Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Verblind moment

Door Miriam van der Ven

De wind waait door mijn haren, plots sta ik voor een lantaarnpaal.

Het licht verblind mij en laat mij leiden.

Het zijn mijn gedachten die denken: “ Ben ik nou hem, haar of zij?”

Het is alsof er een nieuw lichtje in mij is gaan branden.

Alsof alles even stil staat en ik bij mezelf denk: “ Waarom heb ik dit niet eerder gezien?”

Het is dat ene licht dat mij doet beseffen: “dat ik gewoon ik ben”.

Dat ene kleine moment van verwondering dat het knopje heeft omgezet.

Dat het eigenlijk gewoon niets is, of dat het eigenlijk gewoon iets is.

Dat dat moment gewoon mag zijn wat het is.

Dat alles wat er om mij heen staat, groeit, bloeit en beweegt gewoon gecreëerd is door de mens, maar dat het eigenlijk niets is, omdat het iets is.

Het is iets omdat het niets is en iets omdat het niets is.

Het is zo’n typisch moment waarbij ik bij mezelf besef dat alles, maar dan ook alles op deze mooie aardbol niets is wat het lijkt. Dat alles gemaakt is door ons zoals het nu is en dat het de maatschappij is die maakt dat het dat is.

Een huis is een huis.

Een boom is een boom.

Een vrouw is een vrouw.

Een man is een man.

Auto’s zijn auto’s.

En die lantaarnpaal, ja dat is een lantaarnpaal.

Maar wie heeft dat bepaald?

Wie heeft die stempel geplakt?

Een huis kan toch net zo goed een boom zijn, of een auto een vrouw.

Wie heeft de woorden gecreëerd?

Wie heeft de stempels erop geplakt?

Allemaal vragen die bij mij op reizen op dat ene moment.

Het besef wat het besef maakt.

Het lichtje dat ineens brand en waarvan ik weet dat het zo is, maar dat het net zo goed anders had kunnen zijn.

De wind voert mij mee en ik loop weer verder. Rustig laat ik mij door de wind meevoeren naar mijn huis. Eenmaal daar kijk ik in de spiegel en denk: “ het is allemaal zo makkelijk”.

Ik pak de spullen die ik wou halen en ik vervolg mijn weg terug naar waar ik vandaan kwam.

Mijn gedachten gaan terug naar die ene dag.

Die ene dag die maakte dat ik toen zo ongelukkig was.

Dat ik toen nog alles in het hokje van de maatschappij zag.

Die dag die ervoor zorgden dat ik ben wie ik nu ben en dat ik zo gelukkig mag zijn.

Mijn gedachten gaan even terug en daar zie ik mezelf weer zitten in bad.

Het gevoel van totale liefde komt weer nader en ik laat het schuim over mijn schouders lopen.

Ik kan en mag van iedereen houden.

Dat is de eerste zin die in mij opkomt als ik in bad zit.

Niet wetende dat er achter mij een grote boze wolf zit die niet kan wachten om zijn tanden in vers vlees te zetten.

Die grote boze wolf die mij uit mijn gouden kooi wil halen en wil meenemen naar zijn hol.

Het water klotst over mijn schouders en ik geniet van de totale warmte.

De totale omarming van liefde die door mij heen stroomt.

De ballon die mijn hoofd creëerde, is weg en de wind waait weer door mijn haren.

Opeens verschijnt die grote boze wolf voor mijn ogen.

Die wolf die mijn mooie geluks- momentje met een naald kapot prikte.

“ Godverdomme tering hoer”. Die woorden dreunen nog steeds door mijn hoofd. Het is niet nu, maar toch. Het staat nog steeds op mijn netvlies gegraveerd. Alsof het een film is die zich keer op keer weer afspeelt. De rillingen gaan weer door me heen als ik daar aan terug denk. Dat ene moment dat hij binnen stormde, de dekens vanaf aftrok, waardoor ik met een enorme smak op het koude laminaat terecht kwam. Die immense blauwe plek trekt weer naar boven. Het is alsof hij nooit weg is geweest. Het is een moment van eenzaamheid en verdriet. Dat mijn veilige basis me verliet. Een traan volgt en ik kijk even naar de maan. Ik ben gelukkig nu en kan nu verder gaan. Het is, gebeurt en het moest gebeuren, anders zou ik hier nu niet vol wijsheid staan. Toch moet ik even in dat moment zijn, kennelijk heb ik het nog niet 100% verwerkt.

Ik zie mijzelf weer die tas pakken, vlug stop ik het hoognodige in de tas en trek ik snel aan wat ik kan vinden. Ik stel mij naar buiten en pak mijn fiets. Maar voordat ik naar buiten wil smijt hij mijn tas op de grond. “ Tering hoer”. Dat is het enige wat hij kan zeggen. Zijn ogen kijken mij aan en het vuur brandt in mijn ogen. “ Wie denk je wel niet wie je bent?” Het vuur wordt ergens ook overspoeld door tranen als ik hem zie met mijn tas in zijn hand. Ik kijk hem doordringend aan en zeg: “ Als je echt van mij houd laat je mij gaan”.

Hij zegt niets en is totaal verstijfd. Ik pak mijn tas uit zijn handen en wil gaan. Nog even kijkt hij mij aan in mijn ogen en ik zie de film die op zijn netvliezen wordt afgespeeld:

Daar staan we voor het altaar. Ik in mijn witte jurk en hij in zijn zilveren pak.

De tranen doven het vuur, maar het is alsof hij wil zeggen: “ Ik begrijp het, ga maar.”

Toch kan hij het niet laten om zijn boosheid nog even te uiten en knijpt zo hard in mijn polsen dat ze zo blauw gaan zien als de blauwe lucht en in paars veranderen.

Ik loop naar buiten en sluit de deur achter mij. Een hoofdstuk wat ik nu ga sluiten, een nieuw hoofdstuk dat weer begint. Eenmaal buiten de poort pak ik mijn telefoon.

“ Kunnen jullie mij komen halen?” Dat is het enige wat ik vraag. Ik fiets naar het station en pak de eerstvolgende trein. Aan het einde van de reis staan zij al op het perron te wachten. Zij die mij begrijpen, zij die mij totale liefde hebben gebracht. Nog even denk ik aan die witte jurk en de duiven. Nog even kan ik naar ze wuiven. Nu mag ik voor altijd van iedereen houden, onvoorwaardelijk. Ik hoor mijn telefoon nog piepen in mijn tas. Later las ik”

Jij vuile kuthoer dat zet ik je betaald.”

De wind heeft me meegevoerd naar hun huis, naar zij die me liefhebben. Die twee waar ik zoveel van hou. Ik wil ze niet benoemen, ik wil geen hokje plaatsen. Zij zijn voor mij: “ hem, haar, hij, zij, vrouw, man, alles wat kan.” Het zijn zij die mij liefhebben, zij die me hebben geholpen. Ik loop naar binnen en ze kijken mij aan. Nog even flitst die belangrijke dag door mijn leven. Hij die geen vrede kon hebben met het idee dat ik geen bezit ben. Hij die nu achter stalen tralies zit verstopt. Hij die zo nodig achter mij aan moest gaan en hij die zo nodig tot het uiterste door moest slaan. Het was toen, en nu is nu. Maar soms denk ik even terug aan alle ellende die ervoor zorgde dat ik ben wie ik ben. Dat ik nu onvoorwaardelijk van iedereen mag houden dat ik mezelf ken.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch