Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Schone slaapster

Door Elizabeth Kooman

Moe fietste Eef naar haar werk. Dit werd een goede dag. Het was koud, helderkoud en de zon zou zeker doorbreken. Ze maakte haar fiets vast aan een lantaarnpaal, zocht haar sleutels en liep naar de deur. Binnen was het licht al aan, en ze zag meteen dat er een nieuw dekbed lag. Wit, met in sierlijke roze schrijfletters over de hele tweepersoonsbreedte de woorden ‘Sweet dreams’. Twee dikke kussens met oudroze kantjes maakten het compleet.

‘Goeiemorgen, ik ben er’, riep ze naar achteren. ‘Ik heb een pyjama klaargelegd’, antwoordde Carolien vanuit haar kantoor. Eef zag hem liggen. Ook roze, dat kon niet missen, lichtroze met donkerder bloemetjes erop. Achter het gordijn verwisselde ze snel haar kleren voor de pyjama. Jasje en broek. Flanel. Dit zou een perfecte werkdag worden. Eef hield meer van comfortabel dan van mooi. De nachtkleding die Carolien uitzocht, was weliswaar nooit te laag uitgesneden, maar Eef voelde zich toch het gemakkelijkst in broek en shirt. Wie flanel had uitgevonden, was een genie. Zo moesten dieren zich voelen, hun vacht soepel om zich heen. Vlug controleerde ze haar make-up in de spiegel. Niet te veel, niet te weinig. Carolien had het haar uitgelegd: de mensen moesten het idee krijgen dat vrouwen ook ’s nachts, zonder hun maskertje, mooi waren. Dat slapen een charmante bezigheid was. Maar omdat helemaal kaal dan weer net niet mooi genoeg was… Eef had zich lichtelijk verzet, maar wilde de baan te graag om er stennis over te schoppen. ‘De wereld wil bedrogen worden’, had ze gemompeld.

Eef kroop onder het dekbed. Sweet dreams. Ze was een tijdje uit de running geweest vanwege haar nachtmerries. Midden op de dag schrok ze zwetend wakker, het dekbed in een frommeltje bij haar voeten, haren in een warboel over haar gezicht. Van zoete dromen was nog steeds geen sprake, maar dat ze droomloos sliep, vond Eef al meer dan heerlijk. Op het nachtkastje stond het ontbijt klaar, compleet met een rode roos op het dienblad. Alles klopte, zoals altijd. Carolien had het blijkbaar druk vandaag. ‘Ik doe open hoor, eetsmakelijk’, riep ze, en Eef hoorde haar hakvoetstappen door het pand snellen. Ze zag Carolien voor zich: in haar keurige mantelpakje liep ze op haar gehakte benen net iets te rechtop. Alsof ze elk moment achterover kon vallen. Eef had tegen haar opgekeken. Inmiddels wist ze ook wel dat er achter dat mantelpak en de panty’s waarin nooit ladders zaten geen kreukloze vrouw school. Dat maakte haar des te bewonderenswaardiger. Carolien had bovendien belangstelling voor de mensen om haar heen. Maar vandaag niet. Vandaag was er geen tijd voor een praatje. Eef zette haar tanden in een cracker met bosbessenjam. Dan niet hoor, dacht haar krakende hoofd, Eef is wel gewend aan stille dagen en stille nachten. Eef heeft haar zolderkamer, Eef heeft haar boeken, Eef heeft een doel en eindelijk een perfecte baan, dus kan Eef het beste maar gewoon gelukkig zijn.

Ze vond vrienden in haar boeken. Nacht aan nacht voelde Eef zich in gesprek met de gedachten van personages, en soms met de gedachten van letterkundigen die haar voorgingen. Letterkundig. Ach. Een letterliefhebber voelde zij zich meer. Betaald promoveren had haar nooit werkelijk getrokken. Ze had wel geprobeerd een plaats te krijgen, werd om haar promotievoorstel over Armando’s leven en werk altijd geprezen, maar was ze eenmaal in de gespreksfase beland, dan liep het steevast mis. Ze dacht te langzaam. Op grote vragen had ze niet direct antwoorden. Flarden ervan, ja, maar ze kreeg de tijd niet haar gedachten af te maken. Dat zou niets worden als ze colleges moest geven, laat staan lezingen voor vakgenoten. Bovendien wilde ze zichzelf niet aldoor aan iedereen moeten bewijzen. Ze had haar handen boordevol aan het bewijs dat ze zichzelf keer op keer moest leveren.

Eef schoof het dienblad naar de lege plek naast zich. Uit haar tas onder het bed haalde ze Armando’s De straat en het struikgewas en legde dat op het nachtkastje. Duidelijk zichtbaar. Voorbijgangers hoefden haar niet voor mooi poppetje te verslijten. Daar lag iemand met hersenen, moesten ze denken. Ach, ze dachten waarschijnlijk helemaal niet over haar na. Eef gaapte, zakte onderuit, draaide op haar linkerzij en trok het dekbed op tot onder haar oksel. Niet helemaal wegkruipen, ze moest zichtbaar blijven. Door haar wimpers keek Eef nog even naar het raam. Aarzelend kwam de Haarlemmerstraat tot leven.

Of het door de invallende schemering kwam, wist Eef niet, maar rond kwart voor vijf werd ze meestal wakker. Het tweede kussen stopte ze achter haar rug. Eef pakte haar boek en begon te lezen. Memoblaadjes gaven aan waar ze moest zijn voor treffende passages over het onbetrouwbare geheugen, of over daders en slachtoffers die medemens werden, voor zinnen waarin ze een worsteling met identiteit bespeurde, of waarin het ‘schuldige landschap’ alom was met ‘plekken’ als zwijgende getuigen. Ze hield van Armando’s werk door de onduidelijkheid. Het was zo waar: je wist niet of je je herinneringen kon vertrouwen. Je wist niet wat goed en fout was. Je wist niet of je slachtoffer was of toch ook dader. Wie je was, werd door zoveel van buitenaf bepaald. En haar zwijgende getuige was de stad: een brug hier, verkeerslichten daar, bij gebrek aan Armando’s bomen. Armando legde de vinger bij haar zere plekken, en vreemd genoeg voelde dat als een pleister. Ontmoet had ze hem nog niet. Ze moest vaart maken, hij was een bejaarde. Toch stelde ze het uit. Het kon tegenvallen. Op papier begrepen ze elkaar zo goed.

Het was druk nog, op straat. Eef zag het zonder echt te kijken. Mensen wilden haar zien, maar niet door haar gezien worden, had Carolien haar op het hart gedrukt. In de loop van de tijd had Eef de techniek van de glazenwasser onder de knie gekregen: wel het glas zien, maar niet dat wat erachter is. Of eigenlijk zag ze het wel, maar wekte de indruk het niet te zien. Ze wist nu dus ook niet meer of de glazenwasser werkelijk niet naar binnen keek als hij bij haar de ramen kwam lappen en zorgde er voor de zekerheid voor dat hij alleen haar rug zag als ze overdag thuis was. De jongens zag ze natuurlijk aankomen. Drie stuks van een jaar of zestien. Dat was wachten op opgewonden gelach en een gebaar om te vragen hoeveel het kostte. De eerste keer dat het gebeurde, kleurde ze rood tot in haar buiten boord stekende tenen. Maar mensen worden onzeker als je door hen heen kijkt, zestienjarige jongetjes voorop. Dus dropen ze af, deze drie, om zich heen kijkend of ze niet uitgelachen werden.

De man zag ze ook aankomen, tot twee keer toe. Langzaam liep hij voorbij en keerde niet veel later terug. Hij keek. Probeerde net als zij onopvallend te kijken, maar faalde hopeloos. Zijn blik was te open om de schijn te wekken dat hij bij het glas stopte. Eef herkende hem. Net als zij had hij een abonnement op de serie Oude Muziekconcerten in De Waag. Hij tuurde naar haar boek, keek quasi nonchalant de andere kant op, maar keek nog eens, nu naar haar. Toen maakte Eef de fout die ze haar hele leven al maakte en die ze zich voorgenomen had nooit meer te maken: ze keek hem aan. Nog geen tiende seconde, maar toch. Ze speelde dat ze verder las. Toen ze opkeek, was hij daar weer. Onder de letters op de etalageruit ‘De schone slaapster – Bedden, matrassen, accessoires’ hield hij een papier tegen het glas: ‘Honger na deze werkdag? 18:30 uur bij Verboden Toegang (Kaiserstraat 7)? Praten over Armando?’ Eef draaide zich om, stopte haar warme hoofd in een koel stukje kussen. Spelden in haar oksels. Die pyjama was te warm voor Nederlandse winters. Naast haar, op het nachtkastje, knipoogde de digitale wekker 17:23 uur. Pas om 18:00 uur ging de winkel dicht. Ze had nog even.

geen reacties
0 Fictie

Rauwe pijn

Sahar Noor

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam