Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Vergiffenis

Door Jannet Fink

Vergiffenis

De dag deed zijn naam eer aan. Blue Monday, deprimaandag, de maandag van de laatste volle week van januari, volgens Wikipedia de dag waarop de meeste mensen zich treurig, neerslachtig of weemoedig voelen. Ik voelde me verschrikkelijk treurig en neerslachtig. Weemoedig ook, maar dat gold alle dagen, daarop vormde de dag van vandaag geen uitzondering.
Ik schaamde me. Maar kon ik er wat aan doen? Ik telde mijn zegeningen, zeker, en besefte dat het ook heel anders kon. Maar juist dat besef, dat het er elders op de wereld zo verschrikkelijk aan toe ging, maakte mij zo neerslachtig. Hoe kwamen mensen tot zulke gruweldaden? In naam van God nog wel. Het was in- en intriest.

Opschieten nu. Boodschappenbriefje, tassen, portemonnee, muntje voor de kar, telefoon, sleutels, lege flessen. Deur op slot. Onhandig met die handschoenen. Die hielpen ook nauwelijks met die kou. Flink fietsen. Zo heette de campagne van de gemeente. Dat hadden ze gedacht! Meteen al opstopping in de Van ‘t Hoffstraat. Ik stuiterde de stoep op. Zo overdreven, die enorme vrachtwagens voor die paar buurtwinkeltjes.

Konden moordenaars worden vergeven? Gelovigen geloofden dat Jezus was gestorven voor hun zonden. En als je van je zonden belijdenis deed voor God, werden ze je vergeven. Maar dat betrof vast andere zonden. Het was anders wel verdomd gemakkelijk natuurlijk.
Nou ja, verdomd… De dominee zei dat je de gevolgen vanzelf zou merken als je vloekte, omdat je God dan in feite vroeg of Hij je wou verdoemen. Dat geloofde ik niet. Mijn gebeden waren nog nooit verhoord. We zaten bij hem in de auto. Hij voelde zich zeker door God behoed, zo roekeloos scheurde hij door het stille dorpje waar alle gordijnen nog dicht zaten. Naar een jachtslot in Duitsland gingen we, met het kleine groepje van de catechisatie. Bij het afscheid gaf hij ons allemaal een kus, wat een dominee eigenlijk niet paste. Zijn ogen glommen.

Ik werd ingehaald door een vrouw op een scooter. Ergerlijk, die herrie. En die smerige dampen. Die bleven ook zo lang hangen. Zou ze de sticker achterop mijn fiets gezien hebben? ‘Ik rij uitstootvrij’.

R had zich op Blue Monday van kant gemaakt. De dag van zijn begrafenis was donker en guur. Na de dienst, toen iedereen zich bij het kerkhof verzameld had om hem daadwerkelijk te gaan begraven, brak de zon even fel door het dichte wolkendek. Een teken uit het hiernamaals. “Nu daagt het in het oosten […]” dacht ik. Kerst was alweer een maand geleden.
De grond was hard bevroren. De zware Groninger klei viel in brokken op de kist. Het doorbrak de nijpende stilte. Nadat alle handelingen waren verricht, ging het zachtjes sneeuwen. De eerste sneeuw van het jaar.
Er was veel muziek. Er werd veel wijn gedronken. Er waren foto’s en verhalen over zijn leven. Er waren ook veel vragen. Hoe het zover had kunnen komen. Moesten we het onszelf aanrekenen? Mochten we boos zijn? Konden we het hem vergeven? Of was het de wil van God geweest? Konden we God vergeven?

Er stond al een hele rij voor het verkeerslicht. Ik sloot aan. Het begon te miezeren. In de meeste auto’s die voorbij zoefden zat maar een persoon. Ze hadden met gemak in een bus gepast. Dan hadden wij allang over kunnen steken. Groen. De meute kwam slingerend op gang.

“[…] en vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren. En leid ons niet in verzoeking maar verlos ons van den boze […]” Ik wist bij het gebed nooit zeker of ik mijn ogen dicht moest doen. En wanneer ik ze dan weer open mocht doen. Opa gaf een teken door te snuiven. “Wel bekome.”
Je kon dus altijd zeggen dat je tóch in verzoeking was geleid. En dat God je schulden wel weer zou vergeven en je van den boze zou verlossen. Ik vond het hypocriet. Als kind al was ik er verontwaardigd over dat de leerlingen van de Paul Krugerschool altijd aan het klieren waren. Zij waren toch christelijk? Dan zocht je toch juist geen ruzie? Met volwassenen was het niet anders. Mensen, politici zelfs, die zich christen noemden en Gods ongelofelijk mooie schepping willens en wetens om zeep hielpen. Vruchtbare akkers werden ongegeneerd met gif bespoten. Weerloze dieren werden onbarmhartig in megastallen gepropt. In mijn dromen zette ik de staldeuren wagenwijd open. Vrijheid! Licht en lucht.

Bij het elektriciteitskastje waar ik mijn fiets tegenaan zette, hing een sterke urinegeur. Er zat een sticker opgeplakt: ‘WC’. Humor. Voor de ingang van de winkel lag kots en de uitpuilende vuilnisbak stond open. Ik had klanten er weleens in zien speuren naar weggegooide kassabonnen, vanwege de spaarzegels op de achterkant.
In de rij bij de kassa ontdekte ik de lege flessen. Als een spookrijder manoeuvreerde ik de volle kar terug door de paden. De automaat begon te zoemen zodra ik de eerste fles op de band legde. Ik telde mee met de display en drukte na de laatste fles de groene knop in. Het gaf een hard geluid. Het duurde even voor de bon uit de gleuf tevoorschijn kwam. Toen ik hem eruit trok, klonk de Beach ringtone van de Nokia. Koortsachtig graaide ik het apparaatje onderuit de tas en drukte nog net op tijd het groene telefoontje in. Het was C, om te zeggen dat hij nachtdienst had en pas tegen de volgende ochtend thuis zou komen. “Hou je het zolang vol?” vroeg ik. “Ja, komt goed.” Hij vroeg niet of ik het vol zou houden. Waarom zou hij ook? “Werk ze dan maar en tot morgen.” “Ja, tot morgen.”
Het lukte me amper om op te stappen, zo zwaar beladen was de fiets. Het was harder gaan regenen. Wachtend voor het verkeerslicht bezag ik de situatie. Al dat blik, al dat asfalt. De stank, het lawaai. Die haast. Het zwarte regenwater dat opspatte door de autobanden. En dat die automobilisten voorrang kregen op mij, met mijn propvolle fietstassen en het pak wc-rollen bungelend aan het stuur. Ik huilde. Het scheelde dat het regende, dan vielen die tranen niet zo op. Ik liet ze maar stromen.

Bij R voerde sarcasme de boventoon. Hij had twee lijfspreuken: ‘soms is alles zo onuitsprekelijk vermoeiend’ en ‘keuzes maken, moeilijk’. Hij lachte er cynisch bij. Die laatste keuze had hij beter niet kunnen maken. Of… was het wel een keuze geweest?

Ik kreeg de zware fiets nauwelijks door de achterom. Een enorme vermoeidheid overviel me. Natte handschoenen uit, met verkleumde vingers de sleutel uit de broekzak, fiets in balans houden, deur open, wc-rollen van het stuur, zware tassen uit de fietstas. Voorzichtig met de eieren.

C zou dus pas tegen de ochtend thuiskomen.

Het was geen keuze. De fles stond al jaren onaangebroken in het medicijnkastje. Ik dronk hem in een teug leeg. Het gif smaakte bitter. Nu maar gaan liggen. Ik zou wel zien waar het schip strandde, dat had oma ook gezegd vlak voor ze heenging. Ik ging haar achterna, deze wereld uit. Dat was het voornaamste. Ik sloot mijn ogen.
De stem van de dominee schalde door de ruimte: “Onze hulp is in de naam van de Heer, die hemel en aarde gemaakt heeft, die trouw houdt tot in eeuwigheid en die niet laat varen het werk zijner handen.” Het microfoontje stoorde. “Genade zij u en vrede van God onze Vader en van de Heer Jezus Christus. Amen.” De dominee hief zijn handen ten hemel, zodat zijn zwartfluwelen pij vleugels kreeg. “De Here zegene en behoede u […]” Ik tuimelde in Zijn armen.

“Verdomme.” Hij bekeek het etiket.

Met gillende sirenes scheurde de ambulance door de lege straten. Overal zaten de gordijnen nog dicht.

Ik ben wakker, maar houd mijn ogen gesloten. Fel zonlicht schijnt dwars door mijn oogleden. Ik zie schitterende kleurenpatronen. In mijn hoofd klinkt een kerstlied op. Maar het is toch al bijna februari? “[…] De duisternis gaat wijken van d’eeuwenlange nacht. Een nieuwe dag gaat prijken, met ongekende pracht […]”

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch