret uit neemt de schaal met kalkoen mee, de keuken uit, de woonkamer in.
Gelach en gepraat en kerstmuziek. Ze zitten allemaal aan tafel. De tafel die ze zorgvuldig had gedekt. Een nieuw, wit tafelkleed dat eigenlijk te duur was maar waar ze deze keer niet op had willen beknibbelen, bijpassende servetten, grote, echt kristallen wijnglazen, haar beste servies, de kandelaars gepoetst, alles glanzend, helder, schoon, alles mooi versierd met kerstballen, slingers, hulst.
Het is al niet meer zo netjes, er is rode wijn over het kleed gegaan, broodkruimels, stukjes glas van een kerstbal liggen verspreid, kruidenboter, tapenade op messen en borden. Maar dat geeft niet, je kunt niet leven zonder dingen vies te maken, te breken, je kunt niet leven zonder chaos, zonder dingen zin te geven.
Ze legt wat kalkoen op het bord van Belinda, die glimlachend opkijkt. Felroze lippen in een pas gebotoxt gezicht, zo onzeker altijd, haar zus, zo altijd op zoek naar bevestiging en perfectie, maar zo lief ook, eigenlijk, zo beschermend altijd, dwars door het altijd beter willen zijn heen, haar hand vasthoudend als ze naar school liepen samen, en vaster nog, wand in wand, als het gesneeuwd had, als het glad was, als ze de weg overstaken. Links kijken, Rosa, rechts, en links.
Gerard heeft weer het hoogste woord. Of het laagste, het is maar hoe je het bekijkt. ‘Weet je wat oude vrouwen tussen hun borsten hebben, en jonge niet?’ Hij grinnikt al, vouwt zijn arm om Hans heen, die met een halve glimlach (voor een kwart beschaamd, voor een kwart vermaakt) zijn ogen ten hemel slaat.
Ze weet al wat er komen gaat, zo flauw altijd, zijn grappen, zo voorspelbaar (vooral als je ze voor de tiende keer hoort), en ze schuift een stuk kalkoen op haar dochters bord.
Iemand zegt iets, ze hoort niet wat, en Gerard roept iets terug, maar ze hoort het niet. Ze kijkt naar de droog ogende kalkoen in haar handen, en bedenkt dat ze de cranberrysaus is vergeten.
Snel legt ze nog wat vlees op de laatste borden, en snelt de keuken in.
Twee potten saus open, hop, in de pan, op het vuur, op z’n hoogst. Er spettert in de snelheid het een en ander tegen de Marokkaanse tegeltjes en op haar jurk, maar ze negeert het, roert door de pan, neemt nog een slok wijn, steekt opnieuw een sigaret op.
Slof, slof. ‘Kan ik nog ie-‘
‘NEE.’
Slof, slof.
Als ze terug de kamer in loopt met de cranberrysaus, ziet ze hoe haar dochters somberte in de kaars voor haar staart, haar hoofd in haar handen, haar ellebogen dwars op tafel. Hans vindt het storend, dat van die ellebogen, en kan enorm uit de bocht vliegen als hij dat ziet. We zijn toch geen boeren!
Om hem voor te zijn, zegt ze, zonder al te streng te klinken, ‘Luus, lieverd, ellebogen van tafel,’ waarbij haar wijde mouw tijdens het opscheppen van de saus even – heel zacht, bijna niet voelbaar – de top van Lucinda’s hoofd raakt, en ze op dat moment alles los zou willen laten om met een volle hand door haar dochters donkere, lange haren te gaan, en over haar wangen te strelen die tegenwoordig zo bleek zijn, kleine kusjes te geven totdat ze weer blozen, totdat er een glimlach verschijnt op die stuurse lippen, totdat er iets twinkelt tussen het zwarte oogpotlood, iets twinkelt van jaren terug, en dat ze dan klein en warm op schoot kruipt en haar hoofdje tegen haar aan legt en zegt dat ze nog een verhaaltje wil, en met haar duim in haar mond in slaap valt.
Op naar het volgende bord, haar ogen vechtend met tranen, haar benen zwaar, de vloer stroop, de stemmen achter een muur van iets, haar gedachten terug naar de keuken – de keuken waar het veilig is, waar ze straks het toetje zal maken, een sigaret zal roken, waar ze nog een moment niet anders zal zijn door wat ze uiteindelijk zeggen moet. Als de avond eindigt. Als de nacht begint.
En dan hoort ze zichzelf sloffen, maar het kan ook gewoon haar moeder zijn.

2 reacties

Janine Geerling

zaterdag, 14:45

Dank voor de mooie reactie!
Een vervolg… Wie weet 😉

begemann

zaterdag, 14:24

wat een prachtig verhaal. Voelde me opgenomen in het geheim en rook de geur van eten en sigaretten. Het blijft spannend tot aan de laatste regel. Wanneer komt het vervolg?

2 Poetry slam

Samen Slapen

Ben Oranje

0 Poetry slam

Ik ben net niet

Reinier Punt

0 Fictie

De dijk

Wendy Wierdsma

0 Non-fictie

Kwijt

ANJA KWARTEN

0 Fictie

Stromen

Sonja Coenen

0 Non-fictie

Als ik ga

Heidi Hulst

2 Poetry slam

kindje

Jacqueline Brouwers