Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Tuimelaartje

Door Natasja Kraijer

Tuimelaartje

Er waren momenten dat ik me zo onstabiel voelde, dat ik dacht te zullen omvallen om werkelijk nooit meer op te staan.

Ik bleek een tuimelaartje te zijn.

Waar ik eerder lange, monogame relaties had gehad, startte ik nu een en ander op zonder iets te beëindigen. Ik bleef maar starten. De accu brandde op. Het proces liet me duizelen in mijn kop.

Farce op farce was het allemaal, en ik de joker.

Lijnen uitgooiend voor een bredere vangst. Hele netten werden het, en fuiken. Geen kipjes, maar visjes en ze zwommen er allemaal in. Ik vertelde ze over elkaar, maar niemand zwom weg. Ze waren elkaars aas. Ik hoopte op een hele grote vis, maar die liet zich niet vangen, niet eens zien.

Ik hoefde geen gevoelsband meer en wilde verdoven. Aangezien ik niet veel dronk en ik niet aan drugs deed, stortte ik me in ander leed.

Dus ik pakte in al mijn zwakte.

Stoer sprak ik veel vissen in de grote zee en dan lachte iedereen met me mee, maar in de spiegel zag ik de dofheid in mijn ogen. Het opdrogen, van tranen en de put, waar ik al een tijdje inzat.

Uitzitten, hoe kon ik anders dan dat.

Ontvangst van zovelen, zonder echt open te staan. Uit compassie liet ik ze uiteindelijk toch maar gaan. Lijnen doorknippend. Touwtjes in eigen handen, de anderen die ik verbrandde.

Ik zat in een achtbaan en de karretjes denderden maar voort.

Elke dag balanceerde ik op een hevig heen en weer deinend koord.

Ik probeerde te mediteren en te sporten, maar hield het niet vol. In weinig dingen zag ik nog de lol.

De voortdurende wens om te slapen en eenmaal in bed dat de nacht snel voorbij zou gaan. Uren ronddraaiend.

Uiteindelijk begon ik te schilderen. Beelden kwamen eruit die ik nu eindelijk aankeek, waar ik eerder bijna aan bezweek.

Doeken vol. Alles stapelde ik op in een hoek van mijn kamer. Een opstapeling van.

Het waren vissen die aan haken spartelden met hun bekken open, happend naar lucht.

Zoute druppels vielen van hun schubben en rolden uit mijn ogen. Eerder zo huilen had ik nooit van mezelf gemogen, maar het moest. En eindelijk, eindelijk hield het jachtdier in mij zich koest.

In de verte zwom iets moois me tegemoet en ik kreeg eindelijk weer oprechte liefdesmoed.

Natasja Kraijer

geen reacties
0 Fictie

Rauwe pijn

Sahar Noor

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam