Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Terugval

Door Jolein van der Ven

Ik open mijn ogen.
Zwaar en stoffig licht dringt mijn hoofd binnen. Mijn wimpers plakken aan elkaar van vermoeidheid en van de mascara van gisteravond. Foto’s van de avond die mijn brein zo willekeurig nam, dringen door het stof naar voren. Kitty die op tafel danst. Een jointje in mijn hand. Teuns handen op mijn buik. Op mijn borsten. De smaak van bier dat ik zelf niet had gedronken. Een slinger lichtjes in verschillende kleuren. Ik hoor flarden van hard gelach, mijn gelach, als de muziek in een auto die voorbijrijdt.

Ik draai me om. Mijn haren ruiken naar rook. Ik adem diep in en barst uit in een hoestbui. Ik laat me vallen, terug op mijn rug, mijn ogen wijd open. Ik voel de vage buikpijn die ik herken van schuld en schaamte en ik probeer een beeld terug te halen van iets dat ik had moeten laten, maar ik vind niets. Alles wat zich laat zien is mooi en lief en grappig en leuk. Maar de feiten lijken losgekoppeld van mijn gevoel, dat leeg is. Dat weet ik.

Ik kijk op mijn telefoon. Elf uur. Over een uur moet ik op mijn werk zijn. Ik draai mijn hoofd en mijn oogleden laten zich zwaar vallen en openen zich dan langzaam en met tegenzin weer. En daar ligt het. Een klein, zwart brokje. Op mijn laken. Slechts enkele centimeters van mijn hoofd vandaan. Niet groter dan een doperwt, maar hoekiger, scherp. Het glinstert licht en het is klein, maar het ziet er loodzwaar uit. Een moment ben ik verbaasd en staar ernaar alsof ik het nooit eerder zag. Dan komt meteen de woede. Ik duw mezelf met één arm omhoog en tem mijn draaiende hoofd. Dan breng ik mijn duim en wijsvinger naar elkaar en schiet het ding in een strakke lijn van mijn bed af.
Ik trek mijn pyjama-shirt over mijn hoofd en laat het op de grond vallen. Met een licht gepiep en luid gepruttel laat de douche zich aan zetten en ik laat het koude water over mijn haren en lichaam stromen. Met open mond haal ik mijn handen door mijn natte, zware haren en ik probeer stevig op mijn benen te komen staan. Te blijven staan. Op mijn teennagels zitten resten van de zomer die nu voorbij is, waarin ik mijn leven op alle mogelijke manieren probeerde te kleuren. Water verzamelt zich rond mijn voeten tot het aan mijn enkels kietelt. Ik buk en daarmee verandert het geluid van de waterstroom, die onvermoeibaar een weg naar beneden weet te vinden.
Uit het putje dansen wat lange haren en ik trek ze eruit. Eentje blijft steken achter iets onder het metaal. Met een licht getingel tikt het tegen het systeempje aan. Ik duw mijn vingers zo ver als het gaat in het putje en wurm de blokkade met het haar door een van de andere gaatjes. Ik trek aan het plukje haar en met een ritmisch getik komt het tevoorschijn. Twee grote en één klein zwart brokje kleven aan de haren. Ik kom overeind en mijn hoofd tolt van de hete stoom en de drank die nog door mijn lichaam danst. Ik houd het plukje haar voor me en onderzoek de verstekelingen. Zwart, hoekig, glinsterend. Spottend bungelen ze voor mijn neus. Ik open de cabine en zwaai de pluk haar samen met de brokjes de badkamer in. Tranen prikken in mijn ogen als ik mijn gezicht onder de volle straal houd. Ik krijg geen adem, toch weet ik te schreeuwen. Ik verslik me in het water dat naar binnen stroom en gooi het samen met de drank het putje in.

In de auto probeer ik mijn stemming te verlichten met de hersen-dodende tonen die zich dit jaar aan de top mogen bevinden. Een deuntje dat ik ken, of herken, wurmt zich uit de boxen. Ik zal nooit weten wie het zingt, en het zal me ook nooit interesseren. Maar het geeft enige kleur aan de grijze lucht die voor me hangt als een gordijn waar ik door moet om dadelijk mijn stukje weer op te voeren. Ik draai aan de volumeknop en zoek de grens tussen wat mijn oren kunnen verdragen en mijn brein genoeg kan vullen. Dan hoor ik een geknars. Een reuteltje. Een gerinkel. Met een harde frons blijf ik vooruitkijken en meezingen met de waardeloze tekst. Want dit is vrolijk. Dit is goed. Het geratel wordt luider en het is niet op het ritme van de muziek. Terwijl ik voor me uit blijf kijken en blijf zingen, schreeuwen, weet ik wat er staat te gebeuren. Als ik op de rotonde bij mijn werk ben, begint het. Het ene na het andere zwarte brokje schiet door de gaatjes van de kleine boxen heen. Met luid getik schieten ze door de auto. Tranen branden in mijn ogen maar ik kijk vooruit. Als kleine, pijnlijke stuiterballen schieten de stukjes door de auto heen, alle richtingen in. Een paar raken mijn gezicht en het brandt. Maar ik blijf kijken, blijf zingen. Wanneer ik de auto parkeer, haal ik diep adem en graai mijn werkkleren van de bijrijdersstoel.
In het restaurant wordt het gedurende de dag steeds moeilijker om vriendelijk te lachen naar mensen. Er zit een scherp stukje in mijn linkerschoen en alles wat ik wil, is zitten. Kitty vraagt wat ik heb en ik zeg dat ik er steeds minder goed tegen kan. Ze snuift spottend en slaat me op mijn billen. Even later komt ze aan lopen met een aspirine en een blikje cola. Ik neem het. Ook al weet ik dat het geen antwoord is op wat ik eigenlijk zei.

’s Avonds thuis zet ik een grote mok met thee, die ik uitgeput aan de keukentafel drink met een sigaret. In mijn hoofd maak ik een lijst van dingen die me laten lachen en ik voel niets. Ik moet even weg hier, of even blijven juist. Dingen doen die ik leuk vind. Maar alles lijkt me op dit moment zo godsgruwelijk vermoeiend. En zinloos. Als mijn thee op is, sleep ik mijn vermoeide lijf naar het aanrecht. Een droge boterham uit de oude broodtrommel van mijn oma ploft zonder veerkracht op het stenen vlak. Uit de pot pindakaas komt een muffe lucht. Als ik een hap neem uit de dubbelgevouwen boterham, knarst het tussen mijn tanden. Kleine brokjes wurmen zich tussen mijn kiezen, ik kauw op stukjes van mijn eigen gebit. Terwijl de tranen beginnen te lopen, herhaal ik de beweging langzaam, tot een helse pijn door mijn kies heen schiet. Ik spuug de boterham uit en neem twee pijnstillers met een slok whisky. Ik ga naar bed.

Geen moment lijkt zo op de mythische eeuwigheid als het begin van een rusteloze nacht. Ik jaag haastig op de slaap, omdat alleen daar mijn dromen nog in het wild durven te lopen.

De volgende ochtend word ik wakker omdat mijn keel dicht zit. In paniek schiet ik overeind en probeer ik een hoestbui te forceren. Met lange pijnlijke halen probeer ik zuurstof naar binnen te zuigen maar alles wat dat doet, lijkt mijn luchtwegen meer te vernauwen. Ik denk aan mijn vader en hoe het geluid van zijn gehoest in de ochtend een vertrouwde soundtrack werd bij de herinneringen aan mijn jeugd. Ineens lukt het: Ik hoest zo hard dat ik weet dat ik het morgen nog ga voelen. Dat ik morgen nog ga voelen. Een glinsterende zwarte brok, ter grootte van een walnoot, schiet tegen de muur van mijn slaapkamer, omhuld door mijn speeksel. Ik laat me naar achteren vallen en adem diep en pijnlijk in als iemand die bijna verdronk.
Tranen stromen over mijn wangen uit angst en uit woede en ik weet: Wat ik ook doe, ze blijven komen. Ik probeer rustig te ademen en ga langzaam zitten. Als ik mijn voeten over de bedrand zwaai en ze zachtjes richting de vloer laat zakken, knarsen de brokjes onder mijn huid als scherp grind. Als ik sta, voelt het zoals toen ik vroeger in een ballenbak probeerde te balanceren, toen je in die uitdagingen nog een spel zag. En het nog geen pijn deed. Met iedere sleep van mijn voeten maai ik door honderden brokjes heen en als ik eindelijk uitgeput de badkamer bereik, reikt de laag van glinsterend zwart tot aan mijn knieën. Ik trek aan de deur van de douchecabine en probeer het te openen tegen de hoge, zware laag in. Zodra de deur iets meegeeft, stroomt een zwarte massa rinkelend en klaterend op me af. Ik kijk naar boven. En val neer. Op mijn rug lig ik in het zwart zo scherp als glas, zo scherp als alles dat ooit was. En ik voel hoe de massa me bekruipt, me verder en verder bedekt. Tot mijn laatste stukje huid is verzonken in al dat spottende, hatelijke zwart. En ik lach zacht. Dat ik ooit heb durven geloven.
Ik sluit mijn ogen.

2 reacties

Jor-adam

donderdag, 11:05

Wat een aangrijpend verhaal Jolein!

Sofie

zondag, 10:58

In prachtig detail een heftige beleving omschreven, fenomenaal! Prachtig geschreven!!! Chapeau!

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch