Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

T.

Door Boris Claes

Francis zegt dat we onze laarzen moeten uitdoen. Op de rivierbodem slapen krokodillen.

‘Messieurs, on ne veut certainement pas que les crocodiles se lève,’ zijn moddervette grijns spreekt boekdelen. Je kan ze voelen liggen zegt hij en als we niet snel onze voeten optrekken zijn we zo een been kwijt.

De rivier is troebel. Ik besterf het. Schuifelend door de modder lijkt elke kei op een fikse portie schubben. Als in een droom beweeg ik mij door het snelstromende water en roep de hemel aan. Volgens Francis werden hier vorige week nog enkele blanke missionarissen verscheurd. Als gids hield hij er alleen een verweesde stapel bijbels aan over.

‘Wat een gekke mannen die missionaires! Ze hadden het voortdurend over hun grote held. Het was van Yésu dit, Yésu dat. Yésu, Yésu, Yésu. Ik denk dat ze alleen van Yésu hielden en niemand anders in de wereld. Gelukkig maakten ze lekkere masanga,’ zegt hij. Ik geloof niet dat Francis erg religieus is, de volgelingen van het kruis hebben weinig succes in de jungle. Terwijl de reptielen door onze gedachten glijden, worden we plots overvallen door een woeste regenbui. We verdrinken in open lucht en zoeken haastig een geschikte kampplaats. Voor de tenten zijn opgezet houdt de bui echter even plotseling op als ze verschenen is. Ik laat de dragers het werk doen en ga een sigaartje roken.

Wie zal het zeggen? Wat zit er echt in de broeierige maaltijd die we geserveerd krijgen? Francis werkt onverstoord de vele pepers naar binnen en zwijgt verder in alle talen over welke onaardse ingrediënten ze verstoppen. Ik kan mijn maag voelen kolken.

‘Je went er wel aan,’ hoor ik hem zeggen. Hij eet zijn bord leeg.

Midden in de nacht beginnen de leeuwen te brullen (ze hebben vast gewacht tot het droog was). De lucht trilt en wijkt voor de grote katten, en ik wist amper dat hier leeuwen zaten. Iedereen blijft muisstil, tot het duister telkens weer verscheurd wordt door de zinderende jachtkreten. ’s Nachts dwaal je beter niet van je tent af.

Op de een of andere manier moet ik toch zijn ingedut, want plots schudt Francis mij wakker: ‘Hé slaapkop, koffie?’ vraagt hij.

‘De leeuwen,’ mompel ik, ‘de leeuwen, waar zijn ze?’

‘Ja, die zijn hier geweest. Kijk maar,’ en inderdaad, buiten de tenten lopen talloze pootafdrukken. De leeuwen hebben een rondje in het kamp gedaan en niemand heeft wat gemerkt (op het gebrul na dan). We hadden ze net zo goed kunnen uitnodigen voor de thee en een warme hap. Alle dagen rauw vlees gaat heus vervelen.

Onze spieren beginnen luid te zingen. We moeten nog een heel eind, ruwe paden volgend, door prachtige groene valleien, we zien vele dieren en onbekende plantsoorten, steeds verder de wildernis en de eindeloze heuvels in. Ik kan de grote pas al zien liggen, daar gaan we naartoe: de berg en de pas. Wat kloppen onze harten!

We doorkruisen eerst een langgerekt dal waar het krioelt van de witte stenen, glad gesleten door de vele stroompjes die kriskras door de vlakte lopen. Zodoende springen we lachend van steen tot steen (geen krokodillen hier), de zwetende dragers in ons kielzog. Ik moet ze aansporen om sneller te gaan en kijk – we gaan sneller. Euforisch vliegen we over de eerste hellingen. Achter mij kan ik al het water vrolijk zien wuiven in de zon, alsof het zegt: ‘Ga dan! Toe maar jongens! Er kan jullie niets overkomen!’

Het pad kronkelt zich steeds steiler omhoog. Onze vertrouwde karavaan wordt een slang die zich de berg opwerkt. Francis leidt de dans, alleen ik en enkele anderen kunnen zijn moordend tempo volgen. Wanneer we hijgend een klein tussenplateau bereiken, is de vallei nog amper te zien. Francis houdt halt. Het pad is verdwenen. Hij wappert met zijn armen en maakt verveelde geluidjes. De regens hebben alles weggespoeld. Over de weg liggen grote rotsblokken verspreid en de grond is zodanig verzakt dat we op handen en voeten de helling moeten opklauteren, eerst aarzelend, dan terug sneller.

Ik hoor alleen nog mijn adem en die van de anderen, de wereld is leeg, het gesteente vijandig – de boodschap lijkt duidelijk, deze staalgrijze berg houdt niet van indringers. Slechts bij zijn kortstondige gratie worden we geduld. De stenen en het stof spreken van een eeuwige razernij tegen al wat vluchtig is. We willen hier weg en opnieuw verhogen we het tempo, zelfs de duivel zou moeite hebben om ons te volgen.

Maar de lucht is te ijl voor langdurige inspanningen en de zon staat al hoog aan de hemel. Sinds deze ochtend heeft niemand iets gegeten. We stranden op een uitstekende richel met een goed zicht op de rest van het reuzenlandschap. Van hieruit is te zien hoe de rechterwand volledig is ineengezakt en ons pad heeft bedolven.

Francis deelt ondertussen wat gedroogde vruchten uit. De rest van het eten zit in de bepakking van de dragers en die laten op zich wachten. Ik heb eigenlijk vooral trek in een sigaartje, gek toch. Onder de loden zon rust ik uit tegen een van de vele rotsen, sommige zijn door de elementen tot groteske vormen gedwongen. We treden een nieuw gebied binnen.

De dragers komen eindelijk aanpuffen, wankelend storten ze neer en blijven afgemat liggen, Francis mag vloeken wat hij wil. We doorzoeken de zware pakken dan maar zelf. Enkele eiersandwiches gaan er altijd in. Uiteraard drinken we thee. Ik kan je vertellen dat deze uitstekend smaakt. Zelden of nooit heb ik zo genoten van een kopje thee. Het moet de hoogte zijn. Drink en wees blij, zei de wijze.

Het tweede deel van de beklimming schiet slechts traag op. Er is geen lucht meer en het wordt geleidelijk aan kouder. De wind giert langs de verwrongen steenformaties, het zijn burchten uit oude dagen, ooit roemrijk, nu lang vervallen. De dode krijgers krijsen over de verbrokkelde kantelen. Ik zou Ozymandias willen reciteren.

Het is vreemd. Ik herinner mij verder weinig van het laatste stuk. Plots is de pas daar, een tochtgat, afgelegen in de bergen, waar niemand anders zou komen. Voor ons ligt de volgende vallei, en ergens in de verte verscholen: een dorpje.

Maar eerst krijgen we nog een forse afdaling voor de kiezen. Dat doen we voorzichtig aan. Ik kan de dragers bij elke afgrond horen vloeken. Het aantal diverse krachttermen dat ze kunnen uiten blijkt eindeloos. De diepte is dat ook. Verder zwijgen we.

Het is al bijna donker als we in het gehucht aankomen. De ontvangst is erg hartelijk. Ik zie allemaal gezichten die nieuwsgierig vanachter een resem hoeken en kieren staan te turen. We worden begroet door de chef die op de hoogte was van onze komst. Hij mist een vinger, maar is voor de rest best aardig. We krijgen de grootste hut toegewezen. Bij het eten hoor ik hem druk fluisteren met Francis. Ik kan ze moeilijk verstaan.

Voor we gaan slapen vertelt Francis dat er enkele dagen geleden een werker is neergeschoten, ongetwijfeld met een goede reden. De chef had hem verzekerd dat de man in kwestie nog leefde en spoedig berecht zou worden. Ze hebben de zaken onder controle.

We staan vroeg op en trekken verder de vallei in. De dorpskinderen zitten ons achterna, ze zijn natuurlijk dol op de chocolade. Volgens Francis is de provinciehoofdstad dichtbij, dat zegt hij wel vaker. Ik hou het op een goede week.

De plaatselijke dialecten lonken naar meer aandacht. Ik moet dringend een woordenlijst bijhouden. Je zal het erg interessant vinden. Het aantal suikerzoete accenten of dialecten valt nog nauwelijks te tellen. Na enkele dorpen dreven we Francis tot wanhoop. Uiteindelijk weigerde hij categoriek de zoveelste variant van het Bubangi te vertalen. Het kan ook Ngala zijn geweest. De verschillen zijn uiterst subtiel en we werden afgeleid door de vissen die ze daar verkochten. Zulke exemplaren had zelfs Francis nog nooit gezien.

Wanneer ik dit schrijf, zijn we in de provinciehoofdstad aangekomen. Het kantoortje waar we zetelen is piepklein en het krioelt er bovendien van de insecten. Ik denk dat ik ze ga verzamelen. Tussen mijn paperassen verschuilt zich een dikke kever. Telkens als ik het felgroene insect tracht te verjagen, klikt hij waarschuwend met zijn kaken. Ik laat hem maar. Hij heeft een agressieve interesse opgevat voor mijn verkoop- en aankooptabellen van rubber en andere lucratieve grondstoffen. Ik zal je er verder niet mee vervelen.

Onze baarden zijn nu angstaanjagend lang en we genieten eindelijk van de vochtige hitte. Wanneer we naar Europa terugkeren gaan we eerst naar de beste barbier van de streek. Ik ken een oude Portugees die wonderen verricht met al te dol geworden struikgewas.

Zo, ik hoop dat mijn brief je spoedig bereikt. Wil je Paul vragen of hij dit naleest? Ik denk dat dit erg in trek zal zijn bij de lezers. De laatste regels kan hij uiteraard weglaten.

Waar ik niet geraak, reizen deze woorden. Naar jou.

T.

1 mei 1914

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch