Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Seks ontspant

Door Jan Kloeze

Seks ontspant, zeggen ze. Dus liep ik door de stad op zoek naar een minnaar die met me zou willen slapen. Letterlijk. Want ik wilde af van die gejaagdheid in mijn bloed, van het harde hart in mijn borst, van de onrust in mijn benen. Ik woonde toen in de buurt van het Hortusplantsoen, tussen panden met dichtgetimmerde ruiten. Om buiten te komen, moest ik vanonder het maaiveld door het raam klimmen.
Meestal liep ik eerst in de richting van de Amstel. Ik hield van grote wateroppervlakten in de nacht. Ik werd rustig van de spiegeling van de lantaarns, het klotsen onder mijn voeten en vooral de bootjes die met groene, rode en witte lichten voorbij dreven zonder mij te zien. En ik stelde me voor in te schepen in een kano, zo’n zelfgebouwde kano van hout, en af te drijven naar zee en dat ik op de deining van de golven vanzelf in slaap zou sukkelen.
Maar ik zat op een stenen kade in mijn jeans en mijn sweater met capuchon en ik kreeg het koud. Dus ging ik lopen. Ik liep over de Amstelkade tot aan de Sarphatibrug. De hele Sarphatistraat af, linksaf de Plantage Middenlaan in, langs Artis en weer rechtsaf naar de gesloten hoofdingang, waar ik vaak op een bankje ging zitten om naar de geluiden te luisteren. De langgerekte fluittonen van kaketoes, weet ik veel. Vogels in ieder geval. Vaak nam ik me voor later op te zoeken welk geluid kaketoes voortbrengen, maar ik wilde het eigenlijk niet weten omdat ik het woord kaketoe graag in gedachten bleef nemen. Ik hoorde ook pauwen. Die herkende ik zeker weten. Schrille schreeuwen. De hele nacht door. Het leek wel alsof ook pauwen nooit sliepen. Ik stelde me voor dat ze in het donker in de dierentuin liepen te pronken met hun staarten, de mannetjes dan, terwijl niemand het zag. En dat ze het overdag vertikten, als iedereen stond te kijken. Soms hoorde ik eens een brul van een roofdier, een leeuwin of een panter. Maar meestal hielden ze zich stil. De nachtdieren waren in de dierentuin veranderd in luie flikkers die de hele tijd sliepen, ook overdag, zij wel.
Ik hoopte dat iemand me zou aanspreken terwijl ik daar zo in het zachte licht van zo’n ouderwetse, Amsterdamse lantaarnpaal zat te luisteren. Een man. Met een hond. Die had je daar zat. Zeker voor middernacht. Maar het gebeurde nooit. Een enkeling knikte voorzichtig. Soms kwam iemand zo dichtbij dat zijn hond aan het bankje kon snuffelen. Rechtop zat ik dan. Rug tegen de bankleuning. Handen in de schoot. Maar het leverde niets op. Ik wist precies hoe ze me zagen. Ik vertegenwoordigde als jonge vrouw iets onreglementairs in die buurt. Een zwerver of alcoholist was ik niet. Te ongeschonden. Te alleen. Te vaak hier ook, in de Plantage Kerklaan.
De mannen met honden maakten steeds dezelfde wandeling. Sommigen kwamen over de brug vanaf het Entrepotdok. Ze gingen me herkennen, maar ze bleven op afstand. Een vrouwelijke Keefman, het favoriete boek van meneer Reinaardt, mijn tekendocent in het eerste jaar aan de academie. Hij heeft het me een keer van begin tot eind voorgelezen. Waarschijnlijk psychisch dan wel psychiatrisch gestoord. Dat was ongetwijfeld hun conclusie. En niemand die er misbruik van maakte. Dat verbaasde me nog het meest. Een jonge vrouw zit nacht in nacht uit op een bankje en je loopt daar, je ziet haar zitten en je smeedt fantasieën en op een nacht spreek je haar aan, gewoon om haar nieren te proeven, en ik zweer, als het geen gnoom met een bochel was en hij had alleen maar tegen me gezegd dat ik met hem mee moest komen, had ik het gedaan. Was ik meegegaan. Ik zat daar als een hapklare brok, als mannenvoedsel. Ik hoopte verslonden te worden door iemand die me eindelijk kon laten slapen.
Had iemand de politie gebeld? Waren ze zo bang geworden? Hadden ze in het Wertheimpark hun koppen bij elkaar gestoken, hun honden snuffelend aan elkaars aarsen? Ik denk dat die vent met zijn windhond en zijn missionariskapsel het heeft georganiseerd op een avond dat ik er een keer niet was. Ik denk dat hij zelf gefabriceerde briefjes aan de andere hondenmannen heeft gegeven. Kom morgenavond naar het park, stond daar dan op. De gebarsten spiegels van Wolkers waren er toen nog niet. Het was vooral een zompig bosje in de stad, met hondenpoep, condooms en kapotte spuiten naast de halfverharde paden.
En daar, op het natte gras in lantaarnpalenlicht zijn ze tot de conclusie gekomen dat ze de politie moesten inschakelen. Die jonge vrouw heeft hulp nodig. Voordat ze verder afglijdt op weg naar een plek onder de brug. Dat zal de missionaris hebben gezegd. Waarop de meeste kerels dachten dat ze dan ook van me af waren, als ik ergens onder een brug lag. Maar dat durfden ze niet te zeggen. Er woonden daar brave burgers. Mannen met banen. Vrouwen met activiteiten. Kinderen op gymnasia, ongetwijfeld. Al zag ik ze nooit, die kinderen. Auto’s wel, bumper aan bumper langs de weg.
Achteraf had ik het aan moeten voelen. Ze hielden meer afstand dan normaal en ze keken helemaal niet naar me. Zelfs geen snelle, schuchtere blik. Het was schuldig gedrag. Maar ik herkende het niet. Ik dacht dat het aan mij lag, aan mijn energie. Want ik zat er niet zoals anders. Ik had me voorgenomen eindelijk gewoon zelf iemand aan te spreken. En ik dacht dat ze dat misschien aanvoelden en daarom afstand hielden. Ik wilde die man met zijn herdershond vragen. Een beetje een sjokkend dier met zijn kop laag bij de grond, te zwaar, te veel, als een doorbuigende tak. De man leek me geschikt. Hij bleef rustig staan wachten als de hond ergens aan moest ruiken. Hij liep precies langzaam genoeg voor de oude herder. Zijn jas kwam tot zijn knieën en zijn gestalte leek slank. In het donker was zijn haar licht van kleur, maar niet grijs. Hem wilde ik aanspreken. Ik zou opstaan van mijn bank, naar hem toe lopen en over zijn hond beginnen. Dat werkt altijd. Aardig op leeftijd, of niet? Hoe heet hij? Een stamboom?
Die nacht schreeuwden de pauwen harder dan anders. De man met de herdershond liet op zich wachten. Ik was extra vroeg en ik zat er zeker al meer dan een uur, toen er ineens iemand naast me op de bank schoof. Ik schrok me een rolberoerte.
‘Alles goed met u, mevrouw?’
Een niet onsympathieke stem. Wel wat mechanisch. Alsof hij deze vraag meerdere keren per dag stelde. De politie, dus. Een agent. Hij droeg geen pet, vreemd genoeg. Wel een uniform. Ik haalde weer adem. Een jonge kerel met een snor, zoals iedereen in die tijd. Belachelijk. Snorren. Maar zijn ogen waren oké. Hij keek me echt aan. Niet vluchtig. Niet schichtig. Zoals de meeste mensen buiten de academie. Maar rustig en geïnteresseerd.
Het was ineens doodstil in de dierentuin. De mannen op straat waren verdwenen. Ik zag donkere auto’s. Ik zag warme, gele ruiten in gevels boven me. Een late tram op de Plantage Middenlaan rinkelde in de verte.
‘Ik kan niet slapen’, zei ik tegen de jonge agent.
Waarop hij aha antwoordde. Aha. Alsof hij alles begreep. Later moest ik lachen omdat hij altijd aha zei, ook als ze aan het klaverjassen waren in het wachtlokaal en iemand een troef op tafel gooide. Aha, zei Joep dan. Zo heette hij. De anderen droegen namen als Lange (eigenlijk Harald), Moes (eigenlijk Moustafa) of Rudi. Vooral Rudi vond ik echt een politienaam.
In plaats van op het bankje bij Artis, mocht ik zo vaak als ik wilde bij hen komen zitten. Het was er warmer. Ze hadden chocolademelk. Soms moesten ze weg en dan bleef ik alleen achter. Er waren wel meer agenten, aan de balie of boven in de recherchekamer, maar die negeerden me net zoals de hondenmannen op straat. Ik heb een hele map vol schetsen van mijn politiekerels. Ligt nog ergens in een la. Allemaal in hetzelfde decor. De wachtkamer, waar ze zaten als ze dienst hadden. Ze hoefden niet steeds op patrouille. Dat deden anderen. Zij waren van de oproep. De versterking. Dat had je in die tijd nog. Normaal gesproken was Joep niet naar me toe gekomen, maar omdat de buitendienst in dat deel van de stad toevallig betrokken was bij een uit de hand gelopen toestand op het Rembrandtplein, was hij gegaan. Effe bij dat wijffie kijke bij Artis. Ik ga wel alleen. Wat ken dat nou voorstelle. En de mannen hebben natuurlijk zitten dollen. As je mar van d’r afblijft, ouwe. Erg schoon zijn ze niet. En toen kwam hij met mij aanzetten. ‘Een slapeloze’, zei hij. Dat herkenden ze. Ik was een van hen. Daarom.

1 reactie

Menno

maandag, 17:42

Heel leuk verhaal dat heel fijn leest!

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch