Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Meer weten?

Sluiten

Universum

Door Hannah Mathkor

De ober plaatste een vierkant bord voor haar neus. Ze keek naar het eten; gnocchi in een dikke kaassaus, met stukjes champignon zo te zien. Had ze dit echt besteld? Zachtjes prikte ze in een balletje met de punt van haar mes.

Het restaurant was vol. Lachende mensen die opgingen in elkaars gezelschap. Ze hadden niet door dat iemand ze bestudeerde, hun vrolijkheid probeerde te ontrafelen, vanuit een bubbel onder water. Als kind zwom ze vaak veel te ver in zee zodat de stroming haar op een compleet andere plek terugbracht. Éen keer was ze zo ver weggedreven dat ze, eenmaal terug op het strand, geen enkel herkenningspunt meer had. In paniek zocht ze haar moeder, het blauwe badlaken waar ze op zaten, de blote borsten van hun buurvrouw. Maar ze zag alleen maar vreemde hoofden en lichamen. Een strandwachter vond haar huilend in het zand en nam haar mee naar zijn post. Het gevoel was ze nooit vergeten; dat de wereld die zij kende bruut afbrokkelde, haar in de steek liet, terwijl alle mensen om haar heen rustig doorleefden.

Het was een gevoel waar ze de laatste weken vaak aan terugdacht. Of nee, ze dacht er niet aan terug, ze leefde het, elke dag een stukje meer. Wanneer ze op straat liep, vermeed ze de blikken van voorbijgangers, bang dat ze haar konden lezen. Maar vooral bang voor wat zij dacht te zien in hun ogen; het gebrek aan dit gevoel. Steeds vaker zegde ze afspraken af, met uiteenlopende smoesjes. Maar deze avond niet. Het had heel wat ‘logistiek denkwerk’ gekost om hen allemaal bij elkaar te krijgen. De stemmen van haar oude klasgenoten vervormden en liepen in elkaar over. Soms kon ze geen onderscheid maken tussen wat zij zeiden en de andere geluiden in het restaurant. Dan knikte ze, lachte en bewoog wat. Het ging haar goed af, te goed eigenlijk.

De week daarop kwam haar moeder langs en vond haar huilend in bed tussen de lege etensverpakkingen. Zij regelde een afspraak bij een psycholoog. Op de bewuste ochtend trok ze de laatste schone kleren die ze vond aan. De psycholoog was een man met een nasale stem. Hij vroeg van alles en had het over ‘somberheid’ en ‘regelmaat’, woorden die haar hoofd nog leger verlieten dan toen ze erin gingen.

Elke dinsdag om half tien zat ze in zijn wachtkamer. En elke dinsdag om vijf over halftien kwam hij haar ophalen. Zwijgend liepen ze de drie trappen naar zijn werkkamer op, hij voor, zij op gepaste afstand. “Wat een hagelbui hè, gister?” zei ze een keer. “Ja,” zei hij, “bijna on-Nederlands.” Terwijl ze naar de versleten zitvlakken van zijn broek keek, telde ze in haar hoofd. 1580, 1680, 1780, 1980, 2080. Altijd vier cijfers. Dat was goed, veilig.

’s Nachts sliep ze onrustig. Ze schommelde tussen slaap en waak, lag soms uren wakker. Dan krabde ze met een kapotte haarspeld de verf van haar slaapkamermuur. Het gaf haar voldoening om te zien hoe haar muur langzaam veranderde, ontdaan van de kleur waar zij ooit voor had gekozen.

Eén nacht klapte ze haar laptop open en begon ze mailtjes te sturen aan willekeurige mensen. Ze typte e-mailadressen in als 12345@hotmail.com en blauweroos@gmail.com. Het waren geen lange mailtjes, er stonden alleen een paar vragen in. “Wat is geluk?” of “Ben je ooit verdwaald in je eigen huis?”

Overdag probeerde ze de structuur te vinden waar haar psycholoog het altijd over had. Ze ging naar college en sprak weer met vrienden af. Steeds vaker benoemde ze wat ze aan het doen was. Eten, lopen. Lachen, fietsen. Links, rechts. Terwijl ze de afwas deed en de aangekoekte eierplak uit haar pannetje schrobde, dacht ze: dit is een kraan. Er komt water uit. Alsof ze zo kon bevestigen dat alles om haar hen echt gebeurde, dat zíj echt gebeurde.

De gesprekken met haar psycholoog werden monotoner, de nachtelijke e-mailsessies werden langer. Hoewel ze zelden een reactie kreeg – los van een enkele grap of vraag om haar telefoonnummer – kon ze het niet laten. Het gaf haar een machtig gevoel; alleen, op haar bed, talloze vragen de wereld insturen.

Op een ochtend had ze een mailtje terug van iemand. Zij had geschreven: “Denk je weleens dat onze dromen eigenlijk de realiteit zijn en het leven dat we overdag leiden dus niet bestaat?” De reactie bevatte één korte vraag: “Zou dat iets uitmaken?”
Ze peinsde over een antwoord en schreef daarna: “Ja, voor mij wel. Dat zou namelijk betekenen dat ik wel echt leef. Als mijn dromen werkelijkheid zijn, leef ik tientallen levens tegelijk in plaats van eentje amper.” Dat was het begin van hun uitwisseling.

De volgende sessie bij haar psycholoog verliep moeizaam, haar gedachten stroperig.
“Hoe slaap je de laatste tijd?” vroeg hij na een half uur.
Ze keek naar de doos tissues op de salontafel tussen hen in, pakte het ding beet en gooide het door de kamer. Het kwam terecht in de plant in de hoek, waarvan ze zich altijd afvroeg of hij nep was.
“Waarom deed je dat?” vroeg hij.
Ze stond op, liep naar de plant en scheurde een blaadje af. Toch echt.
“Ik wilde weten of dit echt is,” zei ze. Het blaadje verfrommelde ze tussen haar handpalmen.
“Of wat echt is?”
Ze liet haar handen zien, een beetje groen van de plantenvezels.
“Dit,” zei ze. “Hier, dit.” Ze sloeg met haar hand tegen de muur. “Alles.”
Hij liep naar haar toe. Aan de andere kant van de plant bleef hij staan, wreef met zijn vingers over de muur.
“Niet zo lang geleden geschilderd,” zei hij. “Ik wilde het lichtblauw hebben. Maar dat vonden mijn collega’s geen goed idee. Niet neutraal genoeg, zeiden ze.”
Ze vouwde haar armen over elkaar, ongemakkelijk door de plotselinge nabijheid van deze man, die ze elke week zag maar nooit iets over zichzelf vertelde.
“Ik begrijp dat je gefrustreerd bent,” zei hij toen. “Dat het voelt alsof er geen beweging in zit. Maar het feit dat je hier elke week komt, is al beweging.”

Tijd sprong om haar heen, vertraagde en versnelde, om haar te pesten leek het wel. Het enige wat haar dreef was de e-mailconversatie met de onbekende. Zijn – ze stelde zich voor dat het een man was, hoewel ze daar weinig aanleiding voor had – laatste mail was bijna twee kantjes lang. Hij kon mooi schrijven, vond ze. De allermooiste zin die ze tegenkwam was: “Soms zou ik willen dat er een verstoring in het universum plaatsvond, een overwoekerende chaos, zodat mijn hoofd meer zou passen bij de wereld om me heen.” Het was niet zozeer de aaneenrijging van woorden, maar meer het gevoel dat ze opriepen. Een gevoel dat ze haar leven lang bij zich had gedragen, als een lege, versleten rugzak, maar dat ze nooit zo treffend had kunnen vatten. Ze las de zin meerdere keren hardop voor, om ‘m zich eigen te maken.

Die dinsdagochtend fietste ze naar haar psycholoog, de lucht zwaar in haar longen. Toen ze eenmaal tegenover hem zat, besloot ze nu eens helemaal niets te zeggen. Niet te proberen stukjes van antwoorden te verzamelen op vragen die er niet toe deden. Hij schuifelde in zijn stoel en sloeg zijn benen over elkaar. Het abstracte schilderij achter zijn hoofd kon ze inmiddels dromen.
“Hoe ging het de afgelopen week?” vroeg hij tenslotte.
Ze haalde haar schouders op, keek hem niet aan.
“Wil je er niet over praten?”
Vanuit haar ooghoek zag ze zijn gebruinde gezicht. Hij boog zich wat verder naar haar toe.
“Wat zou je wél willen?”
Ze sloot haar ogen en zei: “Soms zou ik willen dat er een verstoring in het universum plaatsvond, een overwoekerende chaos, zodat mijn hoofd meer zou passen bij de wereld om me heen.”
Ze sprak het uit als een spreuk. Met gesloten ogen probeerde ze een reactie te horen, maar ze hoorde alleen het tikken van de klok. Terwijl ze haar ogen opende, zocht ze zijn gezicht. Het zag er nogal eigenaardig uit, ze vroeg zich af of hij er misschien altijd zo raar had uitgezien maar dat ze zich dat nooit gerealiseerd had. Het schilderij achter zijn hoofd hing er nog, de kleuren net zo fel, de vormen net zo vaag. Zijn gezicht leek wel van was; zijn mond bevroren in een afwezige glimlach. Ze stond op en liep naar hem toe. Geen beweging. Zwaaide met haar hand voor zijn ogen. Niets; een leeg omhulsel. Als iemand die nooit was geweest. Een verzameling moleculen waar de wind zachtjes doorheen blies.

Ze draaide zich om en liep de kamer uit.

1 reactie

Leonie

dinsdag, 21:33

Heel mooi hoe een fysieke (kinder)ervaring wordt gebruikt om een gevoel van een volwassene uit te leggen. Gevoelens zijn vaak lastig in woorden uit te drukken, maar door het concrete voorbeeld (voor een kind vergaat de wereld als hij zijn moeder kwijt is, terwijl voor anderen de wereld gewoon doordraait) snap je het meteen. Mooi ook hoe op het einde wordt gespeeld met de werkelijkheid. Heel mooi!

0 Fictie

TEVREDEN

Laura Leihitu

0 Non-fictie

Pelgrims

Isa Altink

0 Fictie

Retro

Daphne Hubeek

1 Fictie

aurora

Vincent Gligoor