Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Tonnie Hooikaas

Door Ansjela Rommens

De ochtend hing nog stil boven het gazon toen Tonnie zijn auto voor het huis van Herbert parkeerde.

Tonnie zuchtte terwijl hij de sleutel uit het contact haalde. Even bleef hij zitten en keek naar de lege straat voor hem.

Al meer dan twintig jaar kwam hij elke zondagmiddag bij Herbert. Al meer dan twintig jaar waren ze samen lid van de lokale toneelvereniging en vertolkten ze de hoofdrollen in kluchten geschreven door een neef van Herbert. Elke zondag oefenden ze de gezamenlijke scenes en bespraken ze de voorbije week. Herbert was een van de weinige mensen die de smetvrees van Tonnie en zijn daaruit voortkomende angst voor haar als vanzelfsprekend beschouwde. Tonnie was een man die zeer bedreven was in een aantal zaken, waaronder het leggen van tapijt. Het perfect leggen van de hoeken vormde zijn specialiteit. Zijn gefundeerde angst voor haar bracht hem wel eens in een lastig parket als hij gevraagd werd hoogpolig tapijt op maat te snijden. Maar hij trotseerde zijn angst op een wijze die Herbert alleen maar kon bewonderen. Zijn angst voor haar ging zo ver dat hij haarloos door het leven ging. Als hij een enkele keer hoogpolig tapijt legde deed hij dit niet om zijn angst te overwinnen of te omarmen; hij ging er op een dergelijk moment simpelweg aan voorbij zonder zichzelf te verliezen. Elke ontbering versterkte de overtuiging van de gegrondheid van zijn angst.

Deze zondag was anders dan alle zondagen daarvoor. Deze zondag had Tonnie een envelop bij zich die hij nog niet had durven openen.

Tonnie opende het portier en stapte moeizaam uit. Hij was eerder die week gestruikeld toen hij een jongen achtervolgde die in zijn sanitair speciaalzaak een zeepdispenser had willen stelen.

Toen Tonnie het tuinpad opliep zag hij bij de buren grote blauwe plasticzakken in de voortuin liggen die gevuld leken met mensen. Herbert opende de deur voor Tonnie aan had kunnen bellen.

“Het lijken wel mensen in die zakken”, zei Tonnie.

“Daar zou je best eens gelijk in kunnen hebben”, antwoordde Herbert.

Binnen was het frisser dan buiten.

Herbert ging Tonnie voor naar de keuken waar hij bezig was met het draaien van balletjes gehakt. De vrouw van Herbert stond elke zaterdag op de markt met een kraam waar zij de door Herbert gedraaide balletjes verkocht. Tonnie wees naar een balletje dat niet rond was. Herbert pakte het balletje en hield het tussen duim en wijsvinger. “Een met liefde gerolde bal mag hoekig zijn”, zei hij.

Toen Tonnie en Herbert even later aan de keukentafel onder het genot van een kop zwarte koffie de scenes doornamen die ze wilden oefenen pakte Tonnie de envelop uit zijn binnenzak en legde deze voor Herbert op tafel.

Herbert haalde zijn zakmes uit zijn broekzak en sneed de envelop zorgvuldig open. Hij zette zijn leesbril op. “Weet je het zeker?” vroeg hij aan Tonnie terwijl hij hem over zijn leesbril aankeek. Tonnie knikte. Herbert schraapte zijn keel en begon te lezen.

Na ongeveer vijf minuten zette Herbert zijn leesbril af en legde deze naast de brief op tafel. Hij vouwde zijn handen voor zijn mond en keek in gedachten verzonken naar buiten. Toen draaide hij zich naar Tonnie.

“Dit is niet niks vriend”, zei hij.

“Dat dacht ik al”, zei Tonnie.

“Waar lijkt het op? Vroeg Tonnie

Herbert begon het verhaal te vertellen over de keer dat hij na een bijeenkomst in Tokyo over de toepasbaarheid van stelten drie dagen opgesloten had gezeten in een lift. Hij verkeerde in een gemêleerd gezelschap dat na het eerste half uur van intense spanning door het uitwisselen van ervaringen en het beantwoorden van levensvraagstukken zo dicht tot elkaar waren gekomen dat ze, toen ze na drie dagen bevrijd werden, overmand door verdriet afscheid van elkaar namen omdat ze beseften dat ze nooit meer zo dicht bij elkaar zouden zijn. Met de meesten sprak hij een keer per jaar af in een kleine ruimte om de ervaring levendig te houden. Zo hadden ze elkaar vorig jaar ontmoet in een openbaar toilet in Central Park.

Tonnie kende het verhaal zo goed dat hij soms dacht dat hij er zelf bij was geweest.

“Daar lijkt het op”, zei Herbert.

Tonnie legde zijn rechterhand op de brief en wreef er zacht over.

“Wat denk je?”, vroeg Herbert.

“Ik denk aan de zus die ik nooit heb gehad en waar ik nog altijd god op mijn blote knieën voor dank dat die mij bespaard is gebleven.”

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch