Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Statement Van Een Eindeloos verdriet

Door Katarina Hoogland

Statement Van Een Eindeloos VerdrietDoor Katarina Hoogland
Mieke zit alleen op haar kamer, op één hoog. In de kamer: een bed, grijze vloerbedekking, centrale verwarming. Een deur en een raam die uitkijkt op de straat.
(Maaike komt binnen)

Mieke:Zo, ben jij eens even op visite gekomen!
Wat kom je hier doen?
Kom je soms kijken wat voor een kleren ik aan heb?
Of kom je checken of wij dezelfde binnenhuis architectonische ambities koesteren?
Maaike: Ik kwam toevallig langs en dacht,
kom laat ik eens een kijkje bij Mieke gaan nemen.
Mieke:Wil je een kopje thee?
Maaike: Ja, lekker. Suiker graag.
Mieke:En?
Wat vindt je van mijn optrekje?
Niet onaardig he?
Ik kan hier slapen, denken, eten, praten, rondlopen.
Precies wat ik wou.
Maaike: Mooi uitzicht.
Mieke:En ze keek naar de straat en zei, mooi uitzicht.
Auto’s en uitlaatgassen
En toen zei ze, mooi uitzicht, zei ze.
terwijl ze keek, zei ze dat.
Maaike: Ben ik hier wel een beetje welkom?
Mieke:Je bent hier welkom. Ga zitten.
Maaike: Dat zakt wel lekker door he?
Mieke:Wat je zegt. Bedden die doorzakken, vind ik de lekkerste bedden die er zijn.
Maaike: Mijn idee!
Mieke:Vanwaar dit bezoek?
Maaike: Ik maakte me een beetje ongerust over je.
Mieke:Die ken ik van je.
Maaike: Ik moet even naar de WC.
Mieke: Deur uit en meteen rechts
(nadat Maaike is weggegaan)
Ze maakte zich een beetje ongerust
Heb jij een Horloge om! (luid, richting WC)
Maaike: Nee, hoezo?! (vanuit de WC)
Mieke:Ik wou weten hoe laat het was!
Laat maar!
(Maaike komt terug van de WC)
Maaike: Zullen we samen een wandelingetje maken?
Mieke:Nee, ik blijf liever binnen.
Ik hou van mijn kamer.
Het is MIJN kamer
Maaike: Bijzondere thee.
Mieke: Pickwick thee
Zo een beetje hetzelfde als gecomprimeerde kamelenfeces en dat noemt zij bijzondere thee.
Maaike: Ja, dat noem ik bijzondere thee.
Mieke: Soms lig ik ’s avonds in mijn bed en dan weet ik opeens niet meer waar ik ben.
Maar daar zul jij geen last van hebben. Jij begrijpt dat soort dingen niet.
Maaike: Ik begrijp dat soort dingen heel goed.
Mieke: Ja, van jezelf. Jij begrijpt alleen maar dingen van jezelf.
(Stilte)
Doe je schoenen uit.
Maak het jezelf gemakkelijk. Mooi uitzicht.
Mieke:Heb jij in de tuin nog steeds vergeet-me-nietjes staan?
Ach, ik wil het niet weten ook.
Maaike: Ja en ik wil het niet vertellen.
Mieke:je wilt het niet vertellen
Maaike: Nee, ik wil het niet vertellen.
Mieke:Dus je wilt het niet vertellen.
En zo ja maar dus niet.
Zodat ik nu denk , zeg maar, Ik bedoel, zeker weet.
Dat je het niet wilt vertellen, dus.
Maaike: Ik ga weg. Ik zal later nog eens langskomen.
Of nee, ik blijf. En dan vraag ik aan jou of je wilt dat ik blijf
en dan wacht ik niet op je antwoord en dan blijf ik toch,
want ik wil wel blijven, en dan zie jij dus dat ik blijf.
Zie je dat dan niet? Ik blijf!
(stilte)
Mieke?…
Mieke:Ja?
Maaike: Ik heb mijn best gedaan.
Mieke: Ik weet het
Mieke en Maaike samen: (naar publiek)
Wij weten dat.
Mieke:Oh ja, die keer dat jij voor de WC stond!
En piesend van de lach je voorstelde dat je tegen iemand zou zeggen:
‘Ik heb zo weinig frustraties, ik ga het niet eens uitleggen!’
(brullen het samen uit)
Je blijft toch wel bij me he?
Maaike: Ik zet nog een kopje thee.
Mieke: Eigenlijk, vind ik je een trut. Een vuile huichelaar. Ik kan er niks aan doen,
maar wanneer ik aan jou denk dan komen die woorden gewoon in me op.
En daarnaast, naast dat die woorden in me opkomen,
schijnt het nog waar te zijn ook. Ik ben in de war.
Ik weet niet meer wat waar is en wat ik vind en alles.
Maar al met al zeg ik je dus uiteindelijk,
hoewel met twijfel en angst in mijn ogen zoals je ziet,
dat je een huichelachtige trut bent.
(stilte)
Mieke: Ja, ik kan er niks aan doen.
Ik weet niet meer wie ik ben.
Ik weet niet meer wie jij bent en ik weet niet meer waar we zijn.
Begrijp je het een beetje?
Maaike: Ja, behalve dat je me een trut zou vinden.
Miekje ik ben me van geen kwaad bewust?
Mieke: Zie je wel. Wat ben je toch een vervelend menspersoon.
Eigenlijk zou ik willen dat je wegging.
En het prettigste zou zijn, zo een kilometerslange weg af met heel in de verte
een zichtbaar stipje. En dat zou dan Timboektoe zijn.
Maaike: En ik blijf toch, he?
Mieke: En ik zeg je niet hardop: weg te gaan.
Maaike: Hoe zou dat nou komen?
Mieke: Het is net alsof je als een vlijmpje vogelpoep aan mijn huid blijft kleven.
Oh, hoe zou dat nou komen? Ik zou het niet weten.
Eerlijk waar niet, zie je mijn onschuldige ogen?
Maaike: Kom op Miek! Gooi me er dan uit, maar loop niet te insinueren.
Mieke: Sorry, ik weet niet wat ik heb. Ik ben er niet meer.
Ik weet het niet en waarschijnlijk is dat omdat ik er niet meer ben ook.
Maaike: Miekje, ik hou van je.
Mieke: Dat doe je niet, maar leuk dat je het zegt. Dat je wat probeert.
Het probeert. Ik begrijp jou heus wel hoor,
jij kan je onderliggende motieven niet laten zien en alles is goed bedoeld.
Maaike: Ik begrijp je niet meer. Ik begrijp je niet meer.
Mieke?…
Mieke: Ja?
Maaike: Ik heb mijn best gedaan.
Mieke: Ik weet het.
Mieke en Maaike (naar het publiek)
Wij weten dat.
Wij weten dat.
Wij weten dat.
Wij weten dat.
Wij weten veel,
maar niet dat,
behalve dan wat…wij weten.
Maaike: Zo ik denk dat ik maar eens een wandelingetje ga maken.
Beetje luchtje scheppen. Is dat goed? Ik ben zo terug.
Mieke: Ja, dat is goed. Tot zo.
Maaike: Tot zo!
(Maaike is buiten aan het wandelen; Mieke, alleen op haar kamer)
Mieke: Doe je schoenen uit. Maak het jezelf gemakkelijk
(lacht)
Dit lijkt wel een grap.
(tegen muur)
Heeft u hier iets op te zeggen?
(doet een rare brombeer na)
Wat is hierop uw antwoord?
(Stilte, nog steeds tegen de muur)
Moet je zien.
Ik zit op de grond. Met mijn voeten en alles en mijn hoofd
zit ik op de grond. Zie je mijn ogen die bewegen en kijken omhoog, naar het plafond.
Muur, je lieve steen. Mijn kameraad.
(doet weer die brombeer na)
Je leuke steen. Oh, wat heb jij veel leuk steen, muur.
Straks is ze weer terug. Wat een woord. Terug. Zo dom, zo simpel.
Zo vijf letters, meer niet. En alles, toch alles.
Alles is altijd toch alles ook al denk je van niet.
(schreeuwt tegen de muur)
Denk je niet? Ik wil dat ze terugkomt. Ik wil niet dat ze terugkomt.
Ik wil het wel. Nee, ik wil het toch liever niet.
Maaike: (vanuit de verte)
Ha die Miek! Ik ben er weer.
(Mieke gaat quasi beroerd op het bed liggen)
(Maaike komt binnen)
Wat is er met jou aan de hand?
Mieke:Ik weet het niet.
Ik ben niet zo lekker.
Maaike: (gaat naast haar zitten)
Oh..
(lange stilte)
Mieke: Jij kan alleen maar zitten he?
Als er met mij wat aan de hand is.
En ik kan alleen maar liggen. Ik zou niet weten waar ik heen moest.
Op het moment kan ik geen been of arm of wat dan ook bewegen.
Mijn god, wat voel ik me beroerd.
Het is net alsof er modder in mijn ingewanden zit.
Ik ben geparalyseerd, of was het nou toch geparanormaliseerd?
(Mieke lacht)
Maaike: Maar ik weet het niet zo goed.
Ik weet niet zo goed wat er met je aan de hand is.
Mieke: Dan kan je dat toch vragen! Godallejezus!
En dat stuk verdriet houdt nog van me ook. Het is om je op te vreten.
Door de grond te zakken. Ik kan het zo gek niet verzinnen.
En jij doet alleen maar hele gekke dingen.
Kijkt erbij als een stille jezus, met van die trefzekere ogen.
Alles wat jij doet is doodnormaal. Met zo een zweem van geloof me nu maar,
want zo is het en niet anders.
Maaike: Ik denk dat ik maar eens ga. Mijn auto staat precies onder je raam geparkeerd.
Zie je dat? Zwaai je me uit?
Mieke: Ja
Maaike: Miek?…Hier is een zoen.
Mieke: Maaike?..we weten het he?
Maaike: Dag
Mieke:Ja, dag.
(Maaike gaat weg, Mieke kijkt uit het raam, naar de wegrijdende auto)
Daar gaat ze, mijn beschermengel.

geen reacties
0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch