Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Toe vader drink niet meer!

Door mieke paulissen

Als kind zat ik urenlang aan de voeten van mijn grootmoeder Suzanne. Zij zong voor mij liedjes uit haar kindertijd. ‘Toe vader drink niet meer!’ was mijn favoriete nummer. Over een jongen wiens vader dronk en hem dan sloeg. Tot de jongen zijn vader, bij wijze van verjaardagscadeau, vroeg om nooit meer te drinken. Op een schommelend voetbankje smeekte ik mijn grootmoeder om het lied steeds weer te zingen. Dat deed ze met een klagelijke knik in haar stem. Hartverscheurend vond ik het en toch wilde ik het telkens opnieuw horen. Op mijn vraag waar ze het lied geleerd had, antwoordde ze steevast ‘Bij de nonnen in het Hemelrijk’. Die nonnen kende ik. Op het einde van de jaren zeventig had ik er zelf schoolgelopen, in een grijze uniformrok. Zestig jaar na het verblijf van mijn grootmoeder waren er niet veel nonnen niet meer geweest en hartverscheurende liedjes leerden we toen ook niet meer.

Ik zit met mijn vader op het terras. Hij drinkt een biertje. Zorgen moet ik mij niet maken want hij drinkt slechts sporadisch en heeft nog nooit een vinger naar ons uit gestoken. Mijn grootmoeder is enkele jaren geleden overleden en heeft de betovering van haar klagelijke lied met zich meegenomen. Sinds mijn studie geschiedenis stel ik mij vragen over haar kinderjaren; dronk haar vader, Constant Schoemans, ook en sloeg hij haar dan, net als in het lied? En waarom ging ze in de stad naar school terwijl ze in een afgelegen dorp woonde waar ook een lagere school was? Vragen die ik dringend aan mijn zevenenzeventigjarige vader moet stellen. Want als Parkinsonpatiënt wordt hij misschien niet zo oud als zijn moeder Suzanne, die in goede gezondheid negenentachtig werd.

Als antwoord op mijn vragen zet mijn vader een beduimelde schoendoos op tafel. Er zitten doodsberichten in en een heel oude foto van drie jonge meisjes.
‘De zusjes Schoemans: Nieke, Julia en rechts je grootmoeder Suzanne.’ Ik bekijk de foto en stop hem in mijn tas. Dan diept hij een vergeeld bidprentje op. Ik lees: Constant Schoemans, oudstrijder 1914-1918,
‘Was overgrootvader vrijwillig naar de Eerste Wereldoorlog getrokken?’
‘Dat weet ik niet. Daarvoor kunnen we beter langs gaan bij tante Victoire.’

Als we aanbellen duurt het minutenlang vooraleer de deur open gedaan wordt door een kromgebogen vrouwtje. Haar neus raakt bijna haar knieën. Ze steunt op twee krukken en gaat ons wankelend voor. Ik heb moeite om de trotse tante Victoire te herkennen die in de jaren zeventig met haar autootje mijn grootmoeder kwam bezoeken en op fluisterende toon met haar halfzus besprak wat duidelijk niet voor onze kleine kinderoren bestemd was. Nu is ze de negentig ver voorbij. We krijgen koffie en een wafel met parelsuiker. Dan begint ze te vertellen:
‘Mijn vader Constant werd opgeroepen om te vechten aan het IJzerfront. Toen hij daar was, stierf zijn vrouw. De familie durfde hem niet te schrijven dat Stefanie was overleden. Ze stuurden een brief naar zijn neef, die ook aan de IJzer tegen de Duitsers vocht. Die is het hem gaan vertellen.’
‘Wat erg! Hoe is overgrootmoeder Stefanie gestorven?’ vraag ik.
‘Aan ons is altijd gezegd dat Stefanie de koe ging halen op het veld. Het begon opeens te donderen en te bliksemen. Ondertussen had Julia, de oudste dochter, de kleine Elvire al uit haar wiegje mee naar binnen genomen. Stefanie was doorweekt toen ze met de koe bij de boerderij kwam. Ze is ziek geworden en nooit meer hersteld.’
Mijn overgrootmoeder was gestorven door een fikse regenbui en ze kreeg een baby terwijl haar man aan het front was! Wie was de vader van Elvire? Mijn overgrootvader Constant? Of nam Stefanie een andere man toen Constant aan het front was?
‘Elvire werd geboren in februari 1915.’
‘Stefanie was dus al zwanger toen Constant in de augustus 1914 naar de oorlog vertrok?’
‘Ja en bij haar dood liet ze vier kinderen achter: Julia, Nieke, Suzanne en Elvire. De familie kon niet voor hen zorgen. Ze moesten elders ondergebracht worden. De drie oudsten, waaronder je grootmoeder Suzanne, konden naar het weeshuis van de nonnen in het Hemelrijk in Hasselt. Elvire was te klein voor het weeshuis: zij mocht naar de nonnen in Zonhoven.’
Mijn grootmoeder had in een weeshuis gezeten! Dat had ze me nooit verteld.

De volgende dag neem ik contact op met de zusters van mijn oude school. Ik vraag hen of ze informatie hebben over het weeshuis. Het weeshuis bestond niet meer toen ik er school liep. Zuster Geert, verantwoordelijk voor het archief, is zeer behulpzaam. Ze diept voor mij de kroniek van het klooster op. Ik mag de pagina’s over de oorlogsjaren kopiëren. Tot mijn teleurstelling staat er niets over mijn grootmoeder of haar zusjes in. Thuis bekijk ik de oude foto met de drie zusjes Schoemans. Julia, Nieke en Suzanne dragen slordig in elkaar gezette matrozenkleedjes met een platstuk en daaronder een korte das. De tailles van de kleedjes zijn verlaagd. Alle drie dragen ze hun lange haren los met aan de rechterzijde, tegen hun hoofd, een bolle strik. Suzanne staart met grote schrikogen naar de fotograaf. Ik schat dat mijn grootmoeder een jaar of vijf moet geweest zijn toen deze foto werd genomen. In 1917 verbleef ze nog in het weeshuis. Uit de kroniek van de oorlogsjaren blijkt ook dat de weesjes elke dag naar de eucharistie moesten en dat de zusters streng toezagen op het geestelijke heil van de hen toevertrouwde meisjes. In gedachte zie ik een non met zwart habijt en grote, gesteven, witte kap, mijn grootmoeder het lied ‘Toe vader drink niet meer’ aanleren. Wat een idee om net dit lied te zingen met weeskinderen. Meisjes die hun vader misschien nooit meer terug zien omdat hij zal sneuvelen in de oorlog!

Omdat ik geen persoonlijke details vastkrijg bij de nonnen van Hasselt, probeer ik het bij de Zuster van Liefde in Zonhoven. Daar staat de onvriendelijke assistente van moeder-overste mij te woord. Ze wil niet dat ik inzage krijg in het oorlogsarchief van de orde maar ‘ze zal kijken wat ze kan doen.’
Ik hoor weken niets van haar en net wanneer ik de hoop opgeef, stuurt ze mij de volgende tekst:
‘Den 25e maart 1916 hebben wij in ons Gesticht een arm oorlogsweesje opgenomen, met name : Elvire Schoemans, oud 1 jaar. De vader der arme kleine was ten strijde geroepen. De moeder, ziek en uitgeput van ellende en verdriet, had nog slechts enkele dagen te leven, toe de kleine hier aankwam. Zij stierf kort nadien aan de tering en liet vier hulpelooze kindertjes achter ! Drie dezer werden te Hasselt in het Weeshuis opgenomen. Het jongste, de kleine Elvire, nog na het vertrek haars vaders naar het leger geboren, was altijd bij haar zieke moeder geweest, en uit vrees voor besmetting, wilde men het arme weesje in geen enkel gesticht opnemen. Na de toelating bekomen te hebben, kwam de kleine bij ons en werd er liefderijk verzorgd, tot korten tijd na den terugkeer haars vaders, die de kleine later te Hasselt in het Weeshuis plaatste bij haar drie andere zusjes.’

Stefanie was dus niet door een regenbui gestorven maar aan de gevolgen van tering. Tuberculose! En Elvire was niet te klein geweest voor het weeshuis maar omwille van mogelijk besmettingsgevaar, ver van andere kinderen, verzorgd tussen volwassen zusters in Zonhoven.
Vreemd dat Constant Elvire na zijn terugkeer niet naar huis haalde maar haar ook in Hasselt plaatste. Waarom liet mijn overgrootvader zijn kinderen botweg achter in het weeshuis?

Ik zit met mijn eigen vader in de tuin en leg hem mijn twijfels voor. ‘Maar schat,’ zegt hij, ‘Constant kwam berooid terug van het front: hij had geen vrouw, geen werk en geen huis meer. De hoeve die hij pachtte moet verhuurd geweest zijn na Stefanies dood. Hij kon zijn kinderen niet naar huis halen want hij had geen huis meer. Tante Victoire vertelde mij dat hij zo snel mogelijk een nieuwe vrouw gezocht heeft. Maar dat het toch nog enkele jaren duurde vooraleer hij tante Victoires moeder huwde. Het geluk was echter van korte duur. Zijn nieuwe echtgenote schonk hem twee dochters en een zoon. Maar kort na de geboorte van hun derde kind stierf ook deze nieuwe vrouw op jonge leeftijd.’
‘Constant stond er dus alleen voor met zeven kinderen?’
‘Ja, om thuis voor hen te kunnen zorgen, begon hij een kleinhandel in zaden en kweekte hij kuikens. Breed heeft hij het nooit gehad maar hij heeft het gered met hard werken en veel liefde.’
Beschaamd over mijn slechte gedachten, neem ik het bidprentje van Constant in mijn hand.
‘Hij werd toch nog éénentachtig jaar.’
‘ Ja, een kranige, teruggetrokken man met een hart van goud.’
‘Ik hoop dat jij ook éénentachtig wordt, papa.’
‘Goed idee. Daar klinken we op! Proost!’

4 reacties

Agnes Van Leemput

donderdag, 11:59

Een hartverscheurend verhaal Mieke! Dat je in een kort verhaal mij zo kan ‘pakken’ bewijst dat je een zeer goede pen hebt. Hopelijk kunnen we in de toekomst nog genieten van jouw talent als schrijver. Dikke proficiat!! Agnes

Mireille Van Looy

maandag, 13:13

Een realistisch verhaal dat inzicht geeft hoe het er in die tijd aan toe ging. Het leed van vele gezinnen die uiteengerukt werden tijdens de Eerste Wereldoorlog. Heel goed geschreven. Proficiat !

Eliane Kunnen

zaterdag, 15:34

Proficiat met je kort verhaal! Terwijl ik lees zie ik de taferelen voor mijn geestesoog verschijnen. Bijzonder hoe een vraag, een foto, .. tot zoveel opzoekwerk geleid heeft. Je hebt heel wat weetgierigheid, geduld en volharding in je pen gestopt! 😉

Lehti Paul

zaterdag, 10:09

Dank voor deze mooie inkijk in het leven van je (over-) grootmoeder. Ik las onlangs het boekje met de aantekeningen van mijn schoonmoeder die ook jong haar moeder verloor, waardoor zeven kinderen bij de nonen dan wel paters belandden. Ze had er (ook) een mooie tijd. Altijd iets te doen.

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch