Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Vondelpark

Door Margot van Westen

Vondelpark

Ik heb mijn fiets in de gracht gegooid. De laatste weken kon ik nog geen honderd meter fietsen zonder de ketting weer terug op het tandwiel te moeten leggen. Daar krijg je vieze handen van. Er viel niet tegenop te nagellakken. Ik heb het blijkbaar graag willen horen plonzen want met handen en voeten heb ik mijn fiets onder de reling door het water ingeduwd. De trappers bleven meerdere malen achter een paal haken, maar met mijn fiets in precies de juiste hoek, schoof-ie het water in. De plons viel tegen. Mijn bommetjes in het zwembad hebben meestal meer effect.
Het is pas twee uur donderdag en ik moet nu lopend naar huis. Gewoon lopen, zonder gedoe en straks met schone handen naar bed. Het is stil op straat. Het is de stad en ik. Ik moet door het Vondelpark om thuis te komen. Niemand vindt het goed dat ik daar in het gat van de nacht doorheen wandel, maar wie gaat er nu omlopen op dit uur? Omlopen is verliezen. Verliezen van de stad. Alsof iemand anders de baas is. Ik ga er dwars doorheen. Het Vondelpark is van mij.
Mijn leven lang gewaarschuwd voor de nacht. Vroeger maakte ik me lelijk als ik alleen in het donker was. Als ik ineens door een lege straat moest of de tram niet kwam. Dan deed ik mijn haar voor mijn ogen en mijn kraag omhoog. Ik sjorde mijn rokje naar beneden zodat er één centimeter minder been te zien was. Wetende dat je heus niet vanwege je uiterlijk wordt gegrepen. Een beetje verkrachter neemt je ook wel op een bad hair day.
Ik loop door de poort waar Vondelpark op staat geschreven. Een laaghangende tak verwelkomt me in het woud waar ze mijn eigendom en eigenwaarde willen hebben. Twee Amerikanen razen schreeuwend voorbij. Ze doen een wedstrijdje fietsen. Ik ben voor de voorste, want de achterste heeft fietstassen.
Het is herfst in het park, de enige periode dat de bomen goed bij het licht van de lantaarnpalen kleuren. Het is jammer dat ik mijzelf melancholie heb verboden anders had ik hier goed mee uit de voeten gekund. Ik kijk naar waar het licht niet bij kan. Zouden de junks in die zijpaden uit de bosjes springen als de griezels in een spookhuis? Een dun reepje maan schijnt me bij terwijl ik langs de velden loop waarop ik de zomers heb gevierd. Waar ik op mijn blote voeten geloofde dat het nooit meer koud zou worden. Wat kunnen ze me maken? Ik was hier de koningin van de barbecues. Het Vondelpark is van mij.
In een villa aan de overkant van het water brandt licht. Als ik op de gele reflectie in het water kon staan, zou ik naar het huis kunnen lopen. Zouden ze een feestje geven waar mensen wel op tafels dansen? Zouden ze ruzie hebben en kan de zwakste niet slapen? Of zijn ze gewoon rijk en kan het ze niet schelen dat niemand het licht heeft uitgedaan?
De wind trekt aan waardoor er van alles uit de bomen komt zetten. Takken en donkergele bladeren vallen op de grond, maar niet op mij, want het Vondelpark is van mij. Ik kan geen in- of uitgang meer zien. Het park is een donker gat in de stad. In de verte schijnt roze licht de lucht in. Onder die gekleurde wolken is vast een feest waar ik niemand ken of een gebouw waarvan ik niet weet waarvoor het dient.
De haast van iedereen die hier overdag maar onderweg is, is neergedaald. Ieder geluid staat op zichzelf; heeft een begin en een eind. Alleen mijn hak tegen het asfalt, zonder op te gaan in andere geluiden. Er is hier niemand. Het Vondelpark is van mij. Ik zou mijn kleren uit kunnen doen en alleen op sokken en schoenen naar huis kunnen lopen. Niemand die het ziet. In plaats van verkracht te worden zou ik mezelf op een bankje kunnen vingeren. Niemand om het raar te vinden.
Ik loop langs de boom die al minstens vijf jaar op zijn kant ligt. De takken groeien inmiddels als wortels de grond in. Ontworteld en toch in bloei. Ik sta mezelf drie seconden gelijkenissen met de boom toe.
In de verte staat een paard dat twee passen later een man en een vrouw blijkt te zijn. De man is de paardenkop, de vrouw is de romp. Ze praten Duits en doen als mensen die verliefd zijn. Een combinatie die ik maar moeilijk kan begrijpen. Hun handen verdwijnen in de winterjas van de ander naar god weet waar. Ben ik dan de enige Nederlander hier? Zie je wel, het Vondelpark is echt van mij.
Ik heb het park bijna uit. Bijna op de T-splitsing. Bijna op de plek waar ik voor het eerst met Olav heb gezoend. Ik hoop maar dat die Duitsers het uit hun hoofd hebben gelaten om daar aan elkaar te zitten. Het Vondelpark is van mij. Nog tien stappen en ik ben aan de overkant. Nog negen stappen de bomen, de bankjes, de fonteinen, het water dat in het donker niet doorzichtig is. Nog acht stappen alles zo dichtbij en voor mij alleen dat het nep lijkt te zijn. Nog zeven stappen het Vondelpark, dat als niemand kijkt pas echt zijn best doet.
Ik ben weer terug in de wereld van de scooters. Terug aan de andere kant van de stilte. Met de kerstversiering boven de straat vier ik dat ik de oversteek heb gehaald. Dat ik nog geen stuiver verloren heb. Ik passeer de Italiaan waar Olav en ik zowel de tiramisu als onze relatie opmaakten. Het begin en het eind op slechts vijf minuten. Hoe kan het dan nog drie jaar hebben geduurd? Ik herhaal ons nog een aantal passen; bijna misselijk van hoe snel hoop wanhoop werd. Ik weet alle namen van zijn tantes en ooms nog. Ik weet wie met wie gebrouilleerd is en waarom. In welk jaartaal de ruzies ontstonden en dat tante Cecile altijd Zwitserland speelde. Wat een nutteloze ballast. Mag dit uit mijn hoofd?
Ik knip een vergeten fietslicht uit. De fiets is vastgebonden aan een hek dat bij een huis hoort met twee openstaande ramen. Ik zou zo naar binnen kunnen klimmen. Gluren naar de gezonde mensen die slapen in een koude kamer. Zouden ze morgen blij wakker worden? Zouden het van die mensen zijn die kunnen popelen; popelen om de dag te beginnen?
Als mensen doodgaan omdat ze in de gracht vallen, komt dat in de meeste gevallen omdat ze op een fiets landen en zo hun rug breken. Kennis waar iedere Amsterdammer over beschikt. Ben ik niet bang in het donker omdat ik zelf om bang van te worden ben? Gelukkig heb ik net het fietslicht van een vreemde uitgeknipt.

geen reacties
0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch

0 Toneel

Stukje

Bauke Vermaas