Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Sleutelkind of toen ik nog vleugels had.

Door Tamara Miranda

Het moment dat ik begreep dat er een hele wereld bestond die doorging als ik mijn ogen dicht deed, dat mensen plezier hadden en feest vierden terwijl ik sliep, drukte de eerste vuist in mijn zachte kinderbrein. Er was dus een heel universum buiten mij. Een universum dat angstaanjagend groot en bovendien ook vals was. Want waarom had niemand mij verteld dat je ook in het donker kan spelen? Dat de nacht niet alleen voor dromen is maar ook voor een mysterieus, geheimzinnig leven dat volwassen zijn heet, dat zowel beangstigend als ongekend spannend leek?

Overigens was ik er van overtuigd dat die ziel, dat brein van mij, dat puur en zuiver en kinderlijk was, in werkelijkheid dom, naïef en verschrikkelijk moest zijn, en zo snel mogelijk, desnoods met klappen en deuken moest opgroeien. Zodat ik zou stoppen met denken dat de wereld mooi en veilig is, voordat anderen zouden ontdekken en me uit zouden lachen.

Aan de hand van mijn moeder stond ik die avond op het Leidseplein. Het krioelde van de mensen, meer dan ik ooit bij elkaar had gezien, die deden of het volstrekt normaal was om ‘s nachts in het donker bier te drinken en met ontbloot bovenlijf te dansen. Ik was diep geschokt. Nog erger dan die keer dat ik nachts wakker werd en mijn moeder riep maar geen antwoord kreeg. Bij elke kamer groeide de paniek, totdat ik huilend naar benden, de straat opliep. Daar onder aan de trap zat mijn moeder, met haar vriend, een biertje te drinken op de stoep. Omdat het zo’n zwoele avond was, zeiden ze. Grote mensen hebben woorden waarmee ze je proberen gerust te stellen, maar in je hoofd groeien ze tot tegenovergestelde proporties. Moeders kunnen zomaar verdwijnen in zwoele zomeravonden, in werelden die voor mij onbereikbaar zijn, te groot om in het donker naar te kijken. Wie garandeerde me dat ze niet gewoon voorgoed verdween als ik mijn ogen dicht had?

Mijn nachten zijn paars. Dieppaars met een enorme luchtbel die onafwendbaar snel dichterbij komt, naar boven stuwend, om dan aan de oppervlakte te komen met een enorme explosie van stilte. Ik schrik wakker en weet dat er iets onhoorbaars in mij wakker geworden is, zich geroerd heeft, maar ik weet niet wat het is. De details glippen weg in het zand van mijn geheugen. Zakken weg tot er alleen flarden over zijn, van een geur, een smaak, die ik wel op mijn tong kan proeven maar niet kan benoemen. Welke kleur heeft jouw nacht?

Diep op de bodem van de zee ligt een klein meisje,
Het kleine meisje weet; als de zon schijnt en haar huid verwarmd wordt, dan houdt het leven van haar. Nu is het donker. Ze ziet ze wel, de zonnestralen die door het diepe water hun best doen om de bodem te bereiken, maar haar armen zijn te kort om ze aan te raken. Ze kan alleen maar proberen om zich in haar vingertoppen hun warmte voor te stellen.

Mijn allervroegste herinnering is aan mijn longen. Mijn longen zijn kleiner dan mijn hoofd denkt dat ze zijn, en zoals altijd neem ik veel te grote teugen. Ze weten beter hoe te leven dan ik. Als twee bergen loodsen ze me overal doorheen, ook als ik er niet om vraag. Zoals bij die eerste ademhaling, toen ik uit mijn moeders buik gelanceerd werd, en helemaal zelf die eerste teug moest nemen. Met een schreeuw gaf ik te kennen dat ik hier helemaal niet wilde zijn. Dat het drijven en dobberen, in die warme wereld van gewichtloosheid me uitstekend beviel. Vergeefs. Mijn longen hadden mijn mond opengesperd en het leven volop binnengezogen. Ik kon niet meer terug, hoewel ik nog steeds hevig kan verlangen naar die veilige plek waarin geen spoor van verantwoordelijkheid te bekennen viel.

Nog een herinnering; oranje, want zo hoorde dat, is de muur, achter de spijlen van mijn babybed. Erover heen raast een bol licht, die steeds groter wordt, als een pac-man die mij op wil eten. Ik lig in bed, ik heb koorts en ik kan niet opstaan of wegrollen. Het engste is het geluid. Een aanzwellend, hypnotiserend geluid dat me helemaal gaat verzwelgen. De bol blijft maar door razen.
Soms voel ik me nog zo, niet in staat om weg te draaien. Alsof alles me opslokt en er niets meer van mij over is om te blijven.

Mijn komst was gewenst, kinderen hoorden ook. Mijn ouders waren jong en gehoorzaam. Dat ze zelf kinderen waren die nog gemoederd moesten worden, wisten ze niet. Twee drenkelingen op een vlot van pijn. Samen konden ze zich net redden. Toen wij kwamen werd het vlot te zwaar, te wankel. We zonken niet, we dreven langzaam uit elkaar, ieder op ons eigen stukje hout. Vier eilandjes in een oceaan. Liefde hield ze nog veertig jaar vast, vermomd als haat.

Maar het kleine meisje wist wel beter. Het was al die tijd liefde geweest.
Gestolde liefde is niets anders dan vloeibare moed, weet het meisje, maar onderwater kan niemand je horen.

Sommige gedachten blijven plakken aan de binnenkant van je hoofd. Ook de kleur van mos zit daar, en de aanblik van open vlees. Een vinger met bloed, de snee waar je in kan kijken. Naar hoe dat bloed dan samen met de pijn onder een pleister verdwijnt. Ze zou willen dat dat nog steeds zo gaat. Mama, pleister. Pijn weg.

Ze spaart stukjes pijn die ze zorgvuldig wegstopt, verstopt in de glazen bubbel die om haar heen drijft. Doorzichtigheid gevuld met onzichtbaarheid.

Als je de kleine dingen over het hoofd ziet zouden er dan nog grote dingen zijn?

Nog een beeld dat niet verdwijnt; een krant die waait in de wind van een verlaten straat.
Daarna een lege plastic zak, zo’n dunne, verstikt in de takken van een boom. De ene heel zacht wiegend, de ander wanhopig vechtend om los te komen. Beide tot levend object geworden. Als je er je voet op zou zetten, zouden ze ophouden iets anders dan een voorwerp te zijn? Waar zijn ze begonnen te leven?

Niet alle deuken zijn erg. Sommige zinnen zijn zo mooi dat ze er een heel klein deukje, een imprint van mooiheid in je ziel maken. Heel stil zweeft zo’n zin van binnen rond, zich afvragend of hij zal dalen, bezinken, of nog even zal blijven, voordat hij naar buiten zweeft. Alles in mij maakt zich dan heel stil. Alsof er meer ruimte ontstaat. Ruimte die groeit. Ruimte die met stilte gevuld wordt, en neerdaalt als rimpeling. Rimpelingen, die grote kringen worden zoals cirkels in stil water. Alleen in water kan nieuw leven ontstaan.

Daarom wordt ze in het water steeds opnieuw geboren.
Het kleine meisje.
Bij iedere cirkel wordt ze wijder en bestaat ze opnieuw.
Steeds maar weer moet ze zich zelf uitvinden.
Opnieuw opgroeien, als de rimpeling verstoord wordt.
Als iemand anders een steen in haar stilte gooit.

Ze houdt heel erg van stenen. Niet van diegene die ze niet aan ziet komen.
Alleen van die ze zelf vindt en in haar hand houdt. Soms, om de pijn voor te zijn, gooit ze haar eigen glanzend rimpelloos oppervlak stuk. Meestal hoeft dat niet. Zijn er genoeg anderen om dat te doen.

Later, als ze groter is geworden, weet ze het niet meer. Is ze vergeten dat je het gewicht van een steen kan afwegen op dezelfde manier als van een gedicht. Of van een goede zin. Dat het afhangt van de deukjes die ze achterlaten.

Ze neemt zich voor om voor altijd 7 te blijven. Een lange tijd lukt dat. Tot ver in haar volwassen jaren. Tot ze zelf moeder wordt. Haar moeder zegt dat ze pas echt volwassen is als ze een bepaalde zin tegen haar zal zeggen. Ze zegt niet welke zin dat is. Ze is nu 46 en ze weet hem nog niet. Soms ligt ze er wakker van. Heeft ze iets over het hoofd gezien, zoals ze zo vaak doet? Heeft ze het nog steeds niet begrepen? Waar en door wie zijn de antwoorden uitgedeeld, de reddingsboeien om het dagelijks leven en al die ongeschreven wetten te begrijpen?

Ik wil slapen maar mijn hoofd blijft zinnen uitbraken, Nee niet braken, eerder zachtjes zweven, op-poppen, uit het niets. Of uit die cirkels van stilte op het water. Misschien zijn die daar wel voor?

Er was een tijd dat ze de wereld bekeek van achter glas. Alsof er een glazen bubbel tussen haar en de wereld bestond. Je kon er wel doorheen kijken maar niemand kon bij haar komen.
Ze dacht dat dat zo hoorde. Iedereen in zijn eigen aquarium. Alleen heeft zij nooit leren zwemmen. Soms vraagt ze zich af of ze wel een vis is. Anderen lijken het uit het zichzelf te kunnen. Zij dreigt steeds te verdrinken. Als ze dan geen vis is, kan ze op zijn minst heel erg haar best doen om er een te worden.

Elke avond, voor de spiegel, kijkt ze of ze al kieuwen heeft.

geen reacties
0 Fictie

Rauwe pijn

Sahar Noor

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam