Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Sis

Door François van Vloten

Sis,

Zondagen waren dagen vol wreedheid. Zeker voor een jongetje van een jaar of acht. Steevast familiebezoek. Dit keer moesten we naar ome Wim. Een man van ruim twee meter met kleine kraaloogjes, jukbeenderen van een Neanderthaler en een paar kilo aan vlezige handen met dikke eeltige vingers. Ome Wim was een kleine boer met een koe, twee varkens, wat ganzen en een ren met twaalf kippen en een haan. Dat hij een hond had was een pre. Sis heette ze. Een kortharige hangwangkwijler die als zij haar kop schudde veel weg had van een zwaaiend vergiet vol natte sla.
Die middag blies haar snuit kleine pluimpjes. Voor mij peddelden haar gebruinde dijen in de maar niet wegtrekkende mist. Ik liep achter haar en voelde mij koning over dit kleine stukje naar rottende bladeren ruikende grond. Hoog zat ik op een schimmel; een rode riddermantel achter mij aanslepend. Met hoofse beleefdheid inspecteerde ik mijn onderdanen, groette de kauwende koe, zwaaide naar de varkens in hun modderbad en salueerde naar de gakkende ganzen. De kippen zei ik niets. Die voortdurend kijvende madammen in hun aanstellerige veren hoepelrokken en hun monsterlijk gerafelde met heksennagels gewapende klauwen. Sis duwde met haar goeiige domme smoel tegen het kippengaas dat samen met haar elastisch naar binnen boog. Haar natte snuit snoof de muffe kippenstront. Meteen dramatisch gefladder, verontwaardigd gekakel, kippenogen in het zuur. In al het tumult bleef echter een exemplaar met een kaal geplukte rug de linie houden. Kop recht, nek gespannen, balancerend op een poot om vervolgens vanuit het niets plotseling uit te halen, Sis op haar suffige kop te pikken, dit straffeloos te herhalen en vervolgens parmantig met opgeheven gat van het gejank weg te paraderen als een schrikgodin die na haar kwellerijen verdwijnt in de nacht.
Ik rende naar Sis die van pijn aan het kontdraaien was. Zacht kneep ik haar warme oorlellen in mijn te kleine klamme handen en sprak mensen tegen honden taal. Direct ging ze op de rug; poten omhoog.
Dat wat die kip had gedaan kon niet, was niet te billijken en vroeg om helse vergelding waarbij de hele kiproulade inclusief haan met verwaaide kam horendol makende tol zou moeten betalen. Ergens in mijn hoofd ontvlamde zich een duister plan. Het deed mijn hart bonzen, tikte tegen mijn slapen, tintelde mijn handen. Turend naar dat verre maar toch dichtbije kippenluik achter in de ren ontspon zich het almaar concreet wordende idee dat steeds harder om uitvoering schreeuwde. Ik stond op en liet Sis kantelend krabbelend en kwijlend weer op haar springende poten staan. Na het nodige wurmen verschoof ik het verroeste grendeltje van het poortje naar de kippenren. Piepend als een ontstemde viool gilden de scharnieren. De kippen tokten en proclameerden hun hovaardigheid. Op tenen schoof ik naar de stal. Het luik was te bedienen met twee touwtjes, een aan de buiten, de ander aan de binnenkant. Alleen de vanmorgen slordig door ome Wim in het touw gelegde strik hoefde los waarna het mechanisme zonder pardon tegen de rulle aarde zou klappen. Naast het luik bevond zich een deurtje. Ome Wim moest zich altijd bukken. Het zat niet in het slot maar klemde tegen het kozijn. Ik rukte waarna het open zwierde. Opnieuw kippenveren en een halfslachtige hanenspurt. Duister was het binnen met zwevend stof in lichtbanen die door twee kleine raampjes somber naar binnen vielen. Twee stokken vormden in het midden de hennenbedstee. Achteruit liep ik weer naar buiten en tuimelde haast over een geïmproviseerde drempel waarna ik de deur dicht smeet. Ik schuifelde tot aan het gaas zodat ik een mooi overzicht had. Aan de andere kant van de draad walmde hondenadem. Sis wilde uitbundig likken maar schuurde zijn tong enkel tegen ijzer.
Kokend met borrelend bloed begon ik plots te schreeuwen, stormde vooruit met trillend opgeheven armen als een uit haar hol getreiterde berenmoeder. De kippen stoven alle kanten uit, behalve de haan die deed wat ik van hem verwachtte. Onder gesmoord kraaien verdween hij door het gat in duisternis. Met wijd open gesperde ogen joeg ik achter vluchtende kippenzielen, stampte tegen voor mij rollende kippenballen die een voor een onder protestgekakel in de stal verdwenen. Zittend op mijn schimmel met rode mantel overzag ik het strijdtoneel. Sis blafte wild en trok baantjes langs de afzetting. Voetvolk dat ongeduldig stond te trappelen aan de poorten van de wallen, wachtend tot hun koene leider eigenhandig de grendels zou openen. De kip met de kale rug stond er nog. Ik sloop dichter en taxeerde haar kille schrale reptielenogen. Klaaglijk tokte ze, waardoor ze mij even terugdeinzen deed. Het begon al te schemeren. Ik vermande mij, stoof achter haar aan totdat ook zij in het gat van de stal verdween. Meteen rukte ik aan het touw. Met een doffe klap viel het luik. Opgewonden gekakel. Ik rende naar het poortje, liet Sis naar binnen draven, holde mee en opende de nog steeds klemmende deur waar zij blaffend en grommend in verdween.
De dagen die volgden waren gevuld met kippensoep die ik staande moest slurpen aangezien ome Wim met zijn kolenschoppen mijn billen beurs had geslagen.

2 reacties

Francois

zaterdag, 21:45

Bedankt voor het compliment.

S.T. Hills

maandag, 14:54

Mooi!

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch