Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Stamcafé

Door Peter Batenburg

In het kleine voorportaal stampte Norman de sneeuw van zijn schoenen. Witte stronkjes in de vorm van het profiel van zijn zolen bleven op de mat achter. Met de punt van zijn schoen wreef hij ze zorgvuldig kapot.
Nooit sporen van je aanwezigheid achterlaten, ze zijn altijd naar je op zoek, dacht Norman.
Voorover buigend probeerde hij met zijn wijsvinger de sneeuw aan te raken. Een golf zuur braaksel stroomde vanuit zijn maag zijn mond in. Snel kwam hij weer overeind, sloot zijn ogen om de duizeling te onderdrukken.
‘Even lekker doorlopen jongen, dromen kan je vannacht in je bedje weer.’ Een grote kerel duwde hem ruw opzij. ‘Homo!’
Norman greep de man bij zijn arm, maar deze rukte zich lachend los en ging door de tochtdeur het café in.
Norman spuwde zijn kots in de melkbus die dienst deed als paraplubak en liep ook het café in.

Het was een groot café met in het midden een vierkante bar. Verspreid door de ruimte stonden ronde, metalen tafels. Boven iedere tafel hing een naakte gloeilamp. Aan de wanden hingen grote zwart-wit foto’s van gitaarhelden uit de popgeschiedenis: Andy Powell, Ted Turner, Phil Manzanera, Hans van Dalen, Jan Akkerman, Mick Ronson, Leslie West, Alvin Lee, Pete Townhend, Rory Gallagher, Ritchie Blackmore, Steve Hunter en Mark King.
Onder de foto van Phil Manzanera, de favoriet van de barman, stond een rode bank.
Aan de bar zag Norman zijn vriend Robbie zitten.
Oké, Robbie, het moet maar, dacht Norman.
Hij liep naar de bar, legde kort zijn hand op de schouder van Robbie en ging op de kruk naast hem zitten. Zijn vriend was zorgvuldig een bierviltje aan het versnipperen. Voor hem op de bar lag een flinke berg verpulverd karton.
‘Hallo, Robbie.’
‘Hallo, Norman.’
‘Nog gefeliciteerd met je dertigste verjaardag, kerel.’
Robbie knikte en stak even zijn hand omhoog.
Norman bestelde een biertje.
Robbie pakte een nieuw bierviltje, brak het in vieren en zei: ‘Jij was vroeger toch ook helemaal niet breed en gespierd.’ Hij blies in de berg pulp waardoor een groot gedeelte ervan in de spoelbak terecht kwam.
‘Hou daar verdomme mee op, idioot,’ zei de barman. Hij trok de stop uit de spoelbak.
Robbie nam de laatste slok van zijn gin-tonic en schoof het glas van zich af. ‘Toch was je best geliefd bij de meisjes.’ De zonnebril van Robbie gleed voortdurend vanuit zijn baggervette, pikzwarte haar op zijn neus. Vanaf het moment dat een serveerster jaren geleden tegen hem had gezegd dat hij met die zonnebril sprekend op die ‘je weet wel’ ene filmster leek, droeg hij het ding constant.
‘Onze vriend Hans is er trouwens ook,’ zei Robbie. ‘Daar zit hij.’ Hij keek even over zijn schouder. ‘Hij is nog steeds behoorlijk breed, maar ik denk dat hij stiekem veel aan het trainen is, denk je ook niet?’
‘Ja hoor, Robbie,’ zei Norman zuchtend. ‘Tjonge jonge jonge, wat is die Hans toch verschrikkelijk breed. Maar daar gaat het toch helemaal niet om, droplul! Alles is immers gericht op het voortbestaan van de soort, dat weet jij toch ook wel, lieve Robbie. Je hebt toch wel een beetje opgelet vroeger op de kleuterschool tijdens de seksuwele voorlichting.’ Norman maakte onbeheerste bewegingen, zijn bier klotste royaal over de rand van het glas.
‘Rustig blijven alsjeblieft, Norman,’ zei de barman. Met een droogdoek depte hij het gemorste bier van de tapkast. Vervolgens bereidde hij een nieuwe gin-tonic.
‘Groen erin, Rob?’
‘Ja, lekker.’
‘Wat, Rob?’
‘Rucola, dat zei ik toch, of niet?’

Norman goot de laatste slok bier in zijn keel en zei: ‘Doe mij ook een lekkere gin-tonic, kerel. Met een schijf komkommer van precies zes millimeter alsjeblieft.’
Nadat de barman de drank voor hem op de bar had gezet, haalde hij een kleine rolmaat uit de binnenzak van zijn jack, viste de schijf komkommer uit het glas en mat de dikte. ‘Precies vierenhalve millimeter, beste barkeeper. Knap natuurlijk, maar niet helemaal wat ik vroeg. Ik zal het u deze eerste keer ruimhartig vergeven, maar let er in het vervolg op alstublieft.’
Joviaal stak hij stak de barman de rolmaat toe. ‘Pak aan, kerel!’
De barman keek alsof hij Norman het liefst een paar kuisten op zijn muil gegeven had, maar pakte het ding toch aan en wierp het in de afvalbak onder de bar.
‘Onze ober een lesje gin-tonic bereiden gegeven, Robbie. Heb je ook goed opgelet?’ Norman stak het stuk komkommer in zijn mond, pakte de gin-tonic, en gleed van de kruk. ‘Even pissen, lieve Robbie.’ Na twee stappen zakte hij op zijn knieën, deed een paar pogingen om overeind te komen, maar besefte dat dat niet eenvoudig zou worden.
Robbie bestudeerde geconcentreerd een blaadje rucola.
Norman zette de gin-tonic voor zich op de vloer, plantte zijn handen aan weerszijden van het glas en boog voorover. Hij klemde de rand van het glas tussen zijn tanden en zette een voor een zijn voeten op de vloer. Als een pasgeboren kalf stond Norman trillend op zijn handen en voeten, er begon wat draderig slijm uit zijn mondhoek te druipen.
‘Gaat het?’ vroeg de barman.
In een vloeiende beweging kwam Norman overeind. ‘Niks aan de hand, chef. Ik liet mijn autosleutels vallen, stom.’ Hij goot de gin-tonic in zijn keel en zette het glas met een klap op de bar. ‘Doet u mij er nog maar zo’n eentje, beste bartender en gebruik in godsnaam u meetapparaat alstublieft.’

‘Waar zit die Hans dan?’ vroeg Norman.
Robbie draaide zich om en wees met gestrekte arm naar Hans en zijn vriendin Gelinda. Ze zaten met een glas in hun hand op de bank. Hans dronk whisky en staarde onnozel voor zich uit. Gelinda dronk rode port. Naast Hans zat zijn jongere broer Tedje met een biertje in zijn hand agressief om zich heen te loeren.
Hans droeg een wit hemd. Op zijn rechterbovenarm was een groot litteken zichtbaar. Daar stond eens de naam van zijn eerste vriendinnetje. Eigenhandig verwijderde hij in de nacht dat ze definitief uit elkaar gingen met een scherp mesje en een roestig nagelschaartje de tatoeage.
‘Ja, ik zie hem,’ zei Norman. ‘Kijk hem daar zitten, onze eigen Tarzan. Het is verdomme hartje winter en hij zit daar in zijn ondergoed. Het is leuk, die spierbundeltjes, maar de meisjes willen op een gegeven moment slechts mooie, gave baby’s. Maar dan hebben ze helemaal niks aan Tarzan-Hans, beste Robbie. Want Tarzan-Hans krijgt hem niet meer omhoog, nooit gekund ook trouwens, maar dit terzijde. Tarzan-Hans is namelijk zo impotent als een natte krant.’
‘Kijk maar uit,’ zei Robbie, ‘straks word je in elkaar geslagen.’
Met woeste armgebaren probeerde Norman de aandacht van Hans te trekken. ‘Hé, Hansiepansie!’ Hans stak loom zijn hand op en lachte debiel.
‘Hé, Hansie, jij bent toch zo impotent als een natte krant!’
‘Vuile te-te-teringlijer!’ Hans kwam agressief overeind, maar werd door zijn lamgezopen lijf langzaam terug de bank op getrokken. ‘Vuile te-te-teringlijer,’ zei Hans nogmaals, stak zijn middelvinger op en staarde glazig in het niets.
‘Helemaal nietes van waar,’ hielp Tedje lijzig. ‘Hansje is niet impotent.’
‘Wellis waar,’ zei Norman. ‘Hansje is heel erg impotent.’ Hij pakte de gin-tonic van de bar, klemde het glas weer tussen zijn tanden en klom op een tafel.
‘Niet op de tafels klimmen, Norman,’ zei de barman.
‘Een echte erectie kent hij alleen uit zijn dromen, ja toch, Gelinda?’
‘Hou mij er alsjeblieft buiten, klootzak!’ Gelinda stond op en trok haar jas aan. ‘Misschien moesten ze jullie maar weer eens een poosje opsluiten.’
‘Kom er nu maar weer vanaf, makker,’ zei de barman.
‘Hans, vriend van mij…’ Norman wierp de passerende Gelinda een handkus toe, verloor daarbij zijn evenwicht en viel achterover van de tafel met zijn hoofd op de witte plavuizen.
Een ogenblik leek Gelinda te aarzelen, maar verliet toen toch hoofdschuddend het café.

Bewegingloos lag Norman op zijn rug, er liep een straaltje bloed uit zijn neus. Robbie schoof zijn lege glas van zich af, de barman belde het alarmnummer.
‘Sta op, lafaard!’ Tedje was overeind gesprongen en rende naar Norman
‘Misschien kan je hem beter even met rust laten, Ted,’ probeerde de barman voorzichtig.
‘Je bent gewoon bang voor mijn broertje!’ brulde Tedje. Hij schopte Norman krachtig tussen zijn benen. ‘Hij gaat je helemaal kapot maken. Hansje kom hier!’ Gedecideerd wees hij op een plek vlak voor hem op de vloer. ‘Maak hem kapot!’
Hans probeerde zijn goede wil te tonen, zette zijn whisky op de armleuning en liet zich van de bank glijden. Tergend langzaam begon hij te kruipen.
‘Schiet op, Hansje, straks ontsnapt hij!’
Maar Hans viel na twee meter al helemaal stil, zijn armen en benen konden zijn lichaam niet langer dragen. Ze gleden traag onder zijn romp vandaan en met gestrekte ledematen bleef hij roerloos liggen.
Op dat moment kwamen drie ambulancebroeders en een politieagent het café binnen. Ze liepen onmiddellijk naar Hans. ‘Is hij bij kennis?’ vroeg de agent.
‘Ik denk het niet,’ zei de barman. Hij wees naar Norman: ‘Maar jullie komen vermoedelijk voor die jongen daar.’

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch