Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Spelevaren

Door Dees Wilgehof-sodaar

Hier sta ik. Iets anders kan ik niet. Want via mij komt het koninkrijk, en de kracht en de heerlijkheid tot in de eeuwigheid. Ik ben hun doorgeefluik, maar nog nooit is er een beter geworden van mijn gebeden, teruggekomen uit de dood. Wat kwijt was bleef kwijt, wat stuk was stuk en tegelijk leek wie weg was niet helemaal weg. Wat bleef was het gemis, het niet weten wat komen gaat en juist dat hopen ze van mij te horen. Gezegend op weg naar een tijd zonder tijd. Zij mijn kinderen, ik hun vader die nooit vader werd. Totdat de post kwam.
Tussen haar en mij was er altijd zeker één vader te veel. De koers was voor ons uitgestippeld, maar daar hadden wij geen weet van toen we gingen spelevaren. Wij zagen enkel de tuin van Eden die net buiten de plaatsjes lag waaraan onze tuinhekjes grensden. De zomer rook ’s morgens vroeg naar nat wasgoed, en lichte mist boven de slootjes. ’s Middags maakte opwaaiend zand je aan het niezen als je over het paadje naar huis holde. Hetzelfde zand dat ’s avonds, als je je met een koude lap afboende, over je verbrande vel schuurde.
Het is een koude oktober. Terwijl ik met geheven, lege handen hier eeuwigheid uitdeel verkondigt het horloge om mijn pols mij de eindigheid. Zij bidden zich de blaren op de tong en krijgen het er warm van. Ik ijs en vraag me af waarom. Het is niets. Het is zinloos je af te vragen wat hierna nog is. Zo vergeefs als piekeren over waar je vuist blijft wanneer je je hand opent.
Ze heeft me geschreven, Maria. Maria die al niet meer naar school ging, maar een betrekking had op de pastorie. Die de bakkersjongen liet blozen als ze zich op haar hielen omdraaide en naar hem knipoogde. Maria die ik mijn zuster schaterend hoorde verklappen hoe ze boeken verslond, in plaats van ze af te stoffen: ‘Heel simpel: ik lig op mijn buik op de grond onder de tafel …’
‘Als ie nou binnenkomt?’
‘Doet ie niet.’
‘Zeker?’
‘Die man is als de dood voor vrouwen.’
‘…’
‘Ik lig daar, houd met mijn ene hand het boek opengeslagen voor me en met mijn andere beweeg ik dan af en toe de stoel naast mij over het parket.’
‘En hij maar denken dat je druk bezig bent!’
Later, als ik groot was, dan trouwde ik met haar. Ik moest het haar enkel nog vragen, maar daar was de klad in gekomen.
Lezend en herlezend hoor ik aanhoudend haar stem, zo anders dan mijn eigen. Hoor ik mezelf, dan klinken er vrijdagmiddagen terwijl ik preek. Gekookte vis, slappe boterboontjes en aangebrande aardappelen wanneer ik treuzelde tijdens mijn onzevaders en weesgegroetjes. Zij is een Kyrie, vol van genade. Maria was het leven zelf.
Het papier wordt zachter naarmate ik het vaker kreuk en weer gladstrijk. Je kunt een mens zijn schuld vergeven, maar hem niet zijn zonden afnemen. Zelfs die hij schuldloos en uit liefde pleegde.
Het bootje waarin we voeren sloeg om toen ze was opgestaan om me te kussen. We proestten het uit om het kroos dat als een kalotje mijn blonde krullen neerdrukte en het water dat uit het gesteven kraagje van haar gele zomerjurk drupte. De jurk zwierde niet meer, zoals nog even tevoren. Mijn toch al te krappe korte broek, een zoveelste-hands afdankertje, kromp binnen een paar tellen minstens nog drie maten. In plaats van het op een rennen te zetten bleef ik staan.
Kort daarna zat meneer pastoor in de huiskamer. Moeder schilde aan de keukentafel met korte halen de aardappelen. Schudde af en toe haar hoofd. We vingen flarden op van wat hij en vader bespraken. ‘… wellust.’
‘Het is nog een jongen meneer.’
‘Een jongen wordt vanzelf een man.’
‘… zijn wil breken.’ De woorden van vader maakten me bang. Ze haalden in herinnering hoe hij de nek van een vogel brak als het met een lam vleugeltje over de bleek hipte. Een windvlaag sloeg de deur tussen de gang en de kamer dicht. Moeder had dezelfde dag nog mijn valies gepakt en die avond sliep ik alleen, in een koude kloostercel onder toeziend oog van de Heer, een vader die op mij neerkeek.
Hoe ik ook prop en streel, Maria’s woorden worden niet minder rauw. Het vel vormt zich naar de vuist die ik maak. Ze is stervende en wacht niet op het einde. Na het einde wacht haar immers niets. Vurig als ze was heeft haar ongebreidelde geest zich in de kern van haar cellen genesteld en het zich comfortabel gemaakt. Nu koestert ze het als het kind dat ze toen droeg en dat op mij wacht. Dit kind verteert haar. Het ligt aan haar borst, woont in haar buik en doet zich te goed aan haar. Maria moedert.
Steeds trager vielen de druppels aan weerszijden van de knoopjes die tussen haar borsten doorliepen.
‘Kom, we leggen ons natte goed te drogen op het gras.’
‘De bleek is vlakbij!’
‘Geen mens die het ziet.’ Maria zou Maria niet zijn, als niet haar wil was gedaan. ‘Je rilt helemaal. Kom hier, dat ik je help. In de zon is alles in een wip warm en droog.’
Ik liet haar begaan. Een jongen nog, voor even.
Einde middag. Er hangt mist boven de slootjes die streng de velden opdelen. Het is de eerste keer dat ik terugkeer uit mijn ballingschap. De kerk is dicht. Ooit waren troost en vergeving 24/7 verkrijgbaar, vandaag is de koopzondag heer en meester. Wat heb je aan je gezwoeg als je er in het hiernumaals niets voor koopt en het hierna niet zeker is. De dood niet langer bedreigend en op afroep beschikbaar, het leven geen voorgeborchte meer tot hemel en hel. Haar woorden echoën na: ‘Ik wacht niet op het einde. Want daarna wacht niets op mij.’ De kleine begraafplaats naast de kerk is vol en verlaten.
Maria had het dorp nooit verlaten, was nooit getrouwd geweest. Waarom wel? Om precies dat te doen wat ze al deed? Haar knieën waren stuk gebukt, haar handen zo ruw dat de stof van haar jurken er aan bleef haken en wie giste naar de naam van de vader van haar kind kreeg lachend als antwoord: ‘Onze lieve Heer.’
Stof dringt mijn neus binnen. Ik nies.
‘Gezondheid.’
Ik herken de lichtheid in haar stem. De lach zonder lachen.
Even verderop komt een jonge vrouw overeind. Ik weet hoe haar lokken ruiken, klam van het vocht in de lucht. Voor de tijd van het jaar draagt ze een lichte jas. Met elke pas danst hij als een zomerjurk om haar benen. Alsof de tijd heeft stilgestaan. Ze is haar en ze is haar niet. ‘Kom, ze ligt hier.’
‘Maria?’
‘Ja, mama.’ Het moment dat ze haar hand op mijn arm legt wil ik alsnog de wijk nemen, zoals ik toen had moeten doen. Toen ik meneer pastoor het pad naar de bleek had zien afkomen. Met zachte hand leidt ze me naar het graf, zoals Maria mij die middag in verzoeking leidde. Ik open mijn vuist. Nu sta ik hier. Ik kan niet anders.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch