Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

.tot op het bot

Door Britt Libot

6.

Mama staat in mijn slaapkamer te schuimbekken met het bewijsmateriaal in haar handen. Papa staat achter haar te schuifelen – een trieste, lichtelijk gegeneerde blik in zijn ogen. Hij probeert zijn ogen te laten rusten op een neutraal voorwerp, maar falend schieten ze onrustig alle kanten uit. Zijn jongste, zijn enige, werd immers op het matje geroepen door vrouwlief – en krijgt momenteel flink de wind van voren.

Ik ben alleen thuis, want ik ben…

“…wel al 6 jaar, he, seg. ’t Is wel goed geweest zeker, met al die babysits!”

Dus, vanaf nu groot genoeg om alleen te zitten. Ik dwaal van kamer naar kamer – en hou aarzelend en met wild kloppend hart halt voor de lange, smalle bruine kast. Mijn buikje gromt en ik grom mee. Honger. Geen honger omdat ik moet eten – maar een honger naar alles wat ik eigenlijk niet mag. Buiten adem sta ik te trappelen voor de kast. De kast die ik niet open mag doen. Maar ik ga gewoon kijken, ik zweer het. Gewoon kijken. Echt waar, beloofd! Ik trek de kast open en verlekker me op de inhoud. Koeken van Mama. Nootjes van Mama. Chips van Mama. Ik vind meteen wat ik stiekem, heel stiekem, al aan het zoeken was: de verpakkingen die al opengescheurd zijn door Mama’s grijpgrage, perfect gemanicuurde vingers. Ik spot in enkele tellen wat ik, hopelijk, ongemerkt kan wegsnaaien. Het water loopt me in de mond en mijn hart slaat in mijn keel. Ik neem een pak Snickers, want daar zitten er nog dertien in. Dat zijn er nog genoeg in, toch? Eén reepje minder zal zeker niet opvallen… Toch? Mijn hart klopt echt heel snel en ik ben een beetje misselijk omdat ik het heel spannend vind. Wanneer ik mijn buit wil nemen, knispert de verpakking boordevol chocoladezoete beloftes en ik kan haast niet wachten. Oké. ‘k Ga het doen. Ik doe het! Heel traag neem ik een Snickers uit de verpakking en probeer de rest zo weinig mogelijk aan te raken. Zo kan er zeker geen kreukje in komen dat daar eerst niet was… Mama ziet alles. Voorzichtig leg ik het pak terug – exact op de plek waar het lag en – sshht! De deur beneden gaat open. Oh nee. En weer dicht. Paniek. Ik hoor sleutels en schoenen en – neen. Niet Mama. Mama heeft altijd hakken aan. Oef. Ik sluit de kast muisstil – gewoonte – en vlucht met mijn gestolen Snickers naar mijn slaapkamer. Onder de dekens, geniet ik van mijn verboden snoepje – voorzichtig, zo voorzichtig, zodat er nergens een kruimeltje koek te vinden valt. Wanneer de laatste hap chocolade, karamel en pinda door mijn keel glijdt, knort mijn buik tevreden. Ik kruip onder de dekens vandaan, poets mijn tanden drie keer en eindig met een groot glas sinaasappelsap – zodat Mama de chocolade hopelijk niet meer kan ruiken wanneer ze mijn adem checkt. De wikkel van de reep verstop ik in mijn kleerkast, bij al de rest. Niemand zal het ooit weten.

“Wat hebt ge hierop te zeggen?! Dief!”, spuwt Mama. Ze haalt de wikkels tergend langzaam, een voor een uit mijn kast – en laat ze vervolgens weer op de grond vallen. Voor haar voeten vormt zich een beschuldigend stapeltje afval – restanten van gestolen hapjes, waarvan ik weet dat ik ze niet mag eten. Tenzij ik dik wil worden.

“Ge wéét goed genoeg dat dit snoep niet voor u is. En ge weet dat ik dit alleen maar voor u doe, is ’t niet waar? Ik wil niet dat ge dik wordt, zoals mama. Of wilt ge dat zelf wel, misschien? Ge zijt in ieder geval al goed op weg, op deze manier! Wij hebben het eten uit onze mond gespaard voor u hé, moest ge dat vergeten zijn! Kunt ge dan niet meer STELEN van uw bloedeigen ouders, ja?”

Ik knik berouwvol, want ik weet dat ik Mama wééral pijn heb gedaan door te stelen. Want het snoep uit de kast, dat is alleen voor flinke mensen die snoep verdienen. Niet voor mij. Nooit voor mij. Ik weet het wel. Maar het is zo lekker…

“Dat zijn…” Haar scherpe nagel wijst genadeloos elk papiertje aan, terwijl ze ze een voor een telt. Ze hoeft ze niet te tellen – ik weet goed genoeg hoeveel het er zijn. 23.

“23 strafpunten”, zet ze haar monoloog verder met ijskoude, stalen stem.

En dan, de genadeslag.

“23 strafpunten voor de dochter waarvoor ik alles zou doen, maar zij duidelijk niet voor mij. Het is duidelijk dat ik iemand graag zie die mij enkel als afval behandelt. Ik hoop dat ge weer blij zijt, Dupont’ken. Ge hebt het weer gedaan. Ge hebt uw moeder weer ongelukkig gekregen. Proficiat.”

Mijn blik blijft rusten op de stapel papiertjes en mijn hart davert en ik voel mijn lip trillen en mijn ogen prikken. Maar ik mag niet wenen. Ik mag niet wenen. Niet wenen. Nooit.

9.

“Schatteke”, zegt mijn oma met een warme blik in haar oplettende ogen. Ze legt haar benige, zongebruinde hand op mijn mollig, negenjarig polsje. Ik kijk benieuwd naar haar op, terwijl mijn ijsje met discobolletjes zich verwachtingsvol een weg naar beneden lekt op mijn hand.

“Schatteke”, herhaalt ze. “Is ’t lekker?”

Ik knik zo enthousiast dat mijn lange, vuilblonde haren gelukkig meedansen. Mijn oma is de liefste.

“Vergeet ge wel niet, wat oma altijd zegt?”, zegt ze met een zuinige glimlach rond haar felgekleurde lippen. “Want ge weet het hé… Elk pondje gaat door het mondje. En ’t is niet alsof ge nu al veel reserve hebt, nietwaar? Alé… Of misschien net een beetje te veel!”

Ze kakelt vrolijk met haar eigen mopje, haalt vriendelijk een harde hand door het vogelnest op mijn hoofd en veegt een zwarte streep op mijn wang weg. Ze kijkt verwachtingsvol op me neer. Ik knik gehoorzaam en kijk vervolgens naar mijn ijsje en weer naar haar. Ze blijft me bestuderen met verwachting in haar uitdrukking, haar wenkbrauwen lichtelijk opgeheven – haar mond in haast onmerkbare afkeuring getuit.

“Oma?”, krijg ik over mijn lippen – de lippen die zo naar koele vanille en gekleurde suiker verlangen, want ik heb nog maar een paar likjes van mijn ijsje kunnen doen. “Ik heb… al genoeg?”, concludeer ik, liegend. Mijn boodschap krijgt een vragende toon op het eind, maar dat lijkt oma niet te merken. Of ik goed lieg, dat is niet belangrijk. Het is dàt ik lieg, dat telt. Haar gezicht licht op in een soort van mengelmoes van woeste trots en droeve voldoening. Zachtjes maakt ze het plakkerige hoorntje los uit mijn houdgreep – en gooit het achteloos weg in de dichtstbijzijnde vuilbak.

“Ge zijt een knap kind, Lizeke”, fluistert ze in mijn oor, terwijl ze al hurkend mijn handen en gezicht poetst – alle eventuele achtergebleven restanten van het ijs elimineert. “Ge kunt er niet aan doen dat ge dik zijt – da’s allemaal uw moeder haar schuld -, maar een goed dieet – dat zal al veel doen. Dan bent ge net zo schoon als al die vriendinnetjes van u! En wanneer ge mager bent, kunt ge ook die lange haren afknippen”, eindigt ze, met een lichtelijk venijnige trek aan mijn uiteinden. “Lange haren verbergen uw gewicht niet, dat weet ge toch?”

Wanneer mijn oma mij thuis afzet, is er niemand thuis.

Ik verstop me in de hoek van de eetkamer, in gezelschap van de scherpe schaar die ik in de keuken gevonden heb.

Ik neem mijn lange, lange lokken vast en knip ze allemaal af. Tot net onder mijn oren. Het bewijs gooi ik achter de kast.

Stap 1.

3 reacties

Kris Verhaert

donderdag, 21:17

wauw britt!!! hoe levendig en pakkend je schrijft het is alsof ik er bij ben

Michaël

woensdag, 18:53

Heel mooi geschreven, en geeft mooi weer hoe ouderen niet altijd beseffen welke impact hun woorden hebben op jonge kinderen!

Kurt

dinsdag, 11:10

Zeer vlot geschreven en aangenaam om te lezen…

0 Fictie

Rauwe pijn

Sahar Noor

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam