Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Sjeng van Dalsum, kunstenaar in hart en nieren

Door Joke Pallada

Het was in de winter van 1943. Nederland was bezet en leed honger. Het geschiedde in die dagen dat een kleine, hoogzwangere Jodin, vanuit het zuiden waar ze ondergedoken was, een reis ondernam naar Amsterdam. Ze droeg geen ster. Ze klopte op de deur van het Prinsengracht Ziekenhuis. Een non deed open. De vrouw stelde zich voor als Do Hoogland en vroeg of ze binnen mocht komen. ‘Komt u binnen, mevrouw van Dalsum’, antwoordde de non. Niet veel later beviel ze daar van haar zoon. De vader gaf hem aan bij de burgerlijke stand van Amsterdam, maar gaf daarbij een verkeerde geboortedatum op: twee dagen later. De vrouw heeft mij dat zelf verteld. Hoe kon ze die reis maken? Reden er treinen? Waarom beviel ze niet in een ziekenhuis in Limburg? Hoe wist die non haar naam? Reisde ze alleen of met haar man, die bekend was en gezocht werd? Waarom gaf hij een verkeerde geboortedatum op? Ik kan het ze niet meer vragen. Zo begon mijn leven onder mysterieuze omstandigheden.

Ik leerde Sjeng begin 2007 kennen via een datingsite. Dat was toen, zeker voor mensen van onze leeftijd, nog tamelijk gewaagd. Wij hadden daar allebei lak aan, al stond ik, na een paar jaar afspreken via internet, op het punt om het hele datinggebeuren vaarwel te zeggen vanwege de rare kwibussen die ik intussen was tegengekomen. Maar toen hij reageerde op mijn advertentie, werd dat anders. Sjeng – nog maar net op virtuele vrijersvoeten na de scheiding van zijn derde vrouw, Ans Cobussen– schreef prachtige brieven, waar ik meteen verliefd op werd. Hij noemde zich Dal en was niet van plan om verder ook maar iets van zijn persoonlijke gegevens prijs te geven. Tot hij in zijn vierde brief schreef dat hij als kind van zeven jaar een keer had gefigureerd in een Kronkel van Simon Carmiggelt. Hij liep aan de hand van zijn moeder, met een vriendje, over het Leidseplein in Amsterdam. Dat jongetje had onderweg lopen opscheppen over zijn vader die een eigen winkel had en toen ze bij de Schouwburg aankwamen, riep Sjeng triomfantelijk: “En dit hele gebouw is van mijn vader!”
Ik wist het meteen: “Jij bent een Van Dalsum”, schreef ik terug. Hoe ik dat kon weten, was zijn verbaasde reactie. Tja, geboren en getogen in Amsterdam en van huis uit geabonneerd op Het Parool, las ik elke dag een Kronkel en omdat mijn brein werkelijk alles onthoudt, kon ik me die tekst bijna letterlijk herinneren.

Omdat hij geboren wordt in een kunstenaarsgezin, staat al bij voorbaat vast dat de zoon van Albert van Dalsum iets in de kunst gaat doen. Maar vanwege zijn slechte geheugen en de trage verwerking van leermateriaal, volgens zijn moeder ontstaan door een (lichte vorm van) encefalitis op 5-jarige leeftijd, en doordat hij nergens echte belangstelling voor toont, weten zijn ouders niet goed wat ze met hem aan moeten. Naarmate hij ouder wordt, leert Sjeng zichzelf omgaan met zijn slechte geheugen, maar hij houdt altijd last van een te trage informatieverwerking en een langzame progressieve hardhorendheid. Die combinatie geeft een serieuze beperking.
“Een van de gevolgen was dat mijn schoolprestaties rampzalig waren en ik ook niet kon meekomen op sportgebied of bv op dansles. Leraar: ‘het is weer walsen van Dalsum’ (een 1, 2 of 3). Ik: ‘maar ik heb echt mijn best gedaan meneer’. Hij: ‘dat is nou juist zo erg jongen’. Juist omdat ik zelf zo moeilijk kon leren, werd ik later, al zeg ik het zelf, een erg goede leraar in tekenen, schilderen en psychologie, vakgebieden die nauwelijks concreet zijn en daarom moeilijk uit te leggen.”

Hij interesseert zich niet voor het toneel van zijn vader en ook niet voor het pianospel en de dans van zijn moeder. Later schrijft hij daar zelf over: “Ik heb van mijn geboorte tot mijn 16e onbewust geleefd en ik had een hekel aan het toneelspel van mijn vader en als mijn moeder pianospeelde of begon te dansen, ging ik helemaal door de grond.”
Sjeng is krap acht jaar oud als hij belangstelling krijgt voor tekenen en er fanatiek in opgaat. Zijn moeder prijst alles wat hij maakt de hemel in en bewaart het voor het nageslacht. Dat is leuk voor ons, want zo zijn wij een klein beetje getuige van de geboorte van een kunstenaar. Het zijn natuurlijk kindertekeningen, maar er zit toch al perspectief in en Dal en Do, zoals zijn ouders zich noemen, zijn opgelucht; ligt er toch nog een mooie carrière in de kunst voor hun zoon in het verschiet.
“Overigens ben ik geneigd te zeggen dat ik, voor wat mijn schilderkunstig bestaan betreft, een funeste opvoeding heb gehad. Anderen ondervonden meestal weerstand als zij de kunst in wilden. Bij mij thuis riepen ze, toen ik zei dat ik schilder wilde worden; ‘Maar dat is fijn, dat is prachtig.’ Er werd mij niets in de weg gelegd. Integendeel. Misschien is dat toch niet zo goed.”

Als kind en puber is Sjeng een onhandelbaar jongetje. Dat wil zeggen; zijn moeder kan hem niet goed aan en zijn vader heeft geen tijd voor de opvoeding; die leeft voor zijn kunst en “leerde zijn rol tot op de wc.” Sjeng stottert, is zowel afwezig en dromerig, als druk en driftig en de kinderarts adviseert om hem een rustig leven te laten leiden en hem veel te laten slapen. Dit advies speelt het gezin gedurende Sjengs hele opvoeding parten; doordat Albert een zeer ongeregeld leven leidt, moet Sjeng meestal stil zijn. Dat valt hem moeilijk; het lukt hem niet zich goed te concentreren, hij kan zich slecht alleen vermaken en moet voortdurend bezig gehouden worden. Bovendien haalt hij, met een paar buurjongetjes, veel kattenkwaad uit, waardoor hij geregeld op woensdagmiddag strafregels moet schrijven op het politiebureau aan de Marnixstraat. Daarom wordt Sjeng – tijdens alle schoolvakanties en gedurende ettelijke weekenden – ondergebracht in kinderpensions of bij pleegouders.
“Eenmaal vroeg ik mijn ouders: ‘Gaan jullie ook dood’? Zij: ‘Ja, maar als je veel bidt, kom je in de hemel en daar zien wij elkaar weer.’ Ik: ‘Dan bid ik niet meer. Ik wil niet naar de hemel, ik blijf thuis. Ik vind het heel rot het huis uit te gaan.’”

Op de lagere school vindt hij weinig aansluiting bij andere kinderen. Hij blijft twee keer zitten en wordt in de vijfde klas, op advies van de huisarts, zijn onderwijzer en de pastoor, een jaar naar kostschool gestuurd (die kotsschool) zodat hij in ieder geval naar de driejarige HBS kan.
Hij is bijna twaalf als zijn ouders hem afleveren bij het gigantische bolwerk in Amersfoort; pensionaat St. Louis, een kostschool voor Rooms-katholieke jongens. Het geheel is overweldigend vervreemdend voor een kind dat tot dan toe nauwelijks een strobreed in de weg is gelegd en in feite zijn leven lang weinig, tot geen, discipline heeft opgelegd gekregen: “Toen mijn ouders vertrokken, voelde ik me totaal verlaten, aan mijn lot overgelaten in een omgeving die me beangstigde. Het is een van de episodes in mijn leven geweest die me het meest vernederd en misschien wel misvormd heeft.”

In 1984 bekent zijn moeder hem dat haar beslissing om hem naar St. Louis te sturen de grootste fout in haar leven is geweest. De verhalen die hij vertelde over pater M. beschouwt ze als verzinsels: “Iedere dag werd H. door onze beul stelselmatig alle betegelde gangen van onze afdeling doorgetrapt en –geslagen. Iedere dag weer, en ik herinner me niet dat hij ooit één klacht heeft geuit.”
Ook zijn eigen angst voor pater M. gelooft ze in eerste instantie niet: “M. bevingerde zijn kleine kring lievelingen, de rest was geparalyseerd van angst, misschien zelfs zijn lievelingen. Toch bestond deze racist/sadist/klootzak het om vol vuur ons tot het goede te bekeren in de kapel. Met zijn lange lijf en z’n keiharde kop met blauwe ogen schold hij ons het evangelie toe. St. Louis en mijn 12de levensjaar heette M., en nog lang na die traumatische ervaringen was mijn geest van hem vervuld.”
Als Sjeng na een jaar het internaat mag verlaten, is hij diep geschokt om het ongeloof van zijn ouders en vanwege de discrepantie van het gedrag van pater M. met het R.K.-geloof.

Nadat hij met zijn hakken over de sloot het eindexamen van de HBS haalt, loop hij stage in het decoratie atelier van de Nederlandse Opera. Hij houdt het een half jaar vol. Met het predicaat ‘koekenbakker’, dat hem niet onbekend in de oren klinkt, wordt hij hier ontslagen, waarna hij de Teken Normaalschool in Amsterdam bezoekt (de huidige Gerrit Rietveld Academie), waar hem hetzelfde lot wacht. Vervolgens belandt hij als assistent bij schilder Gerrit van ’t Net: “Aan die man heb ik ontzettend veel te danken. Van hem heb ik de techniek van het tekenen geleerd.” Het assistentschap betekent dat hij kwasten moet schoonmaken en het atelier opruimen, maar daar staan lessen en werkruimte tegenover in de Amsterdamse Rosse buurt bij ’t Klokje in de Spuistraat.

1 reactie

ELS Sittrop

woensdag, 11:28

Ik vind dit een goed verhaal, ben benieuwd naar de rest van dit verhaal, als het boek uit is zou ik het heel graag willen kopen

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch