Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Undine

Door Melani Reumers

Echt een hekel aan mensen had ze niet. Maar ze voegden ook niets toe aan haar leven, niets positiefs tenminste.

Op haar opleiding waren het klasgenoten en docenten die haar niet met rust lieten, altijd haar mening wilden weten, of een antwoord op hun vragen verwachtten. En als ze in de pauze in de kantine of op het grote plein afzondering zocht, was er altijd wel iemand die medelijden met haar leek te hebben en probeerde haar over te halen zich bij de groep aan te sluiten. Groep. Wat haatte ze dat woord.

Thuis vroeg haar moeder tot vervelens toe hoe het ging, leek zich voortdurend zorgen om haar te maken. Waarom nodig je niet eens een vriendin uit? vroeg ze dan. Of ook: waarom ga je niet gezellig iets met je broer doen? Gezellig, nog zo’n woord. Ze had geen vrienden. Ook geen behoefte aan, zelfs niet aan gezelschap. De mens is een sociaal wezen, werd er altijd gezegd. Misschien moest ze tot de conclusie komen dat zij dan geen mens was. Wat dan wel, wist ze ook niet.

In de krant las ze wel eens over een lone wolf, vooral als er weer een terroristische aanslag was gepleegd die de wereld schokte. Zij kon wel begrip opbrengen voor die eenzame wolven die zich terugtrokken uit de bewoonde wereld en overleefden in een houten huisje in een donker bos, al stuitte het geweld dat ze gebruikten ook haar tegen de borst. Zij was een eenzame wolf zonder tanden, zonder enige neiging om anderen pijn te doen, of om haar wil aan de wereld op te leggen, al was het maar voor even. Zonder honger ook, afgezien van de knagende behoefte om alleen te zijn. Wat zij wilde, ging niemand wat aan.

Vaak trok ze er met de fiets op uit, vooral op zonnige dagen. In eerste instantie voelde dat als een bevrijding, vooral wanneer ze de drukte van de stad eenmaal achter zich had gelaten. Maar echt alleen was ze nooit. Haar schaduw fietste altijd mee, was onlosmakelijk met haar verbonden. Niet dat ze die lelijk vond, in het geheel niet, maar ze wilde alleen zijn, helemaal alleen, zonder die duistere metgezel die haar overal volgde. Die gaf haar het idee dat er altijd iemand over haar schouder meekeek. Dat was het enige voordeel van grauwe dagen, pas dan kon ze echt alleen zijn. Maar ze was nu eenmaal een zonnekind, daar kon ze niets aan veranderen. Het lukte haar niet om gelukkig te zijn op grauwe dagen, hoe hard ze het ook probeerde.

In zwembad De Kromme Rijn zag ze het voor het eerst. Terwijl ze op een stralende dag haar baantjes trok in het vijftigmeterbad, zwom haar schaduw op de bodem met haar mee. Los van haar! Prompt raakte ze met haar ademhaling in de knoop en kreeg water binnen. Proestend bereikte ze de kant. Met één hand aan het startblok en haar voeten op de richel keek ze naar beneden. Die eeuwige schaduw had weer aansluiting gevonden. Maar nu had ze in elk geval ontdekt hoe ze haar metgezel op afstand kon houden. Ze was zo opgewonden dat het geen zin had om verder te zwemmen; haar ademhaling zou ze niet meer onder controle krijgen.

Ook al koos ze de rustige uren uit, in het zwembad waren altijd anderen, veel te veel anderen. Ze kon er zich weliswaar bevrijden van haar schaduw, maar was nog lang niet alleen. Open water, dat was de oplossing.

De strandjes van de Maarsseveense Plassen lagen op mooie dagen vol, maar de meeste zwemmers bleven angstvallig dicht bij de kant, bij het geruststellend wuivende riet. Daar snapte ze niets van. Als je kon zwemmen, maakte het toch niet uit dat het meer dan dertig meter diep was? De angst van de baders kwam haar goed uit; na een paar stevige slagen had ze het gevoel helemaal alleen in die grote plas te zwemmen. Het water was groenig, troebel, op mooie dagen schoten de zonnestralen erdoorheen.

Ze zwom naakt en genoot van de strelingen van het water over haar lichaam. Zodra ze een paar slagen had gedaan, raakte ze alles kwijt, alle gedachten die normaal gesproken onophoudelijk door haar hoofd flitsten. Het enige wat nog telde, was de volgende slag, de volgende ademhaling.

De eerste keer had ze het niet eens door, zo ging ze op in haar nieuw ontdekte habitat. De tweede keer zag ze het, ze kon wel schreeuwen van blijdschap. Haar schaduw was ook zo’n angsthaas die bij de oever achterbleef, daar waar je de rietvoorntjes over de bodem zag schieten. Als zij uitgeput terugkeerde naar de kant en de laatste meters door het water waadde, voegde haar volledig uitgeruste schaduw zich weer bij haar.

Steeds langer bleef ze in het water. Ze zwom en zwom en zolang ze zwom was ze gelukkig. Dat geluk niet eindeloos kon duren, was iets dat ze niet wilde accepteren. En dus zwom ze door. Haar lichaam protesteerde. Haar vingers en haar voeten waren gerimpeld als ze het water uitkwam, ze lachte erom. Onderkoeling, duizeligheid, een waas voor haar ogen, verlies van fijne motoriek; niets woog op tegen het gelukzalige gevoel helemaal alleen te zijn, los van alles en iedereen.

Ze wist best dat ze daarin afweek van het overgrote deel van de mensheid. Ook wist ze dat mensen soms in therapie gingen om te leren loslaten, na een stukgelopen liefde, na de dood van een dierbare, of simpelweg als een langgekoesterde droom afketste op de realiteit. Voor haar was loslaten net zo vanzelfsprekend als ademhalen, net zo noodzakelijk. En zoals je naar adem kunt snakken, snakte zij naar een nog onthechter bestaan, waarin ze definitief los van haar schaduw zou komen.

De plas werd te klein voor haar, puur omdat hij begrensd werd door oevers, door strandjes, door bos, door al die plekken waar haar schaduw haar opwachtte. Ze verlangde naar de zee, naar een einder waar nog steeds alleen maar water was.

In de trein dacht ze aan iets wat ze ooit had gelezen. Dat er mensen zijn die zelfmoord plegen door in zee te zwemmen, door net zolang door te zwemmen totdat ze weten dat ze te vermoeid zijn om het hele eind terug nog te halen. Tot dat ene punt, die ene beslissende slag, waarna ze de kracht niet meer hebben om de wal te bereiken. Haar ging het om iets anders. Het verlangen naar eeuwigdurende eenzaamheid. Ze keek niet uit naar de dood, al zag ze er evenmin tegen op. Een bijkomstigheid, meer was het niet. Ze had vaak aan dat boek moeten denken, ook aan het omslag, waarop een vrouw in groenig, troebel water haar armen naar voren strekt.

Vanuit het station van Zandvoort liep ze zo snel mogelijk naar het strand. Zee, zo ver als ze kon kijken. Ze dwong zichzelf net zo lang door te lopen tot de mensen verdwenen waren, tot ze hooguit nog een enkeling zag die zijn hond en zichzelf liet uitwaaien. Haastig trok ze haar kleren uit en legde ze op het zand, in haar schaduw. Nog enkele tientallen meters, dan zou ze daarvan verlost zijn.

Het was een stralende dag aan het eind van september, fris voor de tijd van het jaar. Met grote stappen waadde ze door het water, tot het diep genoeg was om voorover te duiken. De aanblik van haar schaduw sterkte haar. Dit werd de dag van haar leven. Het zeewater was wel troebel, maar niet groenig en hoewel het een kalme dag was, stond er toch enige golfslag. Ze genoot ervan om mee te bewegen met de golven, al duurde het even voor ze de juiste techniek te pakken had. Op haar lippen proefde ze het zout.

Ze zwom en zwom en zwom. De maanden van dagelijkse urenlange training in de Maarsseveense Plassen wierpen hun vruchten af. Haar gespierde armen doorkliefden het water, ze voelde zich sterker dan ooit. Ze zwom en was gelukkig. De Engelse kust zou ze niet halen, dat wist ze, maar daar had ze ook niet de minste behoefte aan. Daar zou haar schaduw weer verschijnen, dan was het feest ten einde.

Ze zwom en zwom en zwom. Haar bovenarmen raakten vermoeid, haar benen bewoog ze amper meer om energie te sparen, maar ze peinsde niet over opgeven of terugkeren. Ze kreeg dorst, ze kreeg het koud. Ze werd duizelig, begon steeds slechter te zien. Wat maakte het uit, haar koers was helder.

Na een misslag kreeg ze een plens zeewater binnen. Haar hele lichaam deed pijn en het werd steeds moeilijker om het spel van de golven mee te spelen. Ze werden ook hoger nu. Ze had dorst, onbeschrijflijke dorst. Een golf overspoelde haar.

Ze zwom en zwom en zwom. Een wereld van kleuren trok voorbij aan haar geestesoog. Buitenissige vormen ook, die naadloos in elkaar overgingen. Het was alsof ze naar een abstracte film keek die alleen voor haar werd afgespeeld.

Ze zwom en zwom en zwom.

En liet los.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch