Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Tongbreker

Door Thijs Joores

Terwijl Stan even oogcontact verbreekt om met zijn tong een stukje shoarma tussen zijn kiezen vandaan te peuteren, draait de jongen zich om en legt zijn rechterhand terloops op Stans linker. Stan kijkt verschrikt terug. Hij lacht snel naar de speelse ogen die hij ontmoet. Dan draait hij zijn hoofd weg. Ongemakkelijk, omdat het niet zijn voorkeurshand is, peutert hij met rechts het flintertje vlees alsnog los. Als hij het te pakken heeft, laat hij zijn arm langzaam langs zijn lijf zakken en beweegt achteloos duim en wijsvinger uit elkaar. Niemand ziet het vallende vlees.
Stan lacht weer naar de nog naamloze jongen. Dit gaat al goed, denkt hij. Dit gaat nog fout. Hun handen zijn nu verstrengeld. Stans slapen, zijn hart en de trein bonken allen uit elkaars maat. Zijn maag werkt ook niet mee. Dat was ook dom van hem, na zoveel maanden opeens weer echt vlees eten en niet zo’n halfbakken vervanger. Dat kan niet goed zijn. Maar ja, de falafel was op en je moet toch wat om vier uur ’s nachts.
‘Waar moet je eruit?’ vraagt Stan.
Terwijl hij dit laatste woord zegt, voelt hij zijn tong uit zijn mond ontsnappen. Het is oneerlijk – normaal gaat de r wel goed in het midden van een woord. Aan de start is verraderlijker. Stan denkt aan lijstjes met woorden die beginnen met de r. Ze liggen nog steeds ergens in een laatje. Deze lijstjes kreeg hij ooit mee naar huis van zijn logopediste. Om thuis te oefenen, zei ze dan. Het huiswerk hielp niet: zijn r rolt nog steeds niet mooi van zijn tong. Soms, op een slechte avond, oefent hij nog.
Maar hij kan tenminste wel sorry zeggen. Daar heb je geen rollende r voor nodig.
Nog steeds geen reactie van de jongen. Moet hij het opnieuw vragen? Hij durft niet harder. Niet vanwege omstanders; het tussenstuk van de trein is verder leeg. Al zou er natuurlijk altijd iemand bij kunnen komen. Nee, hij hoopt vooral dat zijn knoflookadem niet te erg is. Maar als hij hem niet gehoord heeft, zal hij toch wel moeten-
‘Utrecht.’
‘Hé, wat toevallig. Ik ook.’

‘Hoe gaat het met haar?’
‘Het bloeden is gestopt, maar de kans is aanwezig dat er een infectie ontstaat. We wachten nu tot ze ontwaakt uit de narcose, maar dat kan nog wel even duren. We stellen voor dat u naar huis gaat.’
‘Mag ik mijn vriendin nog even gedag zeggen? Ik bedoel, ik weet dat ze onder narcose is maar-’
De verpleegster trekt een wenkbrauw op en zucht: ‘Nee, u kunt beter gaan.’
Stan loopt naar de auto, die schuin geparkeerd staat over anderhalf vak. Hij start de auto en draait van de parkeerplaats af, met gedoofde lichten, niet verwachtend dat hij Kira morgen op komt halen.

Ze lopen niet hand in hand over straat, maar zijn alles behalve losgekoppeld.
‘Wat is je mening over dierproeven?’
‘Omdat ik vegetariër ben zeker?’
‘Nou ja, vegetariër…’
‘Stil jij. Dit was een eenmalige misstap.’
‘Tuurlijk. Als je je hele leven tot een paar maanden terug als carnivoor niet meerekent. Maar?’
‘Jezus, weet ik veel. Ik bedoel, ik ben geen dierenhater…’
‘… dat snap ik…’
‘… maar, ik bedoel, voor het grotere goed? Als we er, zeg, kanker mee kunnen genezen?’
‘Ja, daar zit wat in.’
‘Zolang ik het maar niet zelf hoef te doen.’
De jongen grinnikt.
‘Wat?’ vraagt Stan.
‘Wat als ik je vertel dat ik voor m’n werk dagelijks muisjes omleg?’
Stilte.
‘Dat kan ik wel aan, denk ik.’
De jongen lacht harder, maar ook warmer dan hiervoor.
‘Bof ik even. Het zou zonde zijn als ik de eerste leuke homo die ik sinds tijden offline heb ontmoet, meteen weer afschrik.’
Stan doet zijn best een geluid te maken dat instemmend klinkt. ‘Ja, precies. Oh, en geen probleem, maar dat je het even weet: ik ben bi, niet gay.’
‘Juist ja. Wat jij wilt.’
Stan knippert met zijn ogen en houdt zijn lippen stijf op elkaar.

‘Doe eens even rustig. Ik heb toch niks raars gezegd? Doe eens niet zo lichtgeraakt.’
Kira gaat zitten in de bijrijdersstoel en smijt de autodeur dicht. Ze klapt de zonneklep omlaag, ondanks dat het elf uur ’s avonds is, en inspecteert haar uiterlijk in het spiegeltje. Met het puntje van haar tong bevochtigt ze de rodewijnvlekjes op haar lippen. Daarna wrijft ze hard met haar duim, maar de vlekjes zijn hardnekkig.
‘Meen je dit?’ vraagt Stan.
‘Hoe bedoel je?’
‘Je zet me voor schut bij je vrienden. Alweer.’
‘Wat, door ze te vertellen dat je wel eens met een jongen gezoend hebt? Ze vonden het toch niet erg? Er was niks aan de hand.’
Stan brandt los. ‘Hoor je jezelf praten? Ze vonden het niet erg. Wat een opluchting. Bof ik even dat ik toestemming heb van die mongolen die zich met jou willen associëren. Het boeit me niks. Dit is het punt niet. Jouw woorden zijn het punt. Wel eens, zeg je, alsof het een uitzondering, een afwijking, een foutje was. Volgende keer beter. Flikker toch op. En dan die smakeloze grap daarna. Ik mag nog oppassen dat hij er niet op een dag met een gast vandoor gaat. Dat was meer dan een grap, dat weet ik ook best. Hoe vaak moet ik je nog zeggen dat je me moet vertrouwen? Noem me een aansteller, maar je doet me pijn, hoor je. Je blijft me pijn doen.’
Dan beweegt Kira snel haar hand naar zijn hoofd. Hij verwacht een klap en klemt zijn tanden al op elkaar, maar ze legt haar handpalm gewoon op zijn wang. Haar gezicht hangt vlak voor het zijne.
Stan voelt Kira ademhalen door haar neus. Ze kijken elkaar strak aan. ‘Aansteller,’ fluistert ze. Hij opent zijn mond om te zeggen dat ze op moet rotten, maar al tijdens zijn eerste klank klampen haar lippen zich op de zijne. Haar tong glijdt vlug naar binnen. Hij hapt. Eerst van schrik. Daarna niet meer. Hij bijt door.

‘Nou, we zijn er. M’n vrienden wonen hier,’ zegt de jongen.
‘Ja.’
Stan hoort een dikke baslijn dwars door de gesloten ramen bonken. Een gegons van dronken woordenwisselingen. Het feest is opvallend druk voor het late tijdstip. Misschien moet hij gewoon de politie bellen en melding maken van overlast. Maar hij weet dat dat niet genoeg is.
‘Ik bedoel, ik zou je mee naar binnen vragen, maar ja…’
‘Nee, joh…’
‘Ik bedoel het kan wel, maar…’
‘Dat snap ik heus wel, hoor.’
De jongen glimlacht. Stan huivert. Hij is knap. Maar echt knap. Hem wil hij geen pijn doen. De jongen leunt al naar hem toe en sluit zijn ogen. Hij voelt de voorzichtige greep op zijn bovenarm en sluit zijn ogen.
‘Is er wat?’
Pas als Stan zijn ogen opent, heeft hij het door. Hij voelt nu dat hij achterover buigt, al is het maar een beetje. Een duidelijke boodschap. De jongen grijnst nog steeds, misschien nog wel iets breder. Vragende ogen. Geen gehoor. Hij zucht, maar ironisch.
‘Sorry. Even opnieuw,’ zegt de jongen, zacht maar duidelijk hoorbaar. ‘Ik zou het heel fijn vinden als jij mij, deze jongen, vanavond wil zoenen. Ik hoop dat dat je wat lijkt.’
Stan reageert niet maar voelt zijn kaak iets ontspannen.
De jongen leunt weer naar voren. Niet weer. Ogen gesloten. Stan kan wegrennen. Of weer wegduiken. Net werkte het ook. Maar hij blijft staren. Hij wil vluchten, maar zijn ledematen komen niet van hun plek. De weerstand is te groot, als in een pot honing. Dus hij wacht. Tot hun lippen elkaar raken. Dan sluit ook Stan zijn ogen. Hun tongen leggen contact.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch