Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

WACHTEN OP HAAR

Door Ben Dekkers

WACHTEN OP HAAR

Ik heb al lang gewacht. De zon heeft zich inmiddels verscholen achter de toren van de kerk tegenover het terras. Laat twaalfde-eeuws las ik al eens op het bruine bordje dat naast de ingang hangt. Het terras valt met het vertrek van de zon nu voor het grootste deel in de schaduw.

Voor de tweede keer vraagt het meisje of ik misschien toch wat wil bestellen. Ik heb geprobeerd haar blik zo lang mogelijk te ontwijken. Nu is er geen ontkomen aan. Met haar witte blouse nonchalant in de spijkerbroek staat ze recht tegenover me.

“Ik wil toch graag nog even wachten. Ik heb namelijk een afspraak.”

Ze gelooft me niet. Ik zie het aan haar schouder ophalen. Aan de opgetrokken wenkbrauwen en de frons in haar fraai gevormde voorhoofd. Ik ken de blik. Ik ben een professional geworden in het lezen van gezichten. Als ik aan mensen voorbij trek. Als voorbijgangers een blik op mij werpen. Ik heb in alle neergang één afspraak met mezelf gemaakt. Ik sla mijn ogen niet neer. Ik ken inmiddels al die variaties in menselijk gedrag als ze me passeren: de verontwaardiging, de spot, soms het mededogen, meestal het negeren. Wat zegt het over mij. En over hen?

Ze zal nu wel overleggen met de baas van het café. Wat ze met me aan moeten. Hoeveel tijd ze me nog gunnen en of er nog een echt ultimatum komt. Als ze er al één stellen. Niet dat ze me kennen. Maar inmiddels is het natuurlijk niet zo moeilijk meer in te schatten. Ik heb het best lang volgehouden om als een toevallige passant te verschijnen. Zo heb ik altijd zorgvuldig de slaapplekken uitgezocht. Ben ik nooit zo maar op het nat, op mos of op groene aanslag gaan liggen. Heb ik gezorgd dat er altijd minimaal een krant onder me lag. Bij regen ben ik, als het even kon, onder dak gegaan. Maar ook de tijd verslijt kleding. Zon die bleekt en grijstinten tovert op mijn zwarte overjas. Beweging die aan draden trekt en wijder maakt. Gaten die vallen in de onderkant van mijn door gebrek aan eetlust net te lang geworden broekspijpen. Ze schuren ondertussen de straat. Een krantje onder mijn arm heeft me lang in positie gehouden. Als een ambtenaar die pauzeert en op zoek is naar een plek in de zon om het nieuws tot zich te nemen. Maar dit beeld is niet langer geloofwaardig.

En toch klopt het. Ik heb een afspraak.

Ze had me eerst niet herkend. Ik haar natuurlijk wel. Meteen. Eerlijk gezegd had ik haar liever niet ontmoet. Het is immers te moeilijk geworden om de goede woorden te vinden. Wat valt er na al die tijd bovendien nog uit te leggen?

De dag was nog zo mooi begonnen. De zon straalde en ik had een bankje gevonden in een rustig deel van het park. Ik genoot van het paars van de rododendrons. Een pimpelmeesje nam een bad in een plas water dat was achtergebleven na het buitje van de avond daarvoor. Het gooide water over zijn vederdek en sloeg zich met de vleugels weer droog.

Toen ik opkeek zag ik haar aan de overkant van het vijvertje. Met dat plastic zakje met broodkruimels voor de eenden. Met dat kleine knulletje, zo groot geworden al weer.

Wat was het? Een pijnscheut. Een moment van direct paniek. Die impuls om meteen op te staan en te verdwijnen. Die verleiding om toch te blijven kijken.

De glimlach won het: bij het zien van de bravoure van dat jongetje en hoe hij genoot van de opwinding die hij bij die beesten teweeg bracht. Hoe ze hem bij de arm pakte, licht voorover boog en hem vermanend toesprak dat hij niet achter de eenden aan mocht jagen.

Eigenlijk zou het zó moeten zijn: dochter en kleinzoon voeren in het park de eendjes. Opa, die hen begeleidt, slaat op een bankje het tafereel gade. Een zomers licht valt over de rimpeling van het water, de weerspiegeling van de massieve wilg krijgt laagjes. De jonge moeder maakt zich druk over het ondeugend gooien van de steentjes. Opa lacht bemoedigend naar haar zoontje.

Maar zo is het niet.

Ik bleef net te lang zitten. Ze leek een zijweg in te slaan. Maar toen liep ze onverwacht toch rechtdoor. Het was voor mij te laat om mijn spullen nog bij elkaar te rapen, op te staan en weg te gaan. De meters afstand minderden en even later keken we elkaar aan. Ik had me in die paar seconden al voorgenomen om, als ze me al zag, het initiatief bij haar te laten. Ze liep door tot de volgende bocht en ik keek haar na. Op dat moment bleef het kleine kereltje staan en ging alle aandacht uit naar een steentje dat hij op het pad gevonden had. Het gaf haar de tijd van een heroverweging en een besluit om zich om te draaien en terug te lopen.

“Pap?”

Haar vraagteken illustreerde onze verwijdering. Dat we zo maar waren verdwenen uit elkaars leven. Omdat het nu eenmaal niet anders kon en het inmiddels nu beter zo is. Wat moest ik haar ook vertellen? Wat zeggen andere mannen die, onder het mom van het halen van een pakje sigaretten, zo maar van de ene op het andere moment de deur achter zich dicht trekken, zonder ooit nog terug te keren? Moest ik zeggen dat ik ergens in mijn leven was beland waar ik helemaal niet wilde zijn. En dat ik opnieuw wilde starten? Maar dan van achteren naar voren? Uitvinden hoe het beter zou kunnen beginnen als het einde bekend is en onaangenaam is geworden?

Zoveel vraagtekens. Ik kan het mezelf niet eens uitleggen, hoe moest ik het haar dan vertellen.

“Jeanine.”

Ik probeer neutraal te klinken.

Het knulletje loopt nu door. De steen gooit hij naar de eendjes en hij rent achter hen aan, als ze opvliegen en een veilig plekje verderop zoeken. Haar blik glijdt langs mijn jas. Eerst naar beneden. Ze ziet de rafels. De zool die los hangt als ik mijn benen over elkaar sla. Dan omhoog. Ze blijft hangen bij mijn ogen en slaat de hare dan neer en kijkt opzij. Ze ziet haar kleine vent rennen.

“Bram….je kleinzoon. Ik moet …”

“Natuurlijk.”

Als ze weg loopt draait ze zich nog een keer om. “Donderdagmiddag om vier uur bij café Jansen? Buiten op het terras?”

Ik knik. Wat kon ik anders?

Nu het die donderdag is, zoek ik de tijd op de kerktoren. De vier slagen liggen al een hele poos achter me. Ik tel de muntjes nog een keer. Maar het is niet genoeg voor een kop koffie. De eigenaar, die in de deuropening staat, ziet me rekenen. Mijn krediet bij hem is op. Hij ziet dat ik het geld weer in mijn jaszak stop en dat er dus geen bestelling zal volgen. Hij hoeft het me niet te zeggen. Ik knik als hij met zijn hand het bekende gebaar maakt.

Het is bijna half vijf nu. Ik steek de straat over en kijk nog eenmaal achterom. Het tafeltje is leeg. Het roze van het tafeltje kleurt fel in de zon, die net nog weer voorbij de toren tevoorschijn komt. De schaduw werpt over één van de tafeltjes een zwarte veeg. De stoeltjes staan stijf naast elkaar. Bewegingsloos. Ik kijk de straat in, naar beide kanten en zoek naar een gehaaste gestalte in de verte. Maar die is er niet.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch