Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Vijf dagen Beiroet

Door Arjan Kloeze

De douanier op het vliegveld beukte een stempel in mijn paspoort. Met het gesloten paspoort in zijn uitgestoken hand vroeg hij: ‘Eerste keer in Libanon?’

‘Nee,’ zei ik. ‘Vijf jaar geleden ben ik hier ook geweest voor mijn werk.’

De hand werd teruggetrokken en hij begon opnieuw in het paspoort te bladeren.

‘Waarom staan er geen stempels in van je vorige bezoek?’

‘Het paspoort is van 2015. Ik was hier in 2013. Daarom staan er geen stempels in dit paspoort van mijn vorige bezoek.’

‘Waar is je oude paspoort?’

Ik zuchtte. Ik was moe en wilde naar mijn hotelkamer om bier te drinken en te slapen. De idioot voor me snapte toch wel dat ik niet reisde met een verlopen paspoort?

‘Ingeleverd, vernietigd.’

Even aarzelde de man en wenkte toen een collega. Er werden wat woorden in het Arabisch gewisseld.

‘Meekomen.’

Via twee ruimtes, waar ik uren moest wachten, belandde ik uiteindelijk tegenover een man met een achterbakse oogopslag in een uniform vol speldjes. Met huichelachtige belangstelling informeerde hij naar hoe mijn reis was geweest.

‘Goed, goed,’ zei ik. ‘Uitstekend. Al kan er aan de ontvangst nog gewerkt worden.’

Er volgde een warrig verhaal over een verkeerd visum en een visum overschrijding.

‘Er staat een aantekening achter je naam in ons systeem.’

‘Wat voor aantekening?’

‘Dat weet ik niet. Een aantekening.’

Ik begon te lachen. ‘Jullie papieren systeem deugt niet.’

‘Kan zijn, maar dat zoeken we uit op een andere plek. Een kantoor. Je telefoon uitschakelen en inleveren bij mijn collega.’

In een auto, met tralies tussen mij en de twee mannen voorin, reden we door donker Beiroet. Na een half uur stopten we. We gingen een gebouw binnen waar militairen schreeuwden en beuken uitdeelden aan mensen met handboeien om. Er waren ruimtes waarin mensen in- en uitgetrokken werden. Het geheel kwam als een chaotische bende op mij over. Niet als een kantoor waar in alle rust zou worden uitgezocht wat voor aantekening er achter mijn naam stond.

Ik werd een ruimte ingeduwd en de getraliede deur ging achter me dicht. Het was er zo volgepakt met mannen en jongens dat je niet eens kon zitten. Iedereen stond tegen elkaar aan. Ik torende boven iedereen uit en zweette als een gek in mijn winterjas. Mannen met lange baarden vroegen of ik moslim was.

‘Nee,’ zei ik. ‘Ik ben geen moslim.’

Of ik van plan was moslim te worden?

‘Nee,’ zei ik weer. ‘Ik ben ook niet van plan moslim te worden.’

Ze keken me dreigend aan en begonnen in het Arabisch naar me te schreeuwen. Na enkele uren ben ik achter een aantal mannen aangelopen die uit de cel werden gehaald. Eenmaal buiten kregen ze door dat ik daar niet hoorde.

‘Ik ga niet terug dat hok in,’ zei ik. ‘Ik ben ziek.’ Ik was drijfnat van het zweet en rilde. De militair keek me een tijdje aan en gebood me toen mee te komen. In een ruimte werden er foto’s van me gemaakt. In weer een andere ruimte brulde een man naar me: ‘Heb je goud, zilver of geld bij je.’

Ik schudde van nee en zei: ‘Ik wil bellen. De ambassade wil ik bellen.’

Ik had geen idee of er in dit land een Nederlandse ambassade was.

‘Natuurlijk wil je dat. Iedereen wil altijd maar bellen. We zijn geen callcenter. Later mag je bellen,’ brulde de man naar me.

Iets verderop in dezelfde ruimte stond een rij naakte mannen. Militairen met plastic handschoenen erachter deden hun werk. Iemand verwijderde mijn broekriem en trok de veters uit mijn schoenen.

‘Meekomen,’ commandeerde een van de soldaten me.

We liepen door gangen met aan weerszijden blauwe getraliede deuren. Erachter geschreeuw, gekrijs en ogen die me nieuwsgierig aanstaarden. Aan het eind van de gang hielden we halt. Een van de soldaten zocht naar de juiste sleutel en deed mijn handboeien af.

‘Ik wacht hier wel,’ zei ik. ‘Ik kan slapen op dit bankje vannacht. Morgen even bellen en ik ben hier weer weg.’ Ik maakte aanstalten om op het bankje naast de celdeur plaats te nemen. Ze moesten lachen, de soldaten en openden de celdeur.

‘Hup, naar binnen jij.’

De deur ging weer achter me dicht. In de ruimte waarin ik me bevond stonden stapelbedden met erop en ernaast kaartende en pratende mannen. Een van de mannen wees naar een bed. Ik ging op het bovenste bed zitten en even later liggen. Na een tijd naar het plafond te hebben gestaard kwam er een jongen naast mijn bed staan.

‘Water?’ Hij gaf me een flesje water. ‘Je kunt beter een bed beneden nemen. De lampen blijven dag en nacht branden. Met dekens en kleden kun je gordijnen maken en je bed verduisteren.’

‘Dank je,’ zei ik en verhuisde naar het bed beneden.

De dagen in de cel waren lang. Ontzettend lang. Er was niets te lezen of enige andere vorm van afleiding. Mijn hand ging instinctief vaak naar mijn broekzak om te voelen of ik mijn telefoon nog bij me had. Het beste dat je kon overkomen was in slaap vallen. De jongen van het water had in Amerika gewoond en kon daardoor Engels. Hij was de enige waarmee ik kon praten en vertaalde voor me. De meeste mannen in mijn cel waren aardig en volgens het cliché onschuldig. Achter mij lag een geradicaliseerde gek die de hele dag op een gebedskleed aan het prevelen was. Rechts van mij een oude baas uit Ecuador waarvan het gerucht ging dat die op het vliegveld was gepakt met witte poeder. Links een jongen die het verstandig had geleken schietend te vluchten voor een stel militairen. Voor me een jongen die een dag na mij de cel in was gegooid en keek als een opgejaagd dier. Ik zag hem een shot weet ik veel wat nemen. Daarna viel hij in een urenlange slaap. Toen hij wakker werd, begon hij eerst te kreunen, daarna enkele uren over te geven en tenslotte poepte hij in zijn broek. De hele cel stonk naar kak. Normaal als je aan het afkicken was van heroïne wist iemand te vertellen. Als hij niet in bed lag te kreunen kroop hij als een baby over de grond. We dachten dat hij dood zou gaan, maar dat weigerde hij.

Een keer per dag werden we uit onze cel gehaald en naar een kantine gebracht. Daar kregen we eten of iets wat daarvoor door zou moeten gaan. ’s Ochtends werden er opgerolde pannenkoeken met een onbekende substantie ertussen door de tralies gegooid. ’s Avonds wat gekookte aardappelen en tomaten. Aan het luchten van gevangenen werd in Beiroet niet gedaan.

Op de vierde dag werd ik uit mijn cel gehaald en geboeid. ‘Er is bezoek voor je,’ zei de militair. Ik werd naar een ruimte gebracht waar een medewerkster van de Nederlandse ambassade zat. Ze was vriendelijk en ik was blij dat ik Nederlands kon praten. ‘We doen alles wat in onze macht ligt om je vrij te krijgen,’ zei ze. ‘Er is sprake van een misverstand. Hou vol. Misschien nog een paar uur. Misschien een paar dagen.’

De militairen gebaarden dat de tijd op was en ik werd teruggebracht naar mijn cel. Enkele uren later werd ik weer uit mijn cel gehaald en geboeid. ‘Er is bezoek voor je,’ zei de militair weer. Het was een drukke dag. In dezelfde ruimte zaten nu twee mannen. Een ervan herkende ik als de regional director van het bedrijf waarvoor ik werkte. Ik had vijf jaar geleden op een middag met hem in het hotel eens wat gedronken. De andere man zag eruit als een commando en stelde zich voor als bemiddelaar.

‘De eigenaar van deze gevangenis,’ zo zei de commando,’ is een goede vriend van mij. En mijn vriend de majoor heeft een goed gesprek nodig.’

‘Juist ja,’ zei ik. ‘Goede gesprekken zijn belangrijk in dit land.’

‘Geen zorgen,’ zei de vriend van de majoor. ‘Nog enkele uren of misschien enkele dagen en dan ben je weer vrij. Wees sterk.’

Ik werd weer naar mijn cel gebracht. ‘Wees sterk,’ hoorde ik de vriend van de majoor nog een keer roepen.

Enkele uren later werd ik voor de derde keer die dag uit mijn cel gehaald. Dit keer werd ik niet geboeid. ‘Je bent vrij,’ zei de militair. Ik moest mijn vingers in een blauwe smurrie dopen en op zesentwintig formulieren in het Arabisch drukken. Mijn spullen kreeg ik terug en even later stapte ik door het hek naar buiten. De volgende dag vloog ik terug naar Nederland.

geen reacties
0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch

0 Toneel

Stukje

Bauke Vermaas