Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Vreemdeling

Door Tinka ten Klooster

Meneer Sierpiński woont aan de Mozartlaan 573 in Delft, op de elfde etage. Bij het uitkomen van de lift is het links door de deur die klemt, over de winderige galerij en daar de zevende flat.
Binnen tsjilpt een felgele kanarie. Dat zouden niet-vogelkenners zeggen, maar voor meneer Sierpiński is het als een aria. Hoge zuivere klanken dwarrelen door zijn kamer, en voordat ze zachtjes neervallen, neemt de intensiteit van de zang toe, waardoor de klanken weer opgeschud worden. Meneer Sierpiński zit stil in een bruine fauteuil en luistert vol aandacht, met zijn ogen dicht. Niet dat het veel uitmaakt, zien doet hij niet meer. Alleen zijn vingers bewegen traag heen en weer over de leuning, de ribstof is inmiddels afgesleten.
Een roffel op het raam.
‘Joehoe, meneer Sierpiński!’ hoort hij, ‘Marit hier.’ Een sleutel in het slot en ze stapt binnen. Marit komt niet vaak, meestal komt Estelle of Rachel. Geritsel, ze raapt iets op van de mat en gooit dit samen met haar sleutelbos op tafel. De aria valt stil.
‘Goedemorgen meneer, hoe gaat het ermee? Goed geslapen?’ vraagt ze. Haar stem is schel. ‘Nog speciale wensen voor vandaag?’
‘Nou, graag …’
Maar Marit dendert door naar de keuken, hij voelt de lucht verplaatsen. In haar voorbijgaan ruikt hij een onbekende geur. Hij hoopt voor haar dat het een slecht gekozen wasmiddel is en geen parfum of eau de toilette. Hij lacht er zelf een beetje om.
Keukenkastdeurtjes gaan open en dicht, de kraan loopt. ‘Verdorie, het staat nog in mijn auto.’ Weer geklapper van deurtjes. Meneer Sierpiński hoort haar moeizaam overeind komen. ‘Dan dit spul maar.’
Als Marit naar het halletje loopt, klotst het water in de emmer. Groene Zeep. Hij ademt het zachte fris in. Wat hield hij ervan om als kind de zeep te laten oplossen in water.
‘Eén lepel, mój kochany, meer hoeft niet.’ Hoe het vormloze klotsje steeds minder vast werd, hij liet het heen en weer glibberen tussen zijn vingers, tot het water melkachtig werd en zijn vingers verdwenen.
Later was hij helemaal verdwenen, dáár. Gevlucht. Weg van de armoede, van de beperkingen, van het communisme. Marit heeft geen idee, beseft hij.
‘Marit, ik zou graag …’
Ze trekt de wc door, ‘Zei u wat, meneer?’ Haar stem galmt in de wc-pot, ze schrobt met de borstel. ‘Is wel nodig, zeg.’ Weer trekt zij de wc door.
‘Ja ja’, zegt hij, ‘het zou fijn zijn als…’
‘Fijn dat ik het doe hè?’ zegt ze. ‘Ik doe het ook graag. Helpen. Het is zo nodig.’ Ze beent terug naar de keuken, het water stroomt door de afvoer, gerammel met servies en bestek.
‘Wacht maar’, spreekt hij zichzelf in gedachten toe.
‘Heeft u ook zo’n last gehad van mensen aan de deur?’ roept ze vanuit de keuken. Hij schudt zijn hoofd, maar ze ziet het niet. Hij steekt zijn vingers tussen de spijlen van het vogelkooitje door. Als hij het vogeltje tegen zijn wijsvinger aan voelt, aait hij het licht over de veertjes. Zijdezacht voelen ze. Keelklokkende geluidjes. Het kopje zoekt zijn vingers op, duwt er tegenaan en dan gaat het vogeltje op zijn vingers zitten. Nee, denkt hij, je kan er nu niet uit. Straks.
‘Ze komen wat afleveren, zeggen ze’, gaat ze verder, ‘maar ondertussen.’ Fel voegt ze eraan toe: ‘Altijd buitenlanders.’
Hij rilt en is terug in het sobere huis bij het woud van Borecka. Alleen rond de houtkachel was het aangenaam geweest. Bij het opflakkeren van het vuur zag hij grillige schaduwen van het gewei, een trofee van zijn overleden opa.
‘Ik heb het niet over u hoor, meneer Sierpiński.’ Ze opent de balkondeur en haalt de vuilniszak uit de verzinkte vuilnisemmer. De deksel slaat open tegen het muurtje. Het geeft een doordringend geluid.
Hopelijk slaapt de buurvrouw nog niet, denkt hij. Het gaat niet zo goed met mevrouw Kramer de laatste tijd.
‘Het stond op een aanplakbiljet in de hal beneden. Dus ik zeg het u maar. Daarom zeg ik altijd eerst mijn naam, als ik bij u aankom. Geen vreemden binnen laten hoor, vuile dieven zijn het.’
Met een handomdraai had hij het smalle nekje gebroken en bungelde het kopje naar beneden. Zijn oma was zo verzwakt geweest door het eenzijdige eten, dat hij als tienjarige een kip had gestolen bij een boer verderop. Door een vos meegenomen, vertelde die de volgende dag. Hij was steeds vaker met iets thuisgekomen.
‘Laat ze lekker in hun eigen land blijven!’
De kanarie fladdert heen en weer. Staccato kreetjes flitsen rond.
Van het ruwe platteland naar het Westland. In de afgelopen veertig jaar was hij de het vreemde land langzamerhand ook gaan waarderen: het ziekenfonds, het consultatiebureau, zijn vrije tijd naast een werkweek. En sinds kort ook Tafeltje Dekje en Thuiszorg.
De keukenlade gaat open, Marit scheurt een nieuwe vuilniszak af. Een KOMO-zak, weet hij, dik degelijk plastic, een ander merk wil hij niet in huis.
In zo’n zak had hij in de jaren zeventig nog de twintig-dorpentocht geschaatst, toen bij de start bleek dat hij zijn windjack was vergeten.
‘Wacht maar even’, een van de vrijwilligers was opgestaan, ‘ik weet wel wat.’ Hij had de KOMO-zak omhooggehouden. ‘Beter kan je ze niet krijgen.’ Drie gaten had hij erin gemaakt met een zakmes van zijn vriend, één voor zijn hoofd en twee voor zijn armen. Tussen de silhouetten van het riet kwamen ze na zonsondergang aan bij de finish. Zijn snor was dik en wit van bevroren rijp. Vanaf toen noemden zijn Nederlandse vrienden hem ook wel Zakski. Hij was de eerste in zijn familie geweest die kon schaatsen. Gekkenwerk vonden ze het toen.
Bam, de vuilnisbakdeksel zit weer dicht. Marit blijft mopperen. Gerinkel van lege flessen. ‘Ik zet het vast op de galerij, neem ik het zo in één keer mee.’ De voordeur gaat open en weer dicht.
Hij had niet veel nodig gehad, zijn vrouw begreep het. Liever stuurden ze zijn familie een benzinebosmaaier, een dubbelloopsjachtgeweer en medicijnen voor oma.
‘Kopje thee, meneer Sierpiński?’
‘Graag, dank u.’ Het kopje rammelt op het schoteltje als ze het bij hem neerzet. Dan is het stil.
‘Wilt u nog even bij mij komen zitten?’ vraagt hij zacht. ‘Ik wil u graag vertellen over vroeger, in Polen.’
Marit blijft staan. Getik van haar nagel op haar horloge.
‘Gaat niet, ik ben al laat. Helaas.’ Stappen naar de tafel en gerinkel van haar sleutelbos. ‘Het staat ook niet in uw zorgplan, meneer Sierpiński.’ De voordeur gaat open, de kilte sluipt naar binnen.
‘Als u dat wil, is er een nieuwe indicatie nodig. Begrijpt u?’ De flessen rinkelen.
‘Ik moet nu door.’

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch