Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Turdus Merula

Door Nancy Bastiaans- Lommen

Mijn vrouw roept dat ik naar binnen moet komen. In het riet wenken mijn kameraden.
Ik klop mijn sigaretten uit het pakje, trek er één uit en tik de tabak strak op mijn hand. Uit mijn jaszak vis ik mijn Zippo; gekregen van Ed.
Haar zachte stem klinkt in de verte. ‘Kom naar binnen, lief, er is daar niets.’
Rook? Shit, ik kruip over de grond naar mijn maten. Ed ligt roerloos aan de waterkant. De rest ligt verderop verspreid, houdt zich dood. Ik glij het water in en laat me drijven. Ed knipoogt naar me. Geritsel, stemmen, ik hef mijn hoofd een beetje. Lenig buigt die bangsat zich over mijn maat. Ed rochelt, het water kleurt rood. Overal gekrijs. Twee, drie … nog een. Met mijn ogen dichtgeknepen wacht ik op mijn dood. Nee, ik moet ze helpen. Op mijn ellebogen kruip ik op het droge en verschuil me achter zijn lijf. Ze slepen met iemand. Ik kan niet zien wie het is. ‘Het komt goed, Ed. Ik help je.’

Tuinaarde stuift op, valt op de grond en in de vijver. De weerspiegeling van de merel rimpelt. Ik probeer me uit mijn vrouws beklemming te wiegen en moedig over haar schouder de vogel aan.
‘Het is lente, ze zal jongen hebben of is het een hij?’
‘Rustig lieverd, je bent thuis,’ fluistert mijn vrouw.
‘Ja, dat weet ik toch. Hoe laat is het eigenlijk?’
‘Tegen twaalven, schat.’
Huilt ze?
Bij de volgende pik kronkelt een regenworm tussen zijn snavel.

‘Smeerlap.’ Ik sla hem neer, strompel naar de boom en zak voor mijn ontmande vriend op mijn knieën. ‘Rustig maar, ik snij je handen los, haal je weg hier. Eerst een touw strak om je middel. Ja, dat zal het bloeden stelpen. Stil maar. We zijn niet ver van de kampong. Godverdomme wat hebben die hufters aangericht. Ed, zeg dan wat.’ Als ik opkijk, zie ik dat zijn afgereten lichaamsdeel in zijn mond zit gepropt. Zijn lijf schokt, trilt en verslapt.
‘Ik snij je republikeins hart aan gort, smerige babi.’ Mijn schreeuw breekt van de rook die op mijn adem slaat. Een sigaret glijdt uit mijn vingers. De merel vliegt weg, verdwijnt tussen takken.
‘Hou op, lief, alsjeblieft,’ roept mijn vrouw, dan fluistert ze: ‘Je raaskalde schat, alweer en kijk.’ Ze wijst naar de riem van mijn badjas, die om haar middel is geknoopt.

Ze bijt op haar onderlip. Dat doet ze als ze boos of verdrietig is. Ik gok op beide. Vaag herinner ik me dat ze me probeerde te sussen. Zoals ook nu aan het bed.
‘Waar ben ik eigenlijk?’
Door de klamboe heen zie ik een man naar het raam schuifelen. Hij sluit de luiken en komt naast me staan. Sabar, ben jij het?’
Met twee handen bevoelt hij zijn topi, vouwt zijn handen voor zijn kruis en knikt.
Woedend ben ik. Het is hun land, mijn dienstplicht. Ik kwam om de gewonden te verzorgen en nu lig ik hier. Wacht eens even. Sabar, was hij niet …? Heeft hij ons verraden? Ik wil hem vragen hoe hij mij gevonden heeft, maar ik ben bang voor de waarheid. Hij gaf mij zijn vertrouwen door mij zijn kris, zijn pusaka te schenken. Hij gaf het mij met de voorzichtigheid van een moeder die haar baby in andermans armen legt.
Mijn ogen schieten over mijn bed. Geen bloed of bandages.

De zon prikkelt mijn neus. Ze zit met een betraand gezicht naast me, met haar vingertoppen streelt ze mijn hand. Ik pak haar pols vast. ‘Schat, weet je waar de kist is. Je weet wel die met de foto’s van Indonesië?’
‘Vind je het echt een goed idee om die nú te bekijken? Ze wrikt zich los en loopt weg.

Ik snij de touwen door. Zijn rug schuurt langs de boom, Ed valt zijwaarts. Mijn maag verkrampt en speeksel vult mijn mond. Behalve wat gal komt er niets uit. Mijn ogen branden. Een tjitjak kruipt op de neus van mijn schoen. Waarom hoor ik geen vogels in dit verdomde land. Tussen het geritsel van de bladeren door, hoor ik gekuch. Sabar?

Ik moet even zijn weggedommeld. Ze heeft de kist gehaald en ik pak deze van het nachtkastje. Onder de stapels foto’s van de kampong en mijn kameraden pak ik de kris die ik van Sabar kreeg. De punt van het golvende mes zet ik tegen mijn buik.
Op de vensterbank zit een merel met een takje in zijn snavel. De ‘Turdus Merula’. Hij vliegt weg. ‘Wacht Ed, ik kom.’

13 reacties

Nancy Bastiaans- Lommen

Auteur maandag, 16:25

Dankjewel Lucia 🙂

Lucia Bartels

maandag, 16:14

Intrigerend verhaal Nancy. kippenvel!

Nancy Bastiaans- Lommen

Auteur vrijdag, 11:49

Dankjewel Ton, wat een fijn compliment

Ton Badhemd

donderdag, 21:56

Heftig, Nancy! Ademloos gelezen, chapeau!

Nancy Bastiaans- Lommen

Auteur vrijdag, 21:20

Yvonne, bloos in het kwadraat. Dankjewel

Yvonne Schoolderman

vrijdag, 20:57

Heftig verhaal, dat erg binnenkomt. Dat komt vooral of eigenlijk alleen omdat het supergoed is geschreven.

Nancy Bastiaans- Lommen

Auteur vrijdag, 20:32

Dankjewel Annette, wat een fijne reactie. Heel blij mee.

Annette

vrijdag, 20:20

Mooi en indringend verhaal. Heel goed gedaan!

Nancy Bastiaans- Lommen

Auteur vrijdag, 19:49

Wauw Monique wat een gave reactie. Ik bloos me rot

Monique de Rooij

vrijdag, 19:30

Oh wat verwoord je de hel in deze man zijn hoofd knap. Indringend, zonder melodrama, maar juist daardoor zo verschrikkelijk dramatisch. Tranen in mijn ogen en een brok in mijn keel.

Nancy Bastiaans- Lommen

Auteur vrijdag, 16:11

Dank jullie wel, Corine en Mechtilde voor jullie fijne reacties.

Mechtilde

vrijdag, 14:54

Iedere keer weer verras jij aangenaam door de manier waarop je in de huid van je personages weet te kruipen en mij als lezer daarin meeneemt. Chapeau!

Corine Binnekamp

vrijdag, 14:46

Doordat je mij als lezer in de gedachten van de hoofdpersoon laat kruipen, leef ik mee. Heel sterk hoe je zijn verwarring beschrijft en de oorlog die zo’n vernietigende werking op hem heeft.

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch