Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Vastgeroeste campingstoel

Door Folkert Koelewijn

‘Ik heb helemaal niks tegen homo’s! De neef van mijn moeder is zelf homo, dus ik weet aardig wat homo-zijn inhoudt.’

De man spreekt met een plat Rotterdams accent en blijkbaar kan hij het woord homo maar op één manier uitspreken: met extra nadruk en een lichte toonverhoging in zijn stem. Na zich al de hele de hele dag te hebben opgedrongen aan zijn buurman, met weinig succes, opende hij zijn zevende blikje bier en ging simpelweg bij hem aan de plastic eettafel zitten. Het is rond het begin van de avond en de meeste vakantiegangers hebben net hun eten op. De vuile borden staan nog op tafel.

Het lijkt zijn eerste prioriteit om het gezin op de aangrenzende campingplaats te overtuigen van zijn gebrek aan homohaat. En door het hoge volume waarop hij spreekt, tegelijk ook de rest van de camping. Mij treft het ongeluk dat dit tafereel zich precies aan de overkant van het pad afspeelt en mijn tent ongewild tot observatiepost is gepromoveerd. Het haar van de Rotterdammer is gemillimeterd en onder zijn ogen hangen grote wallen. In zijn linkeroorlel bungelt een gouden ring. Hij draagt een gerafeld hemd, een korte legercamouflagebroek en bruine sandalen. Zijn bovenarmen zijn gebruind, gespierd en bedekt met tatoeages. Na zijn proclamatie zet hij zijn pils met een klap op tafel en begint aan het draaien van een nieuw shagje. Hij beweegt hortend en stotend en lijkt niet helemaal te weten wat hij met zijn lichaam aan moet, als een bouwvakker die probeert te kunstschaatsen. Bij elke pirouette die mislukt, probeert hij punten bij de jury te scoren door zijn fout te overschreeuwen.

Zijn gesprekspartner lijkt wel door hem te zijn uitgekozen om als tegenpool te fungeren. Een bedeesde Belg die zacht en beleefd spreekt en zijn ledematen beweegt alsof zijn botten zijn gemaakt van vloeibare olie. Zijn uitstraling is teder, als een kussentje voor in je rug, en zou kunnen worden omschreven als feminien. Zijn vriendin en twee dochters verdwijnen opvallend snel naar het washok na het spontaan aanschuiven van de Rotterdammer. Natuurlijk excuseren zij zich beleefd en heeft hun ongenode gast niet eens door dat hun vertrek alles te maken heeft met zijn aanwezigheid. Hun excuus is de vieze vaat, maar ze komen niet meer terug naar buiten als alle pannen en borden allang schoon en opgeruimd in de tent staan. Het hindert de mannen niet in hun kennismaking.

Zoals de Belg tegenover de ander zit, benen hoog over elkaar heen geslagen, zijn kin iets omhoog gericht en zijn handen sierlijk onder zijn gezicht gevouwen, moet hij wel een provocatie zijn voor de ruwe Rotterdammer. Misschien is hij dat de hele dag al. Hij draagt alleen een roze zwembroek.

De provocatie benadert de vreemde tegenover hem als een lang verloren gewaande vriend die hij nu plots terug vindt. Ik krijg het gevoel dat ook deze Belg snakt naar wat sociale interactie en nu deze mogelijkheid zich eindelijk aandient, gelijk zijn hele persoonlijkheid op tafel gaat gooien. Dit worden gelegenheidsvrienden zoals mensen dat alleen op de camping kunnen worden. In hun geboortelanden hadden ze elkaar niet eens een blik waardig gegund.

Maar nu kan de Vlaming alleen maar met de ander instemmen. Licht glimlachend geeft hij antwoord op de bekentenis van zijn nieuwe tafelgenoot.

‘Ze hebben van mij ook jaren gedacht dat ik homo was hé. Ik deed niet stoer genoeg en dan was ik ook nog eens kapper. Zelf was ik ook aan het twijfelen over mijn geaardheid en toen ik dat tegen mijn eigen broer vertelde, dacht ik dat hij me zo een pak rammel zou geven. Hij is ook zo ene homohater. Ik snap dat niet. Dat is toch zot?’

Hij krijgt niet gelijk de verwachte gulle instemming. De Rotterdammer kijkt alsof hij een beer op een éénwieler ziet koordansen of een man borstvoeding ziet geven of een atoombom op zijn caravan ziet landen of dat allemaal tegelijk. Een terroristische aanslag op Feyenoordstadion de Kuip was voor hem waarschijnlijk minder schokkend geweest, dan een heteroman die serieus durfde na te denken over de vraag of hij wel hetero was. Hij likt zijn lippen en knikt nauwelijks merkbaar. Ik vermoed dat hij met een door zichzelf verafschuwt verlangen naar de gebruinde Italiaanse mannen op de ligstoelen langs het zwembad kijkt, maar zichzelf nog liever zou stenigen dan dit toe te geven.

Met luide stem schakelt hij over op andere onderwerpen: lekkere wijven, snelle BMW’s en voetbal kijken. Er wordt veel gedronken. De lompe Nederlander en de sierlijke Belg praten urenlang totdat het enige licht nog van een waxinelichtje op de tafel komt. Toch is dit geen gesprek. Dit zijn twee individuen die heel graag willen vertellen over zichzelf. Wat ze denken, voelen, hebben gedaan en willen doen. Of de ander wel of niet echt luistert doet er niet toe. Ze zijn slechts elkaars bliksemafleiders. Aan het eind van de avond lijken ze elkaars beste vrienden te zijn geworden en komen ze erachter dat ze zich helemaal niet aan elkaar hebben voorgesteld. Onder grote hilariteit maken ze dit alsnog goed door tegelijk op te staan en elkaar officieel een hand te geven. De Hollander blijkt Harry te heten en de Belg François. Schijnbaar is dit ook het sein dat het samenzijn afgelopen is en ze besluiten naar bed te gaan. Met een lange knuffel nemen de mannen afscheid van elkaar en Harry vertrekt naar zijn caravan.

Al die tijd ben ik precies op dezelfde plek blijven zitten, op mijn campingstoel onder de luifel voor de tent, en heb ik mij niet verroerd. Ik ben zelfs blijven zitten, terwijl ik eigenlijk naar het toilet moest en mijn drankgebruik heeft minstens gelijke tred gehouden met dat van de overburen. Alsof ik tegenover een kroeg woon en niet naar binnen durfde te gaan, maar wel mee wou doen. Omdat het al donker is, merkt Harry mij niet op. Het is te hopen dat hij morgenavond mij niet uitkiest als zijn conversatieslachtoffer, al zou ik wel beledigd zijn als hij dat niet deed.

Ik kijk omlaag naar mijn kruis, waar zich een grote donkere vlek heeft gevormd, omdat ik mijn plas niet kon ophouden.

Met een klik hoor ik het caravandeurtje achter Harry sluiten, François moet al in de grote familietent op het tweepersoonsluchtbed naast zijn vriendin zijn gekropen.

Er valt een stilte over de camping. Ik ben de enige die nog buiten zit, de krekels tjirpen en er is geen ster aan de hemel die zich achter een wolk verschuilt. De hele avond heb ik met niemand hoeven praten en nu omvat de nacht me warmer dan mijn slaapzak.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch