Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Sunans strijd

Door Christine Ritoe

‘De ziekte is terug. Om je veilig een nieuwe chemokuur te kunnen geven, is een stamceltransplantatie noodzakelijk.’

De dokter oogt jong, ongeveer zo oud als Sunan. Haar gezicht ziet er professioneel meelevend uit. Op het identificatiepasje, dat met een clip aan haar witte jas bevestigd is, valt te lezen dat ze zich doctor mag noemen, gevolgd door de dure titels: internist-hematoloog-oncoloog. Zo nu en dan werpt ze een blik op het computerscherm voor haar. Ik heb de neiging me voorover te buigen, om te kijken wat ze heeft ingetypt.

We zijn hier voor een second opinion, of eigenlijk een third. Hopelijk legt Sunan zich bij deze mening neer, die trouwens niet verschilde van de eerste of de tweede, en wendt hij vanaf nu zijn strijdlust aan om beter te worden.

‘Voor de behandeling hebben we natuurlijk stamcellen nodig.’ De dokter werpt tersluiks een blik op mij en kijkt dan weer naar Sunan. ‘Je eigen cellen zijn hiervoor niet meer geschikt. Het liefst gebruiken we stamcellen van een broer of zus.’

Ik kijk naar Sunan. Zijn zwarte haar is net weer wat aangegroeid na de eerste kuur en staat stekelig overeind. Vroeger probeerde hij er met gel nog een model in te krijgen, maar vandaag de dag heeft hij andere prioriteiten.

Zijn mondhoeken trekken omhoog voordat hij reageert. ‘Ik ben geadopteerd,’ zegt hij. ‘Mijn broer ook. Hij komt uit Colombia, ik uit Thailand.’

‘Jammer,’ zegt de specialist. ‘Dan zullen we moeten zoeken naar een match met een vreemde donor. Voor autochtone patiënten is die makkelijker gevonden, dan voor mensen van niet-westerse komaf.’

Sunan loopt een paar passen voor me uit naar de auto. Hij heeft zijn schouders omhoog getrokken en zijn rug is licht gebogen. De laagstaande zon rekt zijn schaduw op de grond uit, tot een lange zwarte gestalte. Onwillekeurig denk ik terug aan mijn vroegste herinneringen met hem.

Destijds werden we, twee maanden voordat hij bij ons gezin kwam wonen, gebeld door het adoptiebureau. Sunan was ziek geworden en mogelijk zou hij het niet halen; of we een ander kindje wilden overwegen. De volgende dag zaten Tom en ik al in het vliegtuig.

Sunan leek klein in het ziekenhuisledikantje. Zijn huid was bleek en zijn haar stak net boven de dekens uit. Toen ik me vooroverboog en zijn gezicht streelde, leek het alsof een zwarte schaduw zich van hem losmaakte en de kamer uit vloog.

Het eerst jaar dat Sunan bij ons was, sprak hij geen woord. Zwijgend observeerde hij ons. Eenmaal opgetild, kronkelde hij met zijn kleine lijfje in alle richtingen om weer vrij te komen. Hoe anders was dat geweest met Tycho, onze oudste, die ‘s ochtends spontaan bij ons in bed kroop en het liefst in slaap viel op mijn schoot.

Toen Sunan vier werd, leek hij een beslissing te hebben genomen. Op die dag legde hij ineens zijn hand in mijn hand en met zijn andere hand pakte hij de hand van Tom vast.

Hij laat mij autorijden. Een wonder, want meestal grijpt hij bazig naar de sleutels. Benauwd voor zijn kritisch meerijden, stuur ik de auto wat onhandig door het verkeer. Hij zegt er niets van en staart uit het raam. We passeren zijn middelbare school en even later de lagere. In de eerste jaren van de middelbare school, gebruikte hij nog de naam die Tom en ik hem hadden gegeven: Jasper. Na Toms dood, tegen het einde van zijn middelbareschooltijd, wilde hij Sunan genoemd worden, zoals was opgetekend in het adoptie-dossier. Vanaf dat moment sprak hij me aan met Tine in plaats van mama.

Tegen de tijd dat we thuiskomen heeft hij zijn ogen gesloten. Met moeite had hij zich over laten halen voorlopig bij mij te komen wonen. Als we voor de deur staan rinkelt zijn mobiel. Het is Tycho, die nu aan de andere kant van het land woont maar iedere dag belt. In korte staccato zinnen legt Sunan uit hoe het ervoor staat. Het gesprek tussen de broers duurt slechts een paar minuten.

Het huis lijkt kleiner wanneer Sunan thuis is. Zijn veelal zwijgende aanwezigheid lijkt alle ruimte in te nemen. Van zijn militair getrainde spieren is weinig over, toch is het zijn eerdere fitheid die hem nu door de ziekte heen sleept.

Op de deurmat ligt een envelop met daarin een foto van Sunan in gevechtstenue. Hij staat in het midden. Aan beide kanten staan ex-collega’s. Gebroederlijk hebben de mannen de armen over elkaars schouders geslagen. Sunan grijnst op de foto van oor tot oor. Op de achterkant van de kaart staat een korte tekst: Beterschap vriend!

Sunan leest het onbewogen.

‘Wil je ze eens uitnodigen?’

Sunan fronst. ‘Zeker niet.’ Daarna geeft hij de kaart aan mij.

‘Zal ik thee voor je zetten?’

‘Ik doe het zelf wel.’ Hij vertrekt naar de keuken en ik weet me even geen raad met mijn overbodig zijn.Wanneer hij terugkomt neemt hij plaats achter zijn laptop en zet een koptelefoon op. Ik begin dus maar vast aan het avondeten.

‘Tine, ik weet niet of ik me nog laat behandelen.’ Hij leunt tegen de deurpost van de keuken. Ik laat het kookgerei uit mijn handen vallen en probeer hem te omhelzen.

Hij laat het gelaten toe, maar duwt me dan zachtjes van zich af. ‘Ik ga even slapen. Maak me maar niet wakker,’ deelt hij me mee. Dan gaat hij naar boven. Zijn voetstappen zijn nauwelijks hoorbaar op de trap.

Ik schiet mijn jas aan en vlucht. Het is het uur dat men thuis zit en het gezellig maakt. Straat na straat, huis na huis; achter alle ramen lichten blijmoedig televisieschermen op. Voortgedreven door een koude wind loop ik doelloos rond.

Er passeert een man. Hij is gehuld in een donkere wollen jas en op zijn hoofd draagt hij een ouderwetse hoed met een gleuf, zodat zijn gezicht verborgen is. Bij elke stap zwaait hij zijn rechtervoet naar binnen, net zoals Tom dat altijd deed. Vlak onder een lantaarnpaal staat hij stil. Op deze verlichte plek keert hij zich om en tikt ter begroeting met zijn vingers tegen de rand van de hoed.

Diep in mij wordt iets onverzettelijks wakker en ik haast me terug naar huis. In de hal blijf ik staan om op adem te komen. Het is er doodstil en donker. Wanneer ik het licht aandoe, zie ik het: een lange schaduw die de trap opschiet. Als een speer vlieg ik vooruit, ook die trap op. De deur van de logeerkamer waar Sunan ligt, staat op een kier. Hij heeft de gordijnen gesloten en in het bed ontwaar ik zijn slapende lichaam. Alleen zijn zwarte haren steken boven het witte dekbed uit. In het invallende licht van de gang, zie ik de gestalte over hem heen gebogen staan. Lange gekromde vingers beroeren zijn hoofd.

Gillend stuif ik vooruit en ruk de gordijnen uit elkaar; met zo een kracht dat ik er één lostrek van de rails. Ik smijt het raam open. Het licht van buiten valt op het hoofd van Sunan, op de plek waar zojuist nog die zwarte vingers zich roerden. De schaduw strekt zich uit over de muur als een gigantisch monster. Met een kreet laat ik me boven op Sunan vallen, trek zijn lichaam tegen me aan en wieg hem heen en weer. Sunan schrikt wakker. Zijn ogen zijn rood van het huilen, zijn gezicht is krijtwit. ‘Mam?’ fluistert hij nauwelijks hoorbaar.

De schaduw flikkert, laat los van de muur en vliegt het raam uit.

geen reacties
0 Fictie

Rauwe pijn

Sahar Noor

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam