Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Sleutels

Door Heleen Janssens

Je komt op me afgerend, tweehonderdtweeëntwintig treden omhoog, en als je even later hijgend naast me staat, bied je je verontschuldigingen aan. ‘Sorry mam. Ik had een feestje gisterenavond en sliep niet thuis. Toen ik wakker werd was het opeens al half twee. Ik ben gelijk vertrokken.’ Je omhelst me, drukt je gezicht in mijn nek. ‘Ik ben zo blij je weer te zien.’
Je straalt, draagt een lichtblauwe jurk en beige sneakers, je haar in een knot. In je oren de zilveren knopjes die ik je vijf jaar geleden gaf, voor je achttiende verjaardag. Ik trek mijn colbertje recht, friemel aan de mouwen, vraag of je mijn berichten gelezen hebt. ‘Nee,’ zeg je, ‘mijn telefoon is leeg, maar ik lees ze straks wel, als we in mijn appartement zijn.’

Het is begin juli als je naar Parijs vertrekt. Ik hoef je niet naar het vliegveld te brengen, hoe vaak ik het ook aanbied. ‘Wring je voor mij toch niet in allerlei bochten’, zeg je als je met een enorme rolkoffer bij de voordeur staat, klaar om te vertrekken. ‘Ik kom er zelf ook wel.’ De voordeur sluit je met een zachte klik. Je verblijft de eerste maanden bij je vader, om vanuit daar op zoek te gaan naar geschikte woonruimte. Elke dag laat ik van me horen. Jij reageert een enkele keer. Dat het goed gaat. Dat je nog niets gevonden hebt. Dat je studie inmiddels begonnen is. Dat je veel nieuwe vrienden hebt gemaakt. Dat je niet thuis komt met Kerstmis, dat je niet thuiskomt met Oud en Nieuw. ‘Zal ik dan naar jou komen?’ vraag ik je daarom, maar jouw antwoord blijft uit. Bij je vader is het wellicht gezelliger.
Twee weken geleden, je belt me op. ‘Mam, kom je me opzoeken? Ik ga in Montmartre wonen. Volgende week kan ik de sleutels ophalen.’
Ik lig op de bank, tussen twee katten, vijf boeken en een stapel toetsen die ik anderhalve week geleden ook al nagekeken had willen hebben. ‘Kan ik dan bij jou overnachten, of moet ik een hotel boeken?’ vraag ik. Het klinkt absurd.
‘Natuurlijk kun je bij mij slapen’ is wat je zegt. ‘Ik laat je nog wel weten hoe laat en waar we elkaar zullen ontmoeten.’
Vandaag, een uur later dan de afgesproken tijd, ben je er nog steeds niet. Ik zoek mijn telefoon, die onderin mijn tas beland is, tussen mijn portemonnee, autosleutels, bonnetjes en een verzameling rode lippenstiften, elastiekjes en haarspeldjes. Ik bel je, maar je neemt niet op. Waar blijf je? stuur ik. Daarna herlees ik jouw eerdere bericht. Eén uur, het staat er echt. Laten we bovenaan de linkertrap afspreken, dat heb je ook gestuurd. Daar is het meestal rustiger.
Terwijl ik wacht, komen gezinnen met kleine kinderen en hand in hand lopende jongeren de trap omhoog geslenterd. Groepen Japanners, bewapend met grote camera’s, wijzen naar de witte koepels van de Sacre-Coeur, die de felle voorjaarszon weerkaatsen. Even verderop proberen straatverkopers argeloze voorbijgangers te strikken om vriendschapsbandjes te kopen. Ik speur de menigte af, maar van jou geen spoor. Welke dochter laat haar moeder meer dan een uur wachten? Ik heb niet voor niets zes uur in de auto gezeten, stuur ik. Daarna haal ik diep adem. Kalm blijven, ik moet kalm blijven.
Ik zet mijn zonnebril op en kijk naar de torens, de zuilen, het Christusbeeld en de twee ruiters aan weerszijden. Alles is nog precies hetzelfde als zevenentwintig jaar geleden, toen ik hier ook stond, met mijn ouders.
‘Weet je het zeker?’ vraagt mijn moeder als ik haar over mijn plannen vertel. ‘Kunstgeschiedenis kun je toch ook gewoon in Nederland studeren?’ Mijn besluit staat vast: Parijs, daar moet ik heen.
In september start ik met mijn studie. In mei komen mijn ouders me met de trein bezoeken. Ik haal hen op bij het station. Ze blijven een week, slapen in een hotel in de buurt. Op de derde dag neem ik ze mee naar de Sacre-Coeur en Montmartre. We struinen door de smalle straatjes. Mijn moeder laat een portret van zichzelf schilderen, maar kan nauwelijks stilzitten op de houten kruk. Ik heb hen hier mee naartoe genomen om ze voor te stellen aan jouw vader. Die komt veel te laat, zoals altijd.
‘Een Arabier!’ roept mijn vader achteraf uit. Dat ik hem ken van de universiteit maakt geen verschil. Hij wil weten wat zijn ouders doen, of hij vaak naar de moskee gaat, of hij wil dat ik een hoofddoek ga dragen. ‘Wat moeten we thuis vertellen?’ vraagt mijn moeder bij vertrek. De piepende remmen van de trein die het station komt binnenrijden, overstemmen mijn antwoord. Vier jaar later ben ik weer thuis. Hoogzwanger, met universitair diploma, maar zonder je vader.
Jou voed ik nagenoeg alleen op. Aan mijn hand doe je je eerste stapjes, tegen mij zeg je je eerste woordjes, ik troost je als je eerste vriendje jullie relatie met een sms’je verbreekt. Eens per jaar verblijf je bij je vader, die in Parijs is blijven wonen. In eerste instantie breng ik je daarheen, of haalt hij je op. ‘Hoe is met het Jamal?’ vragen mijn ouders me elke keer na zo’n bezoek, alsof het ze dan opeens wel interesseert. Op je veertiende ga je voor het eerst alleen met de trein. Je vindt het fantastisch.
Een jaar geleden vertel je dat je in Parijs gaat studeren. Ik ben net thuisgekomen na een lange dag werken, sta bij de deur met mijn sleutels in mijn hand. ‘Waarom Parijs?’ zeg ik tegen je. ‘Franse taal en cultuur kun je toch ook gewoon in Nederland studeren?’ Je schudt je hoofd en je donkere krullen veren zachtjes mee. Zoals je daar staat lijk je sprekend op je vader. ‘Dat klopt’, zeg je, ‘maar ik wil het niet. Ik wil graag een eigen leven.’ Voor ik het weet, vliegt mijn sleutelbos door de lucht, recht in je gezicht. Met een kletterend geluid komen de sleutels daarna op de vloer terecht. Even kijk je me aan, zonder een spier te vertrekken. Dan draai je je om en ren je naar boven. De deur van je slaapkamer slaat met een klap dicht. ‘Alise,’ roep ik je achterna. ‘Ik bedoelde het niet zo.’ Mijn geroep wordt overstemd door het volume van de muziek die je hebt opgezet.

Om kwart over twee ben je er nog steeds niet. Een meisje met witblond haar en ijsblauwe ogen tikt me aan. Ze reikt me aan camera. ‘Voulez-vous prendre une photo de notre famillie, s’il vous plaît?’ Ik knik, neem de camera aan. Ze gaat bij haar ouders staan. Haar vader slaat zijn armen om zijn vrouw en dochter heen, drukt ze stevig tegen hem aan. Alle drie lachen ze naar me. Ik maak een paar foto’s en geef de camera terug. Dan stuur je een laatste bericht. Je bent net je vader. Die liet me ook gewoon zitten. Nog één keer kijk ik de trap af. Helemaal onderaan ontwaar ik in de mensenmassa een klein figuurtje dat wild zwaaiend op me af komt. Jij bent het. Je bent toch gekomen. Als je je armen om me heen slaat en zegt dat je blij bent om me te zien, kan ik niet anders dan hopen dat je mijn berichten niet gelezen hebt, en nooit zal lezen ook.

2 reacties

Shannon Vollemans

woensdag, 19:10

Spannend, het leest als non-fictie. Je voelt de machteloosheid van de moeder. Knap!

esther

dinsdag, 01:59

leuk geschreven Heleen, nog meer in de toekomst? succes en de hartelijke groeten.

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch