Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Sterfbed

Door Alban Aernout

Zomeravond. De zon stond laag en scheen Dirk dwingend in de ogen. Door een op een kier staand raam werd het gelijkmatige geruis van de nabijgelegen snelweg de benauwde kamer ingeschonken. De ziekenhuisapparatuur piepte plichtmatig. Verder stilte. Dirks vrouw zat naast zijn bed en keek naar haar telefoon. Zijn dochter zat verderop wijdbeens bij het raam, onderuitgezakt, met haar handen krampachtig in elkaar geklampt tussen haar stevige benen. Ze staarde voor zich uit en trok met korte tussenpozen haar onderlip onder haar boventanden, om deze vervolgens als een omslaande golf daar weer onder vandaan te laten schieten. Zijn zoon was in geen velden of wegen te bekennen. Nog geen dag was hij langsgeweest, maar dat had Dirk eerlijk gezegd ook niet verwacht.

Gedurende een groot deel van zijn leven is Dirk niet bang geweest voor de dood. En daar was hij ook altijd trots op. Hij ontleende er zelfs een zeker superioriteitsgevoel aan. Vooral als vrienden zich weer eens hadden laten verrassen door een plotseling sterfgeval in hun naaste omgeving, en niet na konden laten om hem ontdaan bazelend hun verbazing toe te vertrouwen over de onverwachte kracht waarmee het hen plotseling duidelijk was geworden dat hun eigen bestaan – já-dús-dát-ván-hén – ook eindig was. Dan knikte hij begrijpend, maar van binnen lachte hij minzaam. Want zelf had hij het allemaal allang bedacht, beseft én verwerkt. Sterven boezemde hem geen angst meer in. Hij had zelfs besloten dat sterven het beste was dat hem kon overkomen. Het alternatief was immers vele malen erger: een eeuwig bewustzijn. Voor altijd dit aardse bestaan. Nee, na zijn dood zou er helemaal niets zijn, wist Dirk, en dat was maar goed ook. Bovendien viel er daarom ook niets te vrezen, want als je eenmaal dood bent, merk je daar zelf helemaal niets meer van.

Geklop. Zonder op een antwoord te wachten, deed iemand de deurklink omlaag en verscheen er een hand, hoofd, lichaam. ‘Goedemorgen dames en heer, hoe is het op deze zonnige avond’, kraste Dirks vaste verpleegster harder dan nodig. Zijn vrouw keek op, zijn dochter staarde onverstoord voort, Dirk deed of hij sliep maar hield zijn ogen op een kier. Haar omvangrijke lijf was gehuld in weerzinwekkend wit. Onder haar korte mouwen staken vlezige baby-armen. Haar haren waren roodgeverfd en met gel doorwoeld. Ze had een linkeroog dat loenste. Met stevige stappen stommelde ze naar Dirks bed, controleerde de apparatuur en legde een koele vinger in zijn nek. Ze zei niets maar Dirk zag aan de blik die zij wierp op zijn vrouw dat het er niet best voorstond. Nóg slechter dan gister? Hoe lang zou hij nog hebben? Dagen? Uren? Minuten misschien? Hij kreeg het gevoel alsof iemand met een lepel langs zijn ingewanden schraapte. Uit zijn handen bloeide het zweet. Hij begon te trillen als een aangeslagen snaar. Waar kwam dit ineens vandaan?

Twee weken geleden was het dat Dirk hoorde dat het spoedig over zou zijn. De dokter had een masker van bedruktheid opgezet. Zijn dochter was er niet – waar was ze eigenlijk? – maar zijn zoon was zonder pardon vertrokken. Met grote stappen was hij de kamer uitgesneld, de deur met een harde klap achter zich dichtrammend. Zijn vrouw was naast hem in huilen uitgebarsten. Dirk niet. Tot zijn eigen genoegen merkte hij dat het hem niet zo veel deerde. Een trots gevoel was door zijn zieke ledematen getrokken. Het was hem gelukt! Hij was voorbereid geweest; de dood had hem niet onaangenaam kunnen verrassen; hij had de dood aan flarden gedacht; hij kon hem aan! Het bewijs van zijn diep gevoelde vermoeden dat de dood zijn gemoed niet in zijn verstikkende greep zou nemen, dat hij zonder angst toe durfde te treden tot het naderende niets, kreeg hij nu. De test der testen had hij doorstaan.

De weken daarna was er zijn bed met klamme lakens, een blauwe ziekenhuispyjama die los om zijn snel vermagerende lijf slobberde, koude zuurstof die zacht zijn neus binnengleed, stug doordruppelende morfine, de verpleegster met haar eigenwijze oog, en de arts natuurlijk, met zijn mat van zwart golvend haar en de uitstulpende moedervlek tussen zijn ogen. Hij sprak vriendelijk maar zakelijk; hield het gesprek sec bij Dirks verslechterende toestand. Als hij sprak liet hij zijn tong met regelmaat als een ruitenwisser over zijn lippen glijden. Verder was er bezoek, heel veel bezoek. Broers en zussen, familie van zijn vrouw, neven, nichten, achternichten, vrienden en collega’s, opvallend veel collega’s, ook van de andere afdelingen, met sommigen van hen had hij nooit meer dan goedemorgen uitgewisseld. Een dramatisch ziektebed liet niemand zich blijkbaar ontzeggen. Dagelijks lag zijn hand weer in die van iemand anders. Sommigen grapten dapper, anderen zwegen alleen, weer anderen huilden zo hard dat Dirk het gevoel had dat hij hén moest troosten. Niet dat hij dat erg vond. Want zijn ziektebed stemde hem soms chagrijnig vanwege de pijn, en natuurlijk zou hij zijn familie – althans sommigen daarvan – missen, maar de naderende dood wist hem nog steeds niet te beangstigen. Hij hoefde geen troost en vond het niet erg om te troosten. Voor hen was het ook zwaarder dan voor hem. Hij vond de dood nog steeds de beste oplossing voor het leven. Vaak kneep hij even zachtjes in hun hand, bromde dat het goed was en knikte ze bemoedigend toe, de ogen tot nauwe spleetjes samentrekkend.

Maar nu niet meer. Plots kwam het op, en inmiddels brandde de angst in alle hevigheid. Het likte zijn ingewanden; deed zijn benen zweven; wervelde langs zijn ruggengraat omhoog; zoog de zuurstof uit zijn longen; dwong de spieren in zijn gezicht in een krachtig spasme. Hij probeerde te ademen maar het lukte niet. Zijn vingers vouwde hij met al zijn kracht om het koele stalen frame van het ziekenhuisbed. Hij kromde zijn rug alsof iemand hem aan zijn navel optakelde. Zacht fluisterde hij een schreeuw. De apparatuur rondom hem gilde en piepte paniekerig. Kordaat duwde de zuster hem terug in het bed. Hij hoorde geschreeuw. Moeizaam onderscheidde hij de vage omtrekken van het hoofd van de zuster dat als een spook boven zijn hoofd zweefde. En er verscheen nog een hoofd. En nog één. Was dat de dokter? En stond zijn vrouw er nu ook bij? Wazige hoofden die als vlekken op zijn netvlies verschenen tegen de achtergrond van het schelle tl-licht. Wat deden ze daar? Wat hadden ze hier allemaal te zoeken? Dit was de bedoeling niet! Zo zou zijn einde niet gaan! Dit mochten ze niet zien! Waarom wilden ze dit zien? Die vuile pottenkijkers! Ramptoeristen! Was het leedvermaak? Of zochten ze betekenis? Wilden ze de felheid van het leven even via hem proeven met die afgestompte koppen? Wilden ze door zijn ogen even veilig in de afgrond kijken? Even op een afstandje meeproeven van de dood? Zich lekker laven aan het in hem knapperende doodsvuur? Deze vernedering, dit misbruik, hij duldde het niet! Met trage zwaaien maaide hij naar de zwevende hoofden boven hem, maar hij sloeg er dwars doorheen. Waren ze er wel? Maar toen pakten doortastende handen zijn armen vast en drukten die voorzichtig tegen het matras. Er kwam een kapje voor zijn mond en langzaam draaiden Dirks ogen weg.

Met steeds minder kracht, maar nog opvallend lang, bleef hij haar klamme hand vasthouden, als een drenkeling die zich vast blijft klampen aan een slijkerig stuk drijfhout. Nu niet meer. Hij was dood. Zijn handen lagen mak langs zijn lijf. Zijn nek was kromgetrokken door zijn opzij gevallen hoofd. Bleke, droge lippen vol diepe kloven omsloten het donker van zijn openhangende mond. Wat was dat toch, die paniek op het eind? Was het idee van zijn einde hem dan toch te machtig geworden? Het verbaasde haar eigenlijk niet. Meermaals had hij haar in de loop der jaren toevertrouwd dat de dood hem niet beangstigde, en telkens had ze toegeeflijk geknikt, maar nooit had ze hem echt kunnen geloven. Want elke keer als hij haar weer ietwat zelfingenomen vertelde dat de dood wat hem betreft niets voorstelde, schoten haar gedachten naar enkele regels uit Philip Larkins gedicht Aubade: ‘And specious stuff that says No rational being / Can fear a thing it will not feel, not seeing / that this is what we fear – no sight, no sound, / No touch or taste or smell, nothing to think with, / Nothing to love or link with, / The anaesthetic from which none come round.’ Maar ze was nooit tegen hem ingegaan. Dat had bij hem toch geen enkele zin. En in de afgelopen weken was ze er ook steeds meer van overtuigd geraakt dat hij meende wat hij zei. Hij leek écht niet bang voor de dood te zijn. Tot dat laatste moment. Arme man, hij had het net niet gered. Ze boog voorover en drukte een kus op zijn voorhoofd. Ze wendde haar hoofd naar rechts en wees naar Dirk: ‘wil jij nog even afscheid nemen van papa? Nee? Goed, laten we maar gaan dan. Zullen we wat gaan eten? Ik rammel van de honger.’

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch