Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Vakantie

Door Gerda Remerink

Vakantie

Ze klopt even op zijn knie: ‘Rijden maar jongen!’ Hij grinnikt even om dat ‘jongen’.
‘Hoe oud ben ik ook alweer?’ Hij kijkt naar zijn handen op het stuur alsof ze niet bij hem horen – de levervlekken en de knobbelige vingers.
‘Zesenzeventig.’
‘Nee…’ Ook nu moet hij zachtjes lachen.
‘Waarheen?’
‘Naar ‘Bonne Chance’ toch!’ antwoordt ze. Hij kijkt even naar het drietal op de stoep voor het huis. ‘En zij gaan niet mee?’ Ze schudt alleen maar nee terwijl ze haar riem vastmaakt. Hij is een man van rituelen – de meeste nog uit de tijd dat de kinderen klein waren. Altijd als ze naar Frankrijk vertrekken, zegt hij het, dus nu ook: ’Dag huis! Tot na de vakantie!’

Ze zwaaien tot ze de oude Volkswagenbus de hoek om zien gaan. ‘Nou, nog maar een koffie doen dan?’
‘Nee, wij gaan naar huis. De oppas kon maar tot twaalf uur.’
‘Mama vond het jammer dat je de kinderen niet mee had.’
‘Ja zeg – ik had geen zin in een overstuur kind. Lotte snapt er helemaal niks van. Oma en opa horen er gewoon altijd te zijn.’
Eigenlijk is ze zelf nog bozer dan haar dochtertje, denkt Roos terwijl ze naar het gezicht van haar jongere zusje kijkt. Verbeten en met een pruilmond – als een vijfjarige die haar zin niet krijgt. Jasmijn werkt vier dagen. Drie daarvan passen oma en opa op Lotte en baby Storm. De vierde dag is de dag van Joost. Die nu alvast in de auto stapt en ongeduldig het portier openduwt voor Jasmijn die nog steeds probeert haar gelijk te krijgen: ‘Zo egoïstisch. Ze moeten doen wat ze niet laten kunnen, maar we hebben nauwelijks tijd gehad om iets te regelen. Snappen ze dan niet dat wij nu mooi in de problemen zitten – weet je wat die opvang kost?’
Roos geeft haar zus een klein duwtje richting auto. ‘Ik bel je morgen. Dan weten we of ze goed zijn aangekomen.’

Het was geen leuke laatste ochtend geweest voor haar ouders – net geen ruzie maar dat kwam vooral omdat mama het verongelijkte toontje van Jasmijn negeerde. Die had nog eens uitgebreid verteld wat een moeite ze had moeten doen om opvang te regelen (‘en niet eens korting voor een tweede kind!’). Joost liep zwijgend te ijsberen en keek bozig naar Jasmijn en naar zijn schoonouders die op Nieuwjaarsdag aangekondigd hadden dat ze vanaf 1 februari vier maanden naar het huisje in Frankrijk gingen.

‘In februari???’
‘Een graad of vijftien is het eigenlijk altijd wel in de Krokusvakantie, toch Loek? Heel wat beter dan die nattigheid hier.’
‘En wij dan?’ Jasmijn huilde bijna.
Haar vader had niets gezegd, wel af en toe zijn mond opengedaan alsof hij iets wilde zeggen maar vervolgens keek hij hulpeloos naar mama. Zo ging het natuurlijk al hun hele leven. Als je wat aan papa vroeg zei hij bijna automatisch ‘Vraag maar aan je moeder’.
Roos vermoedde dan ook dat het plan uit haar moeders koker kwam. Waren haar ouders het oppassen beu en durfden ze dat niet rechtstreeks te zeggen? Roos vond dit niet bepaald een elegante oplossing maar ze kon zich heel goed voorstellen dat het ze te veel werd. Volgens Jasmijn was daar geen sprake van. ‘Oh, mama vindt het heerlijk om te doen!’
‘Heb je haar dat wel eens gevraagd dan?’

Ze keek wel uit, dacht Roos. Mama en papa stonden altijd klokslag acht uur op de stoep bij Jasmijn, ruimden terwijl ze oppasten het huis op, kookten eten en bleven nooit lang na de gezamenlijke maaltijd. En zo was dat de afgelopen vier jaar gegaan. De schoolvakanties gingen ze naar Frankrijk, zoals ze dat ook al deden voor ze met pensioen waren. Zelfs van die vakanties probeerde Jasmijn aanvankelijk wat dagen af te knabbelen. Maar aan de vakanties viel niet te tornen. ‘Jasmijn, er zijn in de vakanties meisjes zat die willen oppassen’. Dan hoorde je direct de juf praten die haar moeder jarenlang geweest was.

Als pubers wisten Jasmijn en Roos een ding heel zeker: nooit in het onderwijs. En nu gaf Roos zelf les, net als haar ouders hadden gedaan en Jasmijn verzuchtte minstens een keer per week dat die onderwijzers het maar mooi voor elkaar hadden met hun vakanties en dat ze het wel zou weten als ze opnieuw kon kiezen. Joost had een prima baan maar kon het ook niet laten om regelmatig op te merken ‘Zo’n pensioen zit er voor ons niet meer in.’
Haar vader trok dan alleen een wenkbrauw op – dat maakte nog steeds genoeg indruk, zeker op Joost. Veertig jaar lang had papa op een technische school de jongens in het gareel gehouden – altijd kalm, niet op de kast te krijgen. Geen man voor discussies, die liet hij over aan mama. Als hij niet tuinierde of kluste in de schuur, zat hij in zijn werkkamer met zijn grote hobby, de vliegtuigsimulator. De laatste jaren steeds meer – al had Roos hem er gisteren op betrapt dat hij een dutje zat te doen. Niks om je voor te schamen op zijn leeftijd vond ze. Zelf brengt ze het liefst de hele zondag op bed door met de kranten en koffie maar dat zou ze nooit aan haar ouders bekennen.

De koffieboel staat nog op tafel. Tijd genoeg om op te ruimen want de rest van dit weekend blijft ze hier. De inrichting is bijna weer modern: haar ouders zijn getrouwd in 1976 en stukje bij beetje (altijd eerst sparen natuurlijk) hebben ze gekocht wat ze echt mooi vonden: redelijk ongemakkelijke banken en stoelen van Pastoe. Het laatste jaar is ze hier weinig geweest – ze voelt zich schuldig maar niet zo erg. Daarvoor is haar zelfmedelijden nog wat te groot. Na twaalf jaar uit elkaar, het was niet haar keus.
Maar misschien moet ze zich toch wat meer met haar ouders gaan bemoeien. Eens beginnen over een kleiner huis, iets gelijkvloers in ieder geval. Ze zijn nu nog kwiek maar voor tachtigers wordt dit bewerkelijk, met die twee trappen. Het houtwerk is op veel plekken kaal. Haar vader was altijd zo trots op zijn eigen schilderwerk maar mag van mama niet meer op een ladder. Boven een onnatuurlijk nette werkkamer. Er is opgeruimd en veel weggegooid. Hij heeft de spelcomputer laten staan, gek.

‘Lieverd, we gaan er de volgende afslag af – even tanken en wat drinken.’ Inmiddels is ze gewend aan de wat lege, verbaasde blik. Zelf heeft hij nog geen moment op de benzinemeter gekeken. ‘Na de lunch rijd ik hoor.’
‘Maar ik ben helemaal niet moe.’
‘Maar dat doen we toch altijd schat, na twee uur wisselen.’
‘Ja dat weet ik wel, maar ik ben helemaal niet moe,’ een beetje verongelijkt zegt hij het – hij doet haar nu denken aan Jasmijn. Straks is hij het weer vergeten en waarschijnlijk slaapt hij de rest van de rit. Hij zet de auto stil naast de pomp en aarzelt.
Ze pakt de autosleutels uit het contact en zegt: ‘Ga jij maar vast even plassen, ik tank wel.’
Hij stapt uit maar blijft een beetje dralen rond de auto, ziet dan de ingang van het tankstation en zegt zichtbaar opgelucht: ’Ik wacht binnen bij de kassa’.
Ze strekt haar benen en trekt haar sjaal strakker – het is koud. Terwijl ze tankt, blijft ze hem in de gaten houden. Als ze de auto heeft geparkeerd, moet ze even zoeken voor ze hem weer ziet. Hij staat binnen bij de chocoladerepen. Voortdurend zin in zoetigheid, iets van het laatste jaar.

Ze heeft het nog ruim een jaar kunnen verbergen. Jasmijn is zoals altijd vooral druk met zichzelf en Roos is sinds de scheiding vooral bezig te overleven. Loek is nooit een prater geweest – het valt daarom niet zo op. Hij rommelt wat in huis en zit in zijn werkkamer. Autorijden is gek genoeg geen probleem. Als ze er maar naast zit, want hij heeft geen idee waar hij is.

Het zou heel snel kunnen gaan, had de geriater gezegd. ‘Een vorm die niet veel voorkomt. Een geluk bij een ongeluk dat de patiënt helemaal geen besef heeft van zijn ziekte.’ Ze had meteen geweten dat ze het niemand ging vertellen. Dit ging ze zelf doen. Jasmijn zou het niet aankunnen en Roos wilde ze er niet mee belasten.

Vier maanden in Frankrijk: dat heeft ze gezegd. Als ze zo lang nog krijgen. Onbegrip bij Jasmijn en Joost, boosheid ook. Maar ze weet dat ze dit zo wil en niet anders. Ze wil geen
medelijden – van niemand en zeker niet van de kinderen. Die jaloers zijn op de verkeerde dingen – op het pensioen, op het afbetaalde huis. Maar die nooit gehad hebben wat zij en Loek hadden – de zorgeloze tijd toen ze verliefd werden, gingen samenwonen op twee studentenkamertjes, de eindeloze vakanties. Ze hebben zo veel geluk gehad: liefde, plezier, tevredenheid, niet de druk van steeds meer, steeds beter. Is ze egoïstisch, zoals Jasmijn zegt? Zeker, maar niet omdat ze stopt met oppassen. Ze wil deze laatste maanden haar man niet meer delen, ze wil hem voor zichzelf.

‘Kom’, zegt ze. Hij kijkt verschrikt op van het schap met de chocoladerepen maar glimlacht breeduit als hij haar herkent. ‘Kom lieverd, tijd om te gaan.’

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch