Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Stromen

Door Sonja Coenen

Marit zit vast. In haar hoofd, in haar maalstroom van gedachten. Het voelt echter alsof ze ook lichamelijk aan één plek gebonden is en slechts minimale bewegingsruimte heeft. Onzin natuurlijk. Ze kan zo de deur uitlopen. Niemand die haar, tegen haar zin, tegenhoudt. Naar noord, zuid, oost of west.

Haar ‘vastzitten’ is eigenlijk ‘loshangen’. Een tijdsgebonden diagnose. Heel veel is mogelijk. Als Marit niet ‘álles’ doet wat ze wil of kan doen, dan heeft ze dat aan zichzelf te wijten. Dit eenvoudig gegeven beneemt haar vaak de adem. Het verlamt. Ze blijft staan. Ze komt niet vooruit en achteruit is geweest. Marit denkt en wikt en weegt.

Ze staat op een kruispunt. Links, rechts, rechtdoor. “Waar moet ik heen?”, vraagt ze zich af.

Links.

Ze trekt een sprintje en slaat af naar links. “Niet nadenken, doen. Niet achterom kijken,” zegt ze tegen zichzelf. Ze rent door totdat ze helemaal misselijk en buiten adem is. Ze kokhalst. Er komt wat groene, zure gal naar boven. Ze spuugt het uit. Koude lucht stroomt door haar keel naar binnen. Het doet pijn. Na een paar minuten voorovergebogen stilstaan, heeft ze zichzelf weer onder controle. Ze richt zich op en ze kijkt om zich heen.

Ze staat op de stoep in een grote drukke straat. Het verkeer zoeft voorbij. Trams rinkelen als ze passeren. Marit kijkt omhoog. Een vliegtuig zweeft hoog boven de flatgebouwen van de stad. Ze wandelt verdwaasd door, totdat ze een terras ziet waar ze kan zitten om bij te komen. Ze neemt plaats op een rieten stoel. Ze voelt zich confuus en kijkt verbaasd naar haar vreemde outfit. “Wat is er aan de hand?”, murmelt ze.

Als ze vijf minuten op het terras zit, komt een man met haastige tred op haar toelopen. Zijn armen in verbazing wijd open gesperd. “Marit, wat doe jij hier?”, roept hij. “Jij zou Kim toch van school halen?”. “O ja,” stamelt Marit rood aanlopend. Ze is helemaal vergeten dat ze haar dochter moet ophalen. “Ik dacht dat jij met mij mee zou willen lopen naar school, daarom zit ik hier te wachten David,” mompelt ze, snel een uitvlucht verzinnend. Terwijl duizend herinneringen in haar verbeelding over elkaar duikelen en om aandacht vragen.

De school ligt dichtbij. De weg weet ze als vanzelf te vinden. Een automatisch piloot die aanslaat. Kim staat al ongeduldig op haar ouders te wachten. “Mamma, kijk eens wat ik kan!”, roept Kim blij, terwijl ze een pirouette draait. Marit slaat haar armen om David heen terwijl een warm gevoel zich in haar buik nestelt. Roekoe. Ze trekt David stevig, te stevig, tegen zich aan. “Gekkie, ik ga nergens heen,” zegt David. “Jawel,” fluistert Marit zachtjes in zijn oor. “Wij gaan naar huis.”

Rechts.

Marit loopt langzaam de hoek om, naar rechts. Ze kijkt een paar keer over haar schouder maar ze keert niet om. Ze twijfelt. “Is dit de juiste weg of moet ik de andere kant op?”, vraagt ze zichzelf hardop af. Ze schudt haar hoofd van links naar rechts. Een last van zich afschuddend. Aan de kant van de weg staat een verlaten fiets tegen een boom. De fiets roept haar. Ze stapt op en begint te trappen. Heuvel op, heuvel af. Totdat ze het kruispunt vergeten is. Met haar tong likt ze haar lippen af. Die smaken ziltig. Het wordt donker en weer licht.

Marit houdt halt als ze in de verte een houten hut ziet. Ze legt haar fiets in het gras en wandelt richting de hut. De buitenlucht is heerlijk fris. Niet koud, maar puur. Ineens herkent ze de smaak op haar lippen. Ze versnelt haar pas en rent de horizon tegemoet, de hut voorbij. Na enkele honderden meters staat ze bovenop een klif en kijkt ze uit over water. Kilometers lang alleen maar water, tot de horizon het opslokt. De oneindigheid dichtbij. Golven slaan ritmisch tegen de rotsen. Marit zakt door haar knieën, gaat zitten en kijkt en kijkt. Totdat haar lijf rilt van de kou.

Ze staat op, wrijft met haar koude handen over haar bovenarmen, en loopt terug richting de hut. Ze opent een houten hekje, de poort naar de tuin. Boomtakken hangen vol bloesems, geuren die bedwelmen. In een moestuin groeien de eerste groenten van het jaar. Een paard staat in een afgezette wei, hinnikt en draaft weg. Bij de hut aangekomen, staat de afgebladerde achterdeur op een kier. Marit duwt de deur zachtjes open, schraapt haar keel en vraagt bedeesd: “Hallo, is daar iemand?”. Geen antwoord. Ze treedt binnen.

In de hut is het behaaglijk warm. Vanuit het keukenraam kijkt Marit uit over de klif. Prachtig. Ze loopt door naar de woonkamer. In een open haard knispert een vuurtje. Marit voelt zich beschut. Het huis ademt iets uit, dat ze niet kan thuisbrengen. Op de bank liggen twee katten. Eentje opent traag zijn ogen en rekt zich uit. Tergend langzaam, zoals dat gaat in kattenland. De kat springt van de bank en loopt naar Marit toe. Het beest duwt met zijn kop tegen haar been. En begint klaaglijk te miauwen. Honger. In Marits hoofd tuimelen beelden een voor een naar beneden. Geactiveerd door het bekende geluid. Ze wankelt en neemt plaats op de bank. Ze leunt met haar hoofd achterover. Haar ogen vallen op een ingelijste foto aan de muur en dan weet ze het. “Dit is mijn thuis,” zegt ze hardop terwijl de kat bij haar op schoot klimt.

Rechtdoor.

Marit steekt kordaat het kruispunt over. Ze kijkt naar links en naar rechts. De zijstraten ogen verlaten, daar wil ze niet heen. Vooruit. Aangekomen bij een bushalte bestudeert ze de vertrekborden nauwkeurig. Ze heeft geluk. Over 10 minuten arriveert lijn 7 naar Edol. Marit installeert zich op een bankje in het bushok. Ze eet met smaak een boterham met pindakaas en appelstroop.

Woorden op een digitaal reisinformatiebord beginnen druk te knipperen. Lijn 7 heeft oponthoud, 35 minuten. Marit zucht. Tijd voor koffie. 100 meter verderop staat een keet waar je koffie kunt halen. Het is er druk. “Een koffie alsjeblieft,” zegt ze als ze aan de beurt is. Ze legt twee euro op de toonbank. Als ze de koffie aanpakt, stoot een man haar per ongeluk aan. Hij verontschuldigt zich en maakt ruimte voor haar zodat ze de drukte kan verlaten. Gelukkig is de hete koffie niet op haar handen gespat. Teruglopend naar de bushalte nipt ze aan de koffie. Haar plek op het bankje is nu bezet. Ze moet blijven staan.

Bij de halte neemt de drukte toe. “Als dat straks maar in de bus past,” denkt Marit geïrriteerd. Ze heeft er een hekel aan als haar neus in een oksel van een onbekende wordt geduwd. Dat ze botst tegen een medepassagier, hangend aan zo’n kleffe, leren handgreep. Ze wenst dan altijd dat ze iets groter was geweest. Als een chauffeur moet remmen, ben je overgeleverd aan een krachtenveld én het humeur van de chauffeur. Sommige rijden rücksichtslos, zonder medelijden met de staande passagiers. Drempels en te scherpe bochten bestaan niet in hun wereld.

De tijd verstrijkt. Plotsklaps is lijn 7 van het informatiebord verdwenen. Zonder verdere toelichting. Een paar mensen druipen gelaten of morrend af. Ze zoeken een andere weg. In de verte komt lijn 5 aangereden, bestemming Tol. Marit besluit in te stappen en bij de chauffeur om informatie te vragen. Volgens de chauffeur ligt haar bestemming enigszins op zijn route. Marit besluit mee te reizen. Als ze aankomt op haar eindbestemming ziet ze wel weer verder.

De bus wordt volgepropt. De chauffeur wil niemand laten staan. Marit bedenkt dat de drukte ook zijn voordeel heeft. “Je valt niet om. Er is altijd iemand die je tegenhoudt,” denkt ze. Bij de allereerste onstuimige remactie wordt haar neus in een onbekende oksel geduwd. Gelukkig is het deze keer niet erg. De medepassagier ruikt lekker. Naar dennenbomen en iets wat ze niet kan plaatsen. Marit sluit haar ogen en snuift de geur op. Als ze haar ogen opent, kijkt ze pal in twee donkere ogen. “Lekker druk hè. Ga je ook naar Tol? Dan kunnen we straks samen koffie drinken. Die heb je nog van mij tegoed, als goedmaker voor mijn lompe actie van net,” zegt de man nerveus. Marit kijkt hem vragend aan. “O sorry, ik zal mij eerst eens even voorstellen: ik ben David. En jij?”

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch