Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Vogelvrij

Door Patricia Pos

Mijn zusje ziet overal vogels. In het park en in de dierenwinkel, maar ook op plekken waar ze minder vanzelfsprekend zijn. Bijvoorbeeld in de kleedhokjes van het zwembad en in de trein naar opa en oma. Het vaakst ziet ze de vogels op haar kamer. Zelf heb ik ze daar nog nooit gezien, maar dat zegt natuurlijk niks. Mijn zusje zou nooit tegen me liegen en dus blijf ik goed om me heen kijken. Net zo lang tot ik zie wat zij ziet.
In het begin dachten papa en mama dat het iets tijdelijks was. Dat mijn zusje gewoon een rijke fantasie had en denkbeeldige vriendjes bedacht die toevallig vogels waren. Ze dachten dat het een fase was waar ze vanzelf uit zou groeien en glimlachten vertederd als mijn zusje weer eens enthousiast vertelde over een meeuw in de supermarkt. Maar het was geen fase. Twee jaar na haar eerste ervaring als vogelaar zag ze nog altijd mussen in de badkamer en kraaien op school.
Nu gaat mijn zusje elke dinsdag naar de therapeut. Dat is een mevrouw die haar leert wat echt is en wat niet en haar vertelt wat ze het beste kan doen als ze vogels ziet. Mijn moeder denkt dat de therapie helpt omdat mijn zusje het steeds minder vaak over de vogels heeft, maar ik weet wel beter. Steeds als ik haar ogen naar boven zie afdwalen, weet ik dat ze een gaai of misschien wel een kaketoe ziet. Dan wacht ik tot mama niet kijkt en geef ik haar ons speciale teken. Ik leg mijn wijsvingers gekruist over elkaar en maak met de onderste kootjes een rollende beweging. Als je in het donker met een zaklamp op mijn vingers zou schijnen, zou je op de muur een vliegende vogel zien. Meestal knikt mijn zusje dan en lachen we naar elkaar.
Van haar therapeut mag mijn zusje niet meer over de vogels praten. ‘Dat is voor iedereen het beste,’ zegt mama. ‘Hoe minder aandacht je aan ze schenkt, des te sneller ze weg zullen vliegen.’ Maar mijn zusje wil helemaal niet dat ze wegvliegen. De vogels zijn haar vrienden. Steeds als mama zegt dat ze zonder de dieren beter af is, zie ik dat ze haar ogen neerslaat. In plaats van met opgeheven hoofd naar het volgende vliegwonder te zoeken, kijkt ze met bevende lippen naar de grond. Gelukkig is morgen alles anders. Morgen is alles goed.

Precies volgens plan sta ik om zes uur op. Dan is zelfs papa nog niet wakker en kan ik dus zonder betrapt te worden de trap afsluipen om naar de gang te gaan. Als ik halverwege de treden ben, zie ik mijn schatten al liggen. Twee tijdschriften en een mapje vol foto’s die tante Ann voor me heeft afgedrukt. Ik stop ze snel onder mijn slaapshirt en loop op mijn tenen terug naar boven. Als een volleerd spion trek ik geruisloos mijn slaapkamerdeur achter me dicht en verberg de schatten onderin mijn kast.
Van opwinding kan ik niet meer slapen en dus wacht ik tot het licht wordt. Zodra ik de voordeur dicht hoor slaan, spring ik mijn bed uit. Papa is naar zijn werk en in de keuken zet mama net het koffiezetapparaat aan.
‘Goeiemorgen,’ zeg ik terwijl ik op mijn vaste plek aan tafel ga zitten.
‘Goeiemorgen,’ antwoordt mama. ‘Wil je pap of een boterham?’
‘Pap.’
Ze haalt een pak melk uit de koelkast. ‘Je weet dat Jenna en ik straks naar mevrouw van der Pol moeten, hè?’
Ik knik opgetogen, maar probeer dan te fronsen om mezelf niet meteen verdacht te maken.
‘Zal ik een film voor je opzetten? Dan zijn we terug als die bijna afgelopen is. Alice in Wonderland vind je mooi, toch?’
‘Alice is goed,’ zeg ik onverschillig, maar van binnen grijns ik. Ik ga de film toch niet kijken. Ik heb betere dingen te doen.
De magnetron piept en mama haalt mijn schaaltje uit het apparaat. Ze roert de pap nog eens door. Dan zet ze hem voor me op tafel.
Terwijl er nerveuze vlinders door mijn buik fladderen neem ik een hap. Vandaag is alles anders. Vandaag is alles goed.

Met mijn neus tegen het raam gedrukt kijk ik mama’s auto na. Zodra ik de felgekleurde stickers die mijn zusje op de achterruit geplakt heeft niet meer kan zien, ren ik de trap op en stap ik regelrecht op mijn kast af. Onderin vind ik de stapel papieren die ik de afgelopen weken verzameld heb. Nummers van Vogelmagazine en het ledenblad van de Vogelbescherming, maar ook knipsels uit kranten en zelfs kleurplaten van Disneyvogels die tante Ann blijkbaar ergens heeft opgeduikeld.
Met volle armen loop ik de trap af en hijs ik de stapel papier op de keukentafel. Dan haal ik een schaar uit de la en ga ik aan de slag. De kleurrijkste vogels vindt mijn zusje het mooist en dus knip ik die het eerste uit. Dan volgen de meeuwen en daarna de rest. Ik kijk op televisie hoe het met Alice gaat en zie dat ze net het Witte Konijn gevonden heeft. Gelukkig. Ik heb nog even.
In de rommella vind ik de witte plakkers die mama altijd gebruikt om posters op te hangen. Ik moet twee keer heen en weer lopen om mijn zorgvuldig uitgeknipte vogels en de plakgum boven te krijgen. Alice is inmiddels op het theekransje van de Gekke Hoedenmaker, zie ik als ik met mijn tweede lading vogels op weg naar boven ben. Nu komt alles goed, denk ik steeds. Straks kan iedereen de vogels zien. Dan is Jenna niet meer alleen en kan ze weer gewoon over haar vrienden praten.
Ik spreid de vogels uit over de vloer van Jenna’s slaapkamer en druk op elk stuk papier een flinke dot plakgum. Dan begin ik ze op de muren te plakken. De kleinste vogeltjes plak ik onderaan. Als je klein bent, kun je immers nog niet zo hoog vliegen. Bij Jenna’s bed hang ik de vogels waarvan ik denk dat ze ze het mooiste vindt, zoals een mandarijneend, een pauw met wel duizend kleuren en natuurlijk een meeuw. Om de hoogste vliegers op hun plek te krijgen heb ik een stoel nodig om op te staan en dus ren ik naar de keuken. Alice heeft een kwast in haar hand en verft de rozen rood. Ik moet opschieten.

Ik probeer net een adelaar boven het raam te plakken als de portieren van de auto worden dichtgeslagen. Ze zijn terug! Ik klim snel van de stoel af en gooi de overgebleven knipsels op een stapel. Dan probeer ik de plakgum weer terug in de verpakking te stoppen, maar die is zo kleverig geworden dat ik hem amper van mijn vingers krijg. Ik maak er een grote bal van en wapper net zo lang met mijn hand tot de gum loslaat.
De voordeur gaat open en razendsnel schuif ik de keukenstoel aan de kant.
‘Rosa?’ roept mijn moeder verbaasd. Waarschijnlijk heeft ze de puinhoop in de keuken meteen gezien.
‘Ik ben boven!’ Ik trek de slaapkamerdeur open en kijk langs de trapleuning naar beneden, waar Jenna net haar jas ophangt.
‘Jenna!’ fluisterroep ik. ‘Kom eens?’ Ik wacht tot ze opkijkt en geef dan ons geheime teken.
Meteen verschijnt er een brede glimlach op haar gezicht en begint ze naar boven te klimmen.
‘Rosa, wat heb je in vredesnaam uitgespookt?’ vraagt mama vanuit de keuken. Dan stapt ze terug de gang op om haar schoenen op te bergen.
‘Gewoon, geknutseld!’ zeg ik.
Mama loopt nu ook de trap op en komt ongeveer tegelijk met Jenna boven aan.
‘Ik heb iets gemaakt,’ zeg ik terwijl ik mijn zusje aan haar hand mee naar haar kamer trek.
‘Wat dan?’ vraagt ze. Dan ziet ze de vogels. Eerst begint ze te lachen, maar al snel worden haar ogen angstig. Ze kijkt naar mama en dan weer naar mij.
‘Nu zijn er echt overal vogels!’ roep ik vrolijk.
Mama staat met open mond in de deuropening. Even ben ik bang voor wat ze zal zeggen, maar dan glimlacht ze. ‘Ja. Nu zijn er echt overal vogels.’
Jenna begint van oor tot oor te stralen.

———-

Beeld: Christian Schloe

geen reacties
0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch

0 Toneel

Stukje

Bauke Vermaas