Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Warre en de monsters

Door Marleen

I.

De mooiste meisjes dansten deze dagen in een zweem van kots. Dat was wat Warre dacht, terwijl hij naar de smeulende asresten staarde. Wanneer kantoorlui hun vrijdagmiddagborrels hielden, stookten de jongens van de vuilstort een vuurtje. Als er tenminste geschikt houtafval was binnengebracht en de baas een vrije dag had.
Vandaag was de baas ziek en bleek het hout geïmpregneerd. Het had even geduurd voor de vlammen langs de plafondschrootjes likten. De collega’s met kinderzitjes op de bagagedrager waren als eerste vertrokken, het weekend tegemoet. Uiteindelijk was alleen de oude Siderius nog even gebleven. Zelfs als je meerekende dat hij er waarschijnlijk minstens twintig jaar ouder uitzag dan hij was, had hij al lang met pensioen moeten zijn. Hij zweeg en luisterde, terwijl Warre eigenlijk ook niet veel zei. Die probeerde vooral aan de meisjes te denken, zónder in gedachten iets te ruiken. Nadat ook Siderius vertrokken was, pookte Warre tot het vuur nog een laatste keer oplaaide. Hij smeet een autoband op de brandstapel, snoof diep en trok nog een lauw biertje open.

Thuis nam hij een douche, vooral om zijn moeder te plezieren, die achter het fornuis in een pan roerde.
‘Ruikt lekker!’ riep hij.
Het rook naar oorsmeer. Maar daar kon zij ook niks aan doen.

‘Het klopt gewoon niet meer’, had hij tegen de dokter gezucht. Het was begonnen met een verkoudheid, jaren geleden. Drie weken waarin groen snot langs de rauwe vellen onder zijn neus sijpelde. Nadien keerde zijn reuk niet terug. En later toch wel, maar er klopte dus niets meer van.

Aan tafel bracht Warre de lepel aspergesoep naar zijn mond, alsof er dertig kilogram aan hing. Net als in de sportschool, minus de lepel. Daar ging hij het liefst vroeg in de avond naartoe. Als het er druk was en zweterig, vol werklui die het douchen nog wel even tot thuis uitstelden. Voor Warre rook dat als een frisse lenteochtend onder een laagje dauw.
Een bakkerszaak rook nu als een viskraam, en een viskraam als een tankstation. Met zijn hond had hij de laatste jaren het liefst gestoeid na een regenbui, zijn gezicht diep in haar natte vacht. Nu lag ze in de tuin, onder een houten kruis waarvoor hij twee stukken sloophout van het vrijdagmiddagvuur had gered. Hij had gehuild toen hij haar begroef. Ook omdat de dood naar Zwitsal geroken had.
En wat de meisjes betreft: hoe harder ze schrobden en boenden, hoe walgelijker. Hij was al eens gezwicht voor een veel te jong exemplaar, van de leeftijd waarop ze nog niet allemaal deodorant gebruiken. Dat had weer andere nadelen gehad.
Terwijl hij de soep met moeite binnen wist te houden, probeerde hij de oorsmeergeur te verdringen met herinneringen aan hoe zijn moeders soep vroeger geroken had. En toen dat niet lukte, met de gedachte aan de geur van zijn pis, morgenochtend. Vanille, tegenwoordig.

Op de dag dat Warre bij de vuilstort solliciteerde, had Siderius aan de poort gestaan. Leunend op een bezem, zijn smerige gezicht zo diep gegroefd dat het nog het meest leek op de schors van een oude eik. Ergens bungelde een peuk en ergens anders waren twee ogen in de loop der jaren naartoe gezakt. De twee mannen knikten naar elkaar. Een vuilniswagen reed traag achterwaarts tussen hen door. Vies, stond in het stof op de zijkant geveegd. De letters zelf waren ook alweer vies.

Toen hij zijn fiets later van het slot haalde, stond Siderius er nog steeds. Alleen de peuk was korter. Waarschijnlijk was het inmiddels een volgende, maar lang had het sollicitatiegesprek niet geduurd. In een bouwkeet waarin alles vergeeld was, zelfs de kalender van een jaar dat nog maar net begonnen was, had de baas zich met zijn omvangrijke buik al snel over zijn bureau gebogen om Warre de hand te schudden. Het was een massief mahoniehouten bureau met een leren blad vol scheurtjes en koffiekringen. Ooit afgedankt afgeleverd hier. Tegenwoordig zou het voor antiek kunnen doorgaan, met een beetje liefde. Maar dát kwamen de jongens van de vuilstort zelden tegen. Hooguit de materiële overblijfselen ervan.

Na de aspergesoep werkte Warre zich door een quiche heen. Wat zijn moeder erin gestopt had, proefde hij niet, of dat probeerde hij althans. Malse biefstukken waren rottende kadavers geworden, maar hij had wel nog altijd een honger die gestild moest worden. Nog één keer had hij genoten van een rokerig en sappig stuk buikspek. Gevonden in de koelkast, toen zijn moeder een weekje weg was met de plattelandsvrouwen, op de zevende dag. Op de zeven dagen van buikkrampen die volgden, realiseerde hij zich voor het eerst dat zijn kwaal niet alleen ongemakkelijk was, maar ook het vertrouwen in zijn eigen lichaam aanvrat. Ieder ander had kunnen ruiken dat het restje bedorven was geweest. Van ellende was hij op den duur vegetariër geworden.

II.

‘Zo vrolijk, Warre,’ constateerde Siderius op maandagochtend.
Vrolijk was geen woord voor de oude vuilnisman, wat voor veruit de meeste woorden gold, maar het was al helemaal geen woord om Warre te omschrijven. Mismoedig, dat wel. Een aparte, als je het zijn collega’s zou vragen, maar nooit te beroerd voor de onwelriekendste klusjes. Daar bestond alleen geen apart woord voor. Zo zeldzaam was Warre wel.

De oude ogen, sinds hun eerste ontmoeting alleen nog maar dieper weggezakt, vooral de linker, hadden het echter goed gezien. Het zenuwachtige optrekken van Warres neus, was verplaatst naar zijn mondhoeken.
‘Ze studeert iets met poëzie’, zei de jongen. Misschien was het wiskunde. De muziek had nogal hard door alles heen gedreund, afgelopen vrijdagnacht. Ze had in elk geval een poosje over haar favoriete dichtbundels verteld. Warre las geen boeken. Hij kende eigenlijk alleen songteksten, waarvan hij de mooiste soms met zijn vinger op stoffige vuilniswagens schreef. Voor dit meisje volstond dat.

De club was groot, kaal en toch populair. De lage drankprijzen hielpen natuurlijk. En voor Warre ook de schimmel op de muren en de verkwikkende geur die andere neuzen binnen moest dringen als ouwe pis en verschaald bier. Daar zag hij haar voor het eerst. Tussen hen danste de mensenmassa, log en afwezig, als zombies. Ze hadden het niet op hem voorzien, met hun lege, ontwijkende blikken, maar ze wilden ook niet aan de kant. Uit de speakers beukten opgejaagde elektronische klanken, waar nu en dan een gitaar dwars doorheen brak. Du Riechst So Gut, van Rammstein. Zweetoksels, frituurlucht, koffie, knoflook, heel veel kauwgumpjes voor de zekerheid, en wat dat alles vervolgens aanrichtte in het menselijk lichaam, chemisch verbloemd met een overdaad aan kostbare parfums en gratis monsters: het kringelde allemaal in aangenamere transformaties om Warre heen. Met het rookverbod was het beschermlaagje van de nacht getrokken. Du Riechst So Gut. Hij playbackte juist mee, toen ze terugkeek. De mensen weken opzij, toen ze op hem afkwam.

Hij herkende een vleugje van het zoete, ongetwijfeld ook niet al te dure geurtje, waarmee zijn buurmeisje toch het lekkerst geroken had van alles uit de lang vervlogen zomer van 1998. Hij noemde de naam van het spul.
‘Klopt!’ knikte ze verrast.
Warre, ook verrast, greep haar hand, stak hem in de lucht en riep uit: ‘Het klopt!’
Tussen de gedichten die ze later voordroeg, wendde ze soms haar gezicht even af.
‘Ik heb shoarma gegeten’, zei ze verlegen. ‘Met veel knoflooksaus.’ Warre kroop steeds dichterbij, want in haar haren rook hij vooral weer shampoo, die gewoon naar shampoo rook.

In vreemde slaapkamers hing volgens Warre meestal een zwembadlucht, en dan niet alleen van chloor. Hier rook het echter naar frisgewassen lakens en een windvlaag met iets van lavendel door een open raam. ’s Ochtends maakte ze thee, die gewoon naar een snufje kaneel rook. De rest van het weekend speelde zich haast volledig in die kamer af. Tot haar wekker begon te loeien en de vuilstort weer wachtte. Ook daar zou alles anders zijn nu, had Warre zich gerealiseerd, met een voorbarig gevoel van misselijkheid. Kon hij maar monsters meenemen uit deze kamer.

Op het smoelwerk van de oude gebeurde iets. De inkervingen herschikten zich tot een glimlach, al kon het ook een frons zijn. En dan had Warre het allerbeste nog niet eens verteld.

Haar kut rook gewoon weer naar kut. Eindelijk.
Warre veegde nog snel zijn neus af, maar het meisje was al van zijn vingers verdwenen. Hij zette zich schrap voor de eerste klus: een container leegschrapen, met op de bodem een dikke laag van koffiefilters, luiers, aardappelschillen en vooral veel ondefinieerbare drab. Pas toen hij klaar was kwam de ontgoocheling.

Het had allemaal geroken als een pas gemaaid weiland in de zon.

En toen dacht hij aan het meisje. Tussen die twee benen moesten in werkelijkheid de zwaveldampen van de hel walmen. Gulzig had hij dit weekend gebaggerd in stilstaand slootwater, geslurpt van zure melk met klonten. Een kramp trok door zijn maag, hij klapte kotsend voorover in de bak die hij zojuist gezuiverd had. En uit zijn braaksel steeg een nevel van bloesem op.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch