Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Vieze Iese

Door Elise Kuit

Ik zat te wachten op mijn broer in de tochtige stationshal van onze geboortestad. Ik tuurde zorgvuldig naar alle voorbijgangers, want ik wist niet helemaal zeker meer hoe mijn broer eruitzag. Tien jaar geleden was hij een vroeg-pafferige twintiger met een linker scheiding in het donkerblonde haar en droeg hij een designerbril met een veel te rood montuur. Maar dat was tien jaar geleden, en we hadden elkaar in de tussenliggende tijd alleen maar een handvol keer over de telefoon gesproken. Skypen weigert mijn broer, bovendien is er geen internet waar hij nu woont. Dat is tegen de regels van de commune waar hij met zijn zoveelste vriendin is ingetrokken sinds hij na een huurschuld uit zijn woning is gezet.

Mijn broer wilde vroeger brandweerman worden en heel rijk. Ik hield het op schooljuffrouw, hij verweet me voorspelbaarheid. Toen we nog heel klein waren kroop mijn broer altijd ergens in. In een lege doos, de kast onder de trap of de poppenkast. Hij sprong tevoorschijn zodra ik langsliep. Soms moest hij uren hebben zitten wachten om eruit te kunnen springen, maar de voldoening was altijd groot: ik schrok elke keer zo hard dat ik in mijn broek plaste. ‘Iese is een vieze, Iese is een vieze!’ Onze moeder moest daar altijd erg om lachen.
Toen we tieners waren had hij steeds weer nieuwe fases, zo noemde mama dat. ‘Re zit nu weer in een nieuwe fase,’ kondigde ze op een zondagochtend aan tegen mij en de kat. ‘Re is nu eventjes punk, en dat vinden wij echt heel erg oké.’ De kat likte haar anus, ik at mijn cornflakes op. Elke keer dat Re in een nieuwe fase verzeilde, betekende dat een ritje naar de bouwmarkt. Zijn kamer moest in de bijpassende kleur geverfd worden en er moest ook altijd iets geknutseld worden dat met zijn gemoedstoestand overeenkwam. Dat draaide meestal uit op creaties met veel plastic buizen die hij door verhitting omboog. De geur van brandend plastic doet me altijd aan mijn broer denken.
Re deed het niet zo goed op school. Volgens mijn moeder kwam dat omdat het systeem zijn vrije geest niet begreep en hij zich niet liet beknotten door regels en leraren. ‘Net zijn vader,’ zuchtte ze als Re weer eens van school was getrapt. Als ik wilde vragen wat haar dan zo aan mijn vader deed denken, sloot ze zich op in de badkamer om er een paar uur later weer uit te komen met korter haar. Mijn vader was voor mijn geboorte vertrokken. Het scheen geen man voor kleine kinderen geweest te zijn.

Een vrouwenstem riep om dat de treinen tussen onze geboortestad en de hoofdstad vertraging hadden door een aanrijding met een persoon. Ik hoopte dat mijn broer op tijd zou zijn, het was koud en mijn dunne jas liet de wind over mijn rug blazen. Al mijn warme kleding had ik achtergelaten bij Roan. Ze zaten in een doos onder het bed, sinds ik bij hem was ingetrokken leken mijn dikke vesten een herinnering aan een killer leven. Er drupte water uit mijn neus, voor mijn voeten lag een kapotte zak chips. Paprika, de enige smaak die mijn broer lustte.

De kaart was begin vorige week door de onderbuurvrouw bezorgd. Er zaten stickers en rode stempels op, het adres was op mijn naam na niet meer te lezen. Het was een foto van een zonnebloem tegen een strakblauwe hemel. Zo’n kaart die je in bulk koopt en in een la legt om te vergeten. Re schreef dat hij me wilde zien ‘omtrent de ernst van de casus’. Mijn broer hield van gewichtige brieven, de tekst verontrustte me dan ook niet. Het was pas na het telefoontje van mijn opa dat ik inzag dat de casus inderdaad ernstig te noemen was: mijn moeder was de week ervoor gevonden aan een steunbalk in haar boerderij. Ze moet er al een tijdje gehangen hebben want mijn opa zei dat de goudvissen allemaal dood waren. Dat was niets voor mijn moeder die een warme liefde voor vissen koesterde.
De crematie van mijn moeder had die ochtend plaatsgevonden. Op mij en mijn opa na drentelden er nog een handjevol bejaarde dames de benauwde zaal binnen die ons na afloop lauwe handjes kwamen geven. Mijn broer was er niet. Mijn broer kon volgens mijn broer niet tegen de dood, als kind al niet. Onze hamster Sammie die doormidden was gebeten door de buurhond moest ik van mijn moeder stiekem in de grote container aan het einde van onze straat gooien. Als zwijggeld kreeg ik een nieuwe Barbie die mijn broer niet veel later omsmolt. Over Sammie heeft mijn broer nooit vragen gesteld, hij verpatste de kooi aan een klasgenootje die een witte muis voor Sinterklaas had gekregen.

Een nieuwe menigte forenzen kwam zwijgend de perrontrap af. In hun midden zag ik hem lopen, kleiner dan ik me herinnerde. Ook zijn jas leek te dun voor de tijd van het jaar, zijn haar droeg hij in een laag staartje in de nek. Een reflex om naar hem te zwaaien onderdrukte ik op het laatste moment. In plaats daarvan ging ik in de loop van de reizigers staan totdat hij vlak voor me stond. ‘Dag Re. Ik ben het, Ies.’ Me aan mijn broer voorstellen leek me na die tien jaar niet eens zo’n gek begin. ‘Je was niet bij mama.’ Lodderig keek mijn broer me aan.
‘Ja koffie zou er best ingaan,’ en hij liep door in de richting van de stationsrestauratie. Net als vroeger liep ik achter mijn grote broer aan, zijn grote passen waren nu gemakkelijk bij te houden.
Aan een tafeltje aan het raam haalde Re een envelop uit zijn binnenzak. Het was een grote, beige exemplaar, hier en daar zat een lichte vetvlek. De envelop legde mijn broer op de stoel naast zich. ‘Dit, Ies, is wat mama jou heeft na willen laten.’ De manier waarop hij mijn naam uitsprak gaf me de kriebels, zo kon mijn moeder het ook. Net iets te lange nadruk op de s, alsof ze me nasisten. Als kind maakte het me razend, het was een eenheid van mijn moeder en mijn broer, Ies hoorde daar niet bij. Iesss was viesss. De ober zette de koffies neer, in gedachten tipte ik hem voor zijn timing.
Ongevraagd pakte ik de envelop van de stoel. Tot mijn genoegdoening zag ik dat het mijn broer ergerde. Ik scheurde de envelop aan de bovenkant open. ‘Ies, je moet het zelf weten, mama had mij gevraagd het voor jou in te leiden.’ Zijn bril schoof van zijn neus, een pleister hield de glazen samen. Nee, rijk was Re niet geworden, en brandweerman ook niet. De enige baan die hij bijna een jaar had volgehouden was postbode. Totdat ze erachter kwamen dat hij de meeste brieven in een sloot gooide en ver voor het einde van zijn ronde al in de kroeg zat. Zijn vrije geest belette hem onder een baas te werken. In de envelop zat een foto en een brief van een notaris.
‘Dit is je vader,’ zei mijn broer. En ik keek naar een foto van een man die me ergens een beetje aan mezelf deed denken maar dan, ja, mannelijker. Re leek niet op hem, maar een karakter wordt nu eenmaal niet vastgelegd op de gevoelige plaat. De man van de foto had een zware bril en zat achter een schildersezel in een licht atelier. In de brief stond zijn sterfdatum vermeld. Ik was blijkbaar op mijn dertiende vaderloos geworden. Ik merkte dat Re me gespannen aan zat te kijken, zijn koekje hield hij in zijn hand klaar.
‘Ik weet niet wat ik hier verder mee moet aanvangen. Een foto en zijn sterfdatum? Indrukwekkende erfenis.’ En voor de eerste keer in zijn leven glimlachte mijn broer naar me. Ik werd er een beetje naar van.
De urenlange reis naar huis hield ik de foto op mijn schoot. Ik probeerde met trillende handen het portret van mijn vader glad te strijken. Bij het afscheid van Re had ik het grote formaat nogal onhandig in mijn jaszak gepropt, nu zat er een vouw door het gezicht van mijn verwekker waardoor hij een beetje scheel keek. Re had me wat potsierlijk de hand geschud voordat hij op zijn trein stapte, de hele ontmoeting was gegaan zoals hij vaak in zijn hoofd gerepeteerd moest hebben, alsof hij een laatste keer uit de poppenkast sprong. Ik had niet in mijn broek geplast, mijn moeder had niet gelachen, maar het was Vieze Iese die hem uitzwaaide tot ze de trein niet meer zag.

De foto stinkt naar verbrand plastic, Roan klaagt al weken dat hij het ding niet meer op zijn ijskast wil hebben. Volgens mijn opa heeft mijn echte vader nooit een bril gedragen of een atelier bezeten. Mijn echte vader werkte als vrachtwagenchauffeur en verliet mijn moeder voor een meisje van twintig. Als ik voorbij de ijskast loop loens ik altijd even naar de man op de foto. Zijn verfrommelde glimlach is me zeer dierbaar.

geen reacties
0 Fictie

Rauwe pijn

Sahar Noor

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam