Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Waterschande

Door Sofie Alossery

Scene: koppel van middelbare leeftijd aan het strand. Hij, een schrijver/dichter met een slabakkende carrière, draagt een oude zwembroek met daarover een lange zwarte mantel. Zij, wachtend op huiselijk geluk, ligt op een stapel strandlakens.

HIJ (mijmerend) De mannen met hondenlichamen verscheuren de menigte. De Styx, doordrenkt met bloed, is de doorgesneden hals van de gevallen beschaving. Aderen spatten open als rijpe druiven. Een kind klemt de bebloede haardos van zijn moeder stevig in zijn vuist. De zee spuwt vuur, ja, dat is het. De oceaan als schepper van de dood.
ZIJ Nou, is het weer zo’n dag? Heb je wel genoeg water gedronken?
HIJ Nee. Maar mijn dichtbundel moet af.
ZIJ Hou op, Beertje. Je hebt rust nodig.
HIJ Noem me niet zo. De zee als potgrond voor eeuwig lijden. Gekneld tussen de verleiding van eeuwig slapen en altijd wekken. Rode puntjes. Teruggetrokken naalden als kleine klauwtjes van het onzekere bestaan. Het stond getekend op zijn rug.
ZIJ Je hebt je niet ingesmeerd.
HIJ Zalven is verspilling als je niet gelovig bent.
ZIJ Hoezo?
HIJ Het is hoe je het bekijkt. Er stroomt geen bloed. Enkel gedachten. De slapeloosheid is zeker, het sijpelt. Het wentelt. Steeds dieper zink je. Zonlicht als messteken in je oogkas.
ZIJ Ja, mijnheer ‘ik hoef geen zonnebril want mijn ogen zijn immer gesloten voor de realiteit’. Leuk. Het is verdorie tegen twaalven.
HIJ Onbegrip vergrijpt zich aan mijn aura, zoals jonge knapen dat doen en zich bezweet snijden aan de zwarte rotsen.
ZIJ Natuurlijk begrijp ik je niet. Waar slaat dit op.
HIJ Zeemeerminnen kronkelen gekruld de dijken op, natte tongen, puntige vingers die je nekvel strelen alvorens de lucht uit je longen wordt gezogen. Of nee: jonge aapjes persen bloedsinaasappels tot hun voeten aan de takken plakken.
ZIJ Stop alsjeblief met kauwen op die gom van je potlood, daar word je ziek van.
HIJ Wie niet ziek is, kan ook nooit genezen.
(stilte)
ZIJ Volgens mij houd je niet meer van me.
HIJ Liefde is, net zoals tijd, relatief. Je hunkert maar je hebt nooit genoeg.
ZIJ Dat zei m’n moeder ook toen je lang geleden tijdens je eerste bezoek even naar het toilet ging. Ik weet nog dat ze met die groene klamme handdoek stond te zwaaien.
HIJ Maar als tijd en liefde relatief zijn, is de zee dat dan ook? Het water kwelt ons terwijl we niet zonder kunnen-
ZIJ “Verspil er je tijd niet mee, kind, en zoek een rocker of zo. Met een motor. Dat is minder erg dan een melancholische dichter die ‘uit principe’ zijn haar niet wast.”
HIJ Het water reinigt de mens terwijl de mens het water vervuilt. Hoe lang nog eer de mens het water reinigt voor het water de mens vervuilen zal?
ZIJ Maar nee, ik was blind. Verliefd op die holle woorden van je. Die vond ik toen zo mooi. En je haar, man toch. Telkens wanneer je die geruite mantel aandeed en je haar doorheen schudde… Je kon me zo oprapen.
HIJ We vallen allemaal wel eens over onze woorden, hol of vervuld van verlangen.
ZIJ Verlangen? Ik wil dat je naar me kijkt zoals je naar je notitieboekje ligt te loeren. Op een dag moet je kiezen, Berend. Wat zou je doen? Je durft het niet, hé?
HIJ De mens is immer laf.
ZIJ Dat was de titel van je eerste bundel. Je bent aan het recycleren. Je weet wat ze zeggen: “een recyclerende poëet is geen dichter meer, maar een ver-der.”
HIJ Wie zegt dat?
ZIJ Wordt het geen tijd dat we aan onszelf beginnen denken? We wonen nu al drie maand bij je ouders. Je vader gooide vorige zaterdag zijn stoma naar je hoofd omdat hij jou het huis uit wil. En je moeder is gestopt met scheerschuim op z’n koffie te spuiten. Zo jaag je die man echt niet het bejaardentehuis in.
HIJ Sluipende patricide lost, zoals een suikerklontje in een kop koffie, altijd alles op.
ZIJ Ja, ja. Dat zal wel.
(stilte)
ZIJ Maar dus.
HIJ Wat?
ZIJ Je bent niet meer de dichter van vroeger.
HIJ Wat wil je dan, dat ik de toekomst achter mij laat?
ZIJ Je verliest grip. Je perst inspiratie uit je vingers omdat je te bang bent dat het niet meer uit je pen zal vloeien.
(hij legt zijn schrift opzij)
HIJ Nonsens.
ZIJ Jawel.
HIJ Het sluimert gewoon in me. Ik weet dat het er zit. Als een draak. In een…
ZIJ In een wat? Een kasteel?
HIJ Een grot.
ZIJ Een draak in een grot.
HIJ Ja. Las jij nooit Tolkien?
ZIJ Natuurlijk. Maar dat bedoel ik dus. Je recycleert.
HIJ Ik laat me louter inspireren.
ZIJ Zie je, met je onnodige woorden. ‘Louter’. Moeilijk.
HIJ Ik vond dat noodzakelijk.
ZIJ Nodig.
HIJ Jij bent mijn muze niet meer.
ZIJ Wie denk je dat je bent, Pablo Picasso? Herman Koch? Arnon Grunberg zonder krullen?
HIJ Heeft Grunberg dan een muze?
ZIJ Ja, zijn moeder.
HIJ Hé, hou op. Dat is niet lief.
ZIJ En jij hébt me niet meer lief.
HIJ Er was een tijd waarop ik na één nacht met jou tientallen gedichten schreef.
ZIJ Hoogstens vijf waarvan er misschien twee bruikbaar waren.
HIJ Bruikbaar? Waarvoor? Voor materiële consumptie zoals die badhanddoeken van je? Twee plus één gratis? Poëzie is niet kapitalistisch. En dat zal het nooit worden.
(hij pakt zijn schrift terug op)
ZIJ Het zijn strandlakens. En dat zeggen alle arme dichters die geen geld meer verdienen.
HIJ Wat?
ZIJ Niets. Ik ga even zwemmen.
(Zij gaat af. Stilte)
HIJ En met het tij ging zij heen. Ritmisch. Wervelend. Het zonlicht knispert op haar gladde huid. Met een tandenstoker plant ik vlagjes op je vlekjes om ze te heroveren. De zee vermengt zich met je parfum als een roos in water. Zilte golven op stug haar. De smaak die ik straks nog kan proeven. De smaak van haar kolkend schuim dat urenlang de lakens zal bevochtigen en-
ZIJ Nou nou, ik hoor je wel.
HIJ En we daarna met het wilde waaien verdwalen over immanente vlaktes.
ZIJ Volgens mij gebruik je het woord immanent verkeerd. Oh trouwens, er zitten sandwiches met kaas in de koeltas.
HIJ Sinds wanneer hebben wij nood aan een koeltas?
ZIJ Omdat jouw hart te kil is geworden en enkel nog klopt voor overpriced Moleskines. Het is een schande.
HIJ Bah, dat Engels. Hoeft dit nu echt?
ZIJ Schrijf daar maar een gedicht over: de arme poëet met een schriftje van tig euro.
HIJ Dat ga ik doen. Dat heeft vast niemand al gedaan.
ZIJ Nou, ik zou me haasten, want Carl Spitzweg schilderde het al in 1839.
HIJ Wat hou ik toch zo ongelofelijk veel van je.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch