Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Spelenderwijs

Door Sandra Visser

SPELENDERWIJS
Het was op een camping in Noord-Italië, onder de pijnbomen en een enkele palm, dat Marleen van Dam zag wat de andere gasten van de stacaravans allang hadden gezien. Zij en Paul waren niet gezellig bij elkaar gaan zitten om een spelletje Yahtzee te spelen. Nee, zij en haar echtgenoot hadden hun posities ingenomen. Tegenover elkaar, aan een plastic tafel, waarvan het blad als een eindeloos slagveld tussen hen in lag.
In het midden stond de rode bak. Naast de bak vijf dobbelstenen, keurig op een rij. Links en rechts de scorebriefjes, met de krant van gisteren eronder – altijd met de krant van gisteren eronder – en strak naast elk briefje een pen die Paul van zijn werk had meegenomen. Als hoofd van de afdeling kon hij meenemen wat hij wilde, maar hij trok de grens bij pennen en, in een overmoedige bui, een pak kopieerpapier.
Zoals altijd was de eerste beurt voor Paul. Met een flinke uithaal van zijn arm gooide hij de dobbelstenen in de bak. Ze kletterden tegen de hardplastic wand en bleven in een grote straat liggen. Het al wat oudere echtpaar uit de caravan rechts van hen, zojuist begonnen aan een laat ontbijt, keek onmiddellijk op. Het is weer zo ver. Je zag het ze denken.
‘Zie je dat? In één keer. Grote straat.’
Pauls stem galmde over het grasveld en weerkaatste tegen de andere twee caravans, die haaks op de hunne stonden. Zijn triomf was haar nederlaag. En iedereen moest het horen. Met een weids gebaar schreef hij zijn score op. Hier was duidelijk een grootse prestatie geleverd.
Zes dagen zat ze hier nu op een camping niet ver van het pittoreske dorp Peschiera del Garda. Een dorp waar ze nog geen baksteen van had gezien. Het waren zes lange dagen. Net tien uur geweest en al drukkend warm. Haar dochters Merel en Sofie waren zojuist naar het zwembad vertrokken. Waarschijnlijk zouden ze tot ver in de middag wegblijven. Zij bleef met Paul bij de caravan, om Yahtzee te spelen. Zo ging het elke dag.
‘Jij bent.’
Marleen graaide de dobbelstenen uit de bak, nam ze in beide handen en schudde alsof haar leven ervan afhing. Elke keer was daar de belofte dat er iets goeds van kon komen, maar nee, het viel weer tegen. Na drie keer gooien lagen er twee drieën, een één, een vijf en een zes.
Paul schudde zijn hoofd.
‘De één invullen. Dat haal je wel weer in.’
Dat had ze zelf dus ook al bedacht. Dank je wel, Paul. Ze had haar pen nog niet opgepakt, of de stenen kletterden alweer in de bak. Terwijl zij haar één invulde, gooide Paul twee vijven. In de worp daarna nog een vijf en daarna nog een.
Hij deinsde naar achteren en balde zijn vuisten.
‘Yes!’
‘Jeetje, Paul. Kan het niet wat minder?’
De stacaravan die Paul had uitgezocht, type Prestige 3Y, onderscheidde zich van de andere twee stacaravans door de verhoogde houten veranda met balustrade. Het was alsof ze op een ongewenst podium was geplaatst en het ongemakkelijke gevoel nam alleen maar toe. Paul daarentegen keek als een verheven vorst op de andere campinggasten neer.
Met een schuin oog keek ze naar de caravan links, die van Sylvia en haar gezin. Het was er een zootje. Sandalen, tijdschriften, zwembroekjes, er slingerde van alles rond. Niets was daar geordend of geregeld. Haar twee zoontjes liepen soms in hun blootje. Er werd gelachen en geschreeuwd. In al hun slordigheid waren ze gewoon gelukkig. Ze waren op dezelfde dag aangekomen als zij, maar Paul had elk contact zorgvuldig vermeden. Paul wilde rust op zijn vakantie.
‘Jij bent.’
Hoe vaak had ze die godvergeten zin nou al niet gehoord?
Marleens hand schoof als een kolenschep door de bak. Ze schudde en schudde, alsof ze zo het geluk af kon dwingen. Daarna smeet ze de stenen zo hard in de bak dat er twee met dezelfde vaart weer uitvlogen. De wat kalende man van de caravan rechts ging er nu zelfs bij staan, wilde misschien een opmerking maken, maar na een corrigerende blik van zijn vrouw hield hij zich in. Het kon Marleen niet schelen. Vandaag niet.
Gisterochtend was Sylvia, als een duveltje uit een doosje, ineens onderaan de veranda verschenen. Paul was naar de campingwinkel om zijn krant te kopen en Sylvia zal gedacht hebben dat dat het moment was om langs te komen. Met een blijde lach en uitgestoken hand beklom ze de trap. Haar blonde krullen dansten om haar gebruinde gezicht. Een lichtgevende engel uit de duistere onderwereld. Twee vriendelijke, helderblauwe ogen. Ze vertelde over haar gezin en het dorp waar ze woonden en Marleen mompelde iets over haar twee dochters, met wie het zo goed ging op school. Het gebruikelijke praatje tussen twee vreemden, tijdens hun vakantie door het lot tot elkaars buren gebombardeerd. Toen stelde Sylvia haar vraag. Onverwacht, maar ingrijpend.
‘Gaat het wel goed met je?’
Een vraag waar ze geen antwoord op wist.
En nu, met die rottige dobbelstenen op die verhoogde houten veranda met balustrade, drong het antwoord zich steeds duidelijker aan haar op en lag het als een giftige slang voor haar op tafel.
Paul zuchtte luid, raapte de gevallen stenen van de grond en legde ze in een keurig nette rij voor haar neer. Kalm, met zorgvuldig tentoongespreide zelfbeheersing. De boodschap was duidelijk. Hij kon dat. Zij niet.
Geïrriteerd door haar kleine fout pakte ze de stenen van tafel en gooide nog een keer. En nog een keer. En nog een keer. Het was niets en het werd niets. En als ze niet uitkeek, zou het ook nooit meer wat worden. Boos kraste ze een extra yahtzee door.
‘Nou, nou. Het is maar een spelletje, hoor.’
Ze kon de ogen wel uit zijn kop krabben.
Paul gooide verdomd weer een prachtige worp. Vier zessen. Hij had z’n bonus binnen.
‘Zo doe je dat.’
Met zijn pen tikte hij elke steen even aan terwijl hij de punten hardop bij elkaar optelde. De zelfgenoegzaamheid droop ervan af.
‘Jij bent.’
Weer pakte ze de stenen. Ze gooide, ze smeet. De stenen draaiden, stuiterden en kletterden. Haar hele lichaam gooide ze in de strijd. Ze moest en ze zou …
‘Hebben jullie ruzie?’
Marleen ontwaakte, kwam tot zichzelf en daalde in de echte wereld neer. Onderaan de trap van de houten veranda stond Lucas, het jongste zoontje van Sylvia. Hij hield zijn hoofdje schuin en keek nieuwsgierig omhoog.
‘Mijn vader en moeder zeggen dat jullie steeds ruzie hebben. Waarom hebben jullie ruzie?’
Haar ogen zochten direct die van Sylvia op. Mijn hemel, was dit het gezin van de lastige vragen?
Sylvia kwam juist de caravan uit lopen met in elke hand een overvolle tas. Ze propte ze snel in de achterbak van de auto en rende naar haar zoontje toe.
‘Sorry, hoor.’
Heel even keek ze Marleen vragend aan. Daarna tilde ze het jongetje met een vrolijke zwaai van de trap af.
‘Kom, Lucas. We gaan bijna.’
Hand in hand huppelden ze terug naar de auto, recht in de armen van Lucas’ vader. Even later pakte hij van de achterbank een gele zwemband met een grappige eendenkop en hield hem boven zijn hoofd. Al kwakend sprong hij er als een malloot mee in het rond. Lucas lachte. Sylvia ook.
‘Brutale snotneus’, zei Paul en hij greep naar de dobbelstenen. Rats, zijn gooi was nog luider dan normaal. De worp viel tegen.
‘En elke ochtend die auto volproppen, om hem ’s avonds weer leeg te halen. Wat bezielt zulke mensen?’
Hij nam een slok koffie, gooide nog twee keer en kraste een extra yahtzee door.
‘Misschien willen ze wat van de omgeving zien en ze gaan vast zwemmen in het meer. Toen de meiden jonger waren, deden wij dat ook.’
De woorden rolden als vanzelf haar mond uit. Tot haar eigen verbazing. Hoe lang was dat geleden? Paul rechtte zijn rug, legde zijn pen behoedzaam neer en keek haar strak aan.
‘Niet elke dag, Marleen. Niet elke dag.’
Hij leunde achterover en roerde zijn koffie. Vier keer. Een korte pauze en dan nog een keer. Ze kon het uittekenen.
‘Jij bent.’
Ze zweeg. Secondelang deed ze niets. Met ingehouden adem keek ze naar het gezin bij de auto. En toen stond ze op. Ze pakte de dobbelstenen en liet ze vallen, op de tafel, expres naast de bak, recht voor Paul zijn neus. Ze dansten op het tafelblad als glimmende parels. Full house.
Ze leunde over de balustrade.
‘Hebben jullie nog een plekje vrij in de auto?’
Sylvia stopte met inpakken, leek even verbaasd, maar lachte toen vriendelijk.
‘Als je snel bent.’
Marleen griste haar badpak van de lijn, liep langs Paul en zweefde naar beneden. Onderaan de trap draaide ze zich om.
‘Weet je wat het is, Paul. Yahtzee kan je ook prima alleen spelen.’
En ze haastte zich naar de auto. Sylvia hield de deur al open.

5 reacties

joke

maandag, 17:41

Het verhaal is goed geschreven, het blijft boeiend tot het eind. De emoties en de verschillende gedragspatronen zijn heel herkenbaar juist doordat ze wat aangedikt zijn.

Elvira

maandag, 16:04

Mooi geschreven. Ik ben nieuwsgierig hoe dit verder gaat!

Lehti Paul

woensdag, 22:25

Prachtig. Een uitgeblust huwelijk in een dobbelspel gevat.

‘…tijdens hun vakantie door het lot tot elkaars buren gebombardeerd.’ Mooi.

Marjo

zaterdag, 19:23

Heerlijk verhaal. Hoe gaat het aflopen???

Patricia Wentzel

zaterdag, 00:31

goed geschreven, leest erg vlot, leuk en herkenbaar en toch niet cliche

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch