Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Tot geluk geschapen

Door Ellen Schat

Het loeien werd luider. Hendrik drukte zijn wijsvingers in zijn oren. Het deed een beetje zeer. De koe zwaaide haar kop wild heen en weer, haar zwarte ogen puilden uit. Dunne poep viel op de grond. ‘Rustig maar,’ suste Haffner de koe. ‘Ik zal je verlossen.’ Haffner zwaaide een hamer omhoog. Ja, zijn vader, meester vleeshouwer Haffner zou de klus wel klaren. Hendrik wilde kijken, maar zijn ogen sloten automatisch toen de hamer de kop raakte. Een doffe tik, dat was alles. Een hondje kefte verderop in de straat. Was de koe nu dood? Het was altijd in tien tellen gebeurd, had Haffner gezegd. Tien tellen, dat was te doen. Hendrik telde tot tien. Eén. Een dier doden was helemaal niet moeilijk. Twee. Hij zou het ook leren. Drie. En net zo goed worden als Michel, de andere zoon van Haffner. Vier. Dieren zijn voor de mensen geschapen. Vijf. En de mens voor geluk.
De poten van de koe schokten.
Zes.
‘Het mes Hendrik!’ schreeuwde Haffner.
Zijn taak, hij was zijn taak vergeten!
Hendrik pakte snel het mes van tafel, maar voordat hij het Haffner kon aangeven gooide de koe haar hele lichaam in de strijd. Een poot trapte. Michel werd opzij geworpen en viel.
‘Wel kolere, je doet het erom bastaard!’ schreeuwde Michel. 
Het beest loeide afgrijselijk.
Zeven.
Haffner sloeg een paar keer achter elkaar met volle kracht op de kop.
Acht.
Het loeien stopte.
Haffner liet de hamer op de grond vallen, griste het mes uit Hendriks hand, stak het in de hals van de koe en trok het opzij. Hendrik richtte zijn blik op het mes, dat hij een keer stiekem uit het blauwfluwelen etui had gehaald. Het was op die dinsdag geweest dat Haffner hen smeer had gebracht en hij en ma elkaar daarna zo te horen een beetje pijn deden in de bedstee. Achter het gordijn had Hendrik klaar gestaan om moe te helpen als ze weer zou kreunen. Hij was immers de man in huis. Plots hadden ze hem in de gaten gehad. Eerst lachten ze hard en toen had moeder gezegd: je vader en ik houden van elkaar. Vanaf toen wist hij dat hij niet alleen Gods kind was, maar ook Haffners kind.
Negen. Dik bloed gulpte uit de snee naar buiten. Daarna sproeide rood in het rond, alsof het al een hele tijd onder de bruine vacht was opgesloten en nu eindelijk vrij was was. De koe wiebelde op haar poten en zakte met een harde plof op de grond. Tien.
‘Je staat in de weg,’ zei Haffner, die met zijn mouw spetters bloed van zijn voorhoofd veegde.
‘Maar je zei dat ik mocht helpen!’ riep Hendrik.
‘Je hebt geen vleeshouwersbloed,’ zei Haffner. ‘Wegwezen.’
Hendrik keek naar beneden, er zat inderdaad geen spatje bloed op zijn kleren.
‘Vort bastaard,’ zei Michel.
Hendrik wilde zeggen dat hij de volgende keer wél klaar zou staan met het mes, maar hij was misselijk. Haffner hield de koeienkop scheef boven de emmer, terwijl Michel de huid bij de nek begon los te maken. Ze zetten tegelijk een lied in. Hendrik glipte de straat op.
Bastaard, had Michel gezegd. Altijd hetzelfde liedje. Hij schopte tegen een steentje. Schelden doet niet zeer, zei moe altijd, maar zijn moeder loog: het deed wél zeer. Waarom zei Haffner niet dat Michel daarmee moest kappen? Michel wist vast niet dat Haffner en hij laatst tekeningen van runderen en varkens hadden bekeken. Dat betekende toch ook iets? De vleessoorten stonden erbij geschreven: spek, ham, bief, noem maar op. Hendrik had ze uit zijn hoofd geleerd, lezen kon hij al een beetje. Tijdens moeders volgende dienst in de vleeshouwerij zou hij ze Haffner opsommen. Michel zou nog raar opkijken. 


‘Wat is dit?’ riep moeder vanuit de deuropening. ‘Jullie zijn niet uit de lucht gekomen en we kunnen niet van de lucht leven.’
‘De bestellingen gaan voor,’ zei Hendrik. Hij probeerde achter moeder te kijken.
‘Jaja, wijsneus.’ Ze ging pal voor hem staan. ‘Iedereen gaat altijd voor. Mevrouw moet zeker aansterken met een stuk vlees?’
Hendrik antwoordde niet. Hij wist dat hij op sommige vragen geen antwoord hoefde te geven.
‘Wanneer gaat dat mens nu eens dood?’, vroeg moe.
‘Ze is achteruit gegaan’, antwoordde Hendrik. Hij wist niet of het waar was, maar hijhad het Haffner laatst tegen een klant horen zeggen. Hendrik hoopte dat het moeder blij zou maken. Moeder lachte schel. ‘Ze is al stervende sinds Cato is geboren.’ Cato kwam op Hendrik aflopen. ‘Hendlik!’ riep ze. Ze kon de r niet goed zeggen, maar maakte al wel hele zinnen. Hij moest lachen, zijn kleine zusje was altijd blij om hem te zien.
Ik ben het zat’, zei moe. Meestal als moeder dat zei, werd ze boos. Nu ook.
‘Ik ga terug,’ probeerde Hendrik.
‘Spuug- en spuugzat.’ Moeder stak haar handen in de lucht.
‘Ik zal vlees halen,’ zei Hendrik.
Moeder aaide over zijn haar. Cato hing aan haar been. ‘En laat niet wegsturen door die akelige Michel.’

Het ritme van hakkende bijltjes werd luider toen Hendrik onder het uithangbord met een geschilderde lachende koe de werkplaats binnenliep. Op de plek waar een paar uur eerder de koe had staan loeien voor haar leven lag nu een opengewerkt karkas. Dat woord kende hij ook al: karkas. De vacht was bijna helemaal weg. Witte slijmerige slierten lagen in plassen bloed en poep. Hendrik haalde adem door zijn mond. Haffner zat op een krukje met zijn rug naar hem toe en sneed de staart af als was het een touw.
‘Die kan mooi in de soep,’ zei Hendrik.
Haffner hoorde hem niet.
‘Hier bastaard.’
Het was Michel. In een reflex ving Hendrik een glibberige lap vlees. De tong. Grijnzend hield Michel de koeienkop omhoog. Hendrik lachte, zodat Michel zijn schrik niet zou zien. In de doffe ogen van de koe was niets meer te zien. Een kriebeling in zijn nek. Hij greep het, het was de staart. ‘Als je de darmen uitspoelt, krijg je de staart mee,’ zei Haffner.
Hendrik duwde de staart weg, gooide de tong van zich af. ‘Een echt stuk vlees wil ik!’ Vlees zoals mevrouw Haffner kreeg, de teringlijdster die God maar niet kwam halen. Zijn buik was hard en vol van aardappelen. Twee keer per week soep van restjes vlees die ma meenam, een keer per week smeer van Haffner, meer was het niet. En dat terwijl Haffner meester vleeshouwer was. Kijk al dat heerlijke vlees! ‘Vaders geven hun zonen te eten! Dat heeft de dominee gezegd!’
Michel was in een wip bij Hendrik en duwde hem achterover. ‘Nu heb ik er genoeg van! Oprotten,’ schreeuwde Michel. Spetters vlogen uit zijn mond. ‘Brutale vlegel, je mag blij zijn dat je moeder hier kan werken, dat hij jullie…’
‘Laat hem met rust, het is nog een kind!’ schreeuwde Haffner. Michel draaide zich om naar zijn vader, die een kop groter was. Hendrik kwam overeind, zijn stuitje deed pijn.
‘En wie moet tegen moeder liegen als je weer eens langer wegblijft met bestellingen rondbrengen?’, riep Michel. ‘Wie moet haar geruststellen als ze geruchten hoort? Ze moest eens weten dat dat jong hier komt binnenlopen alsof…’
‘Genoeg!’ Michel hield zijn mond. En tegen Hendrik: ‘Ga naar huis. Dit was geen goed idee.’
Hendrik spuugde op straat zoals hij op de veemarkt eens een boze boer had zien doen.

Thuis werd moe boos op hem. Of misschien schold ze op pa. Hendrik wist het niet, want hij had zijn vingers in de oren. Cato huilde. Moeder ging de deur uit, dat hoorde hij wel. Er was geen eten. Hij nam Cato op schoot in de bedstee en wiegde haar. Ik ben een kind van God bemind, zong Hendrik. En tot geluk geschapen. Haar hoofd viel tegen zijn schouder. Toen Hendrik zijn ogen sloot zag hij de koe weer voor zich, met haar zwarte ogen. Hij hoorde weer haar bange loeien. Ik zal je verlossen. In gedachten sloeg hij de hamer op de koeienkop, en toen op Michels gezicht. Telde tot tien. Toen dacht hij aan mevrouw, die hij nog nooit had gezien, hij telde tot twintig. Het nare gevoel in zijn buik was weg, maar nu had hij honger. Hij had spijt dat hij alles weg had gesmeten. Als hij de darmen had schoongemaakt en staart en tong had meegenomen, was moe dan thuis gebleven? Zou ze dan niet zeggen dat ze zichzelf op een dag moest weggeven? Ik ben een kind van God bemind en tot geluk geschapen. Cato draaide zich om in haar slaap. Hij begon te bidden. Lieve Vader. Tranen kriebelden in de kuiltjes van zijn oren. Lieve Vader. Geef ons een stuk vlees. En zorg dat de buurtkinderen me niet meer uitschelden.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch