Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

We kunnen de wereld aan (fragment)

Door Jan De Visscher

Hoe het op het werk was geweest?
Hoe het op het werk was geweest?
Dat vroeg ze.

Ik zei niets. Mijn vrouw had er geen besef van hoeveel duizenden dingen overal en voortdurend in mijn hoofd bleven razen. En al dat gejaag ook. Alleen de trein al.

Hoe ik het station uit wandel en me aan elk kruispunt met lichten afvraag of ik rechtdoor dan wel links oversteek. Want dat kan seconden schelen.

Of ik iemand op de trein had gezien?
Een kennis misschien?

En dan inschatten of ik het rode voetgangerslicht kan negeren om tot in het midden van de straat te hollen om vijf meter te winnen. En dan op de vluchtheuvel beslissen wanneer ik, met behoud van lijf en leden, tussen de auto’s door de tweede helft van de straat kan oversteken. Want ook dat kan seconden schelen.

Of ik mee wou naar het oudercontact nu dinsdag?
Want onze zoon had het van Sinterklaas verteld aan die van het eerste jaar. Dat ze het wel fijn zou vinden als ik meeging.

En op zich is al dat gejakker, die trein, de al dan niet gemiste aansluiting, de vertragingen, de stakingen, de personen op de sporen, de agressie tegen een treinbegeleider, de veel te luide koptelefoon naast je, al die andere reizigers, de boemeltrein, het gebrek aan zitplaatsen, de niet ingeklapte vouwfietsen, de persoonsongevallen, de technische defecten, de spoorveranderingen, die ene onverlaat die naast jou komt zitten en een adem heeft van iemand die inwendig al drie weken dood is, de geblokkeerde deuren, het aanleunen tegen wildvreemden om overeind te blijven in een overvolle coupé, je mails al willen lezen maar geen plaats om je laptop open te klappen, de veel te grote reiskoffers, de verlichting die stuk is op een donkere winterochtend, het wachten op een signaal, het wachten tout court, de onverstaanbare excuses van de conducteur door de intercom en dat ze toch nog je ticket controleren hoewel je al eeuwen tussen twee stations stilstaat, niet zo heel erg. Maar het kruipt wel in je hoofd en vult daar alle resterende kamers.

Wie er de weekboodschappen doet?
En dat de frisdrank op is en zij niet met die bakken wil sleuren.

En elke dag opnieuw beweeg ik me zo in de zich voorthaastende kolonne, waar iedereen snelmarcheert, iedereen tijd sprokkelt. Omdat het ook voor hen seconden kan schelen.

Of ik winterbanden een goed idee vind?
En ik vrijdagochtend wat later kan vertrekken en zijn boterhammen maken?

Maar dan die mensen. Het ergste is als je het station verlaat en een vrouw achter je aan hoort komen die aan het bellen is, die haar leven probeert te regelen, die haar zoon of dochter heeft uitbesteed en haar man uitlegt waar de pampers liggen en zich dan terwijl iedereen het kan horen kwaad maakt, uit haar dak gaat en roept in de telefoon dat hij verdomme al maar eens eerder een pamper had moet verversen.

Of ik hem wiskunde kon uitleggen?
Wiskunde, schat, kan je dat uitleggen?

En het allerergste waren de ogen van die vrouw waar ik inkeek toen ik me omdraaide. Dat ze ondanks die doffe blik door blijft gaan en nadat ze ingehaakt en haar man aan zijn lot overgelaten heeft weer vriendelijk een collega belt om te vertellen dat ze wat later zal zijn, dat ze alvast kunnen beginnen, dat zij niet onmisbaar is. En even later hoor ik ze opnieuw bellen. Ik weer, zegt ze. Waar is die vergadering, welk gebouw, welke vergaderzaal?

Of ze mijn laptop bij het huisvuil mocht zetten?
Of ik doof was?

En ik bekijk die vrouw en al die forenzen rondom haar en het is allemaal zo herkenbaar, het is allemaal zo herkenbaar.

En ik kan er niet meer tegen.

Of ik weet dat ik een zoon heb. En een vrouw?
Of ik besef dat die met mij willen praten?
Waarom mijn geest bij elke vraag weer eerst in mijn lichaam af moet dalen?

Het gaat beteren, zeg ik haar.

Ik ga geen trein meer nemen. Ik krijg een bedrijfswagen. En ik zit alleen in mijn wagen, zeg ik.

Dan kom ik tot rust.

Dan ben ik rustig als ik thuis kom.

Ja, zegt ze, ik hoop echt dat het zal beteren.

Dat hoop ik echt, zegt ze.

Dat het zal beteren voor jou.

*********

Ik had het moeten aan zien komen, vorige maand, op de receptie. Na mijn speech stond ze als een van de eersten recht om te applaudisseren.

Uiteraard.

Nog tijdens het applaus omhels ik haar. Mijn hand glijdt van haar rug naar haar heup en blijft daar rusten, met mijn duim streel ik haar rug, net boven haar billen. Dat ik in een zaal sta waar iedereen ons bekijkt, kan me niet schelen.

Ik steek mijn hand de hoogte in.

Hier sta ik.

Dit is mijn vrouw.

Ze kust me even.

Wij zijn gelukkig.

Wij zijn voor elkaar gemaakt.

Tijdens de receptie laat ze zich de obligate complimenten welgevallen. Het lof op haar man aanhoort ze alsof het haar verdienste is.

Ze denkt er het hare van. Dat zie ik.

Uiterlijk glimt ze van trots en even voel ik me weer één.

Wij kunnen een team zijn.

Als we willen kunnen we een team zijn.

Uren later in de auto op weg naar huis vind ik haar mooi.

Ik kijk haar aan, niet te lang want ik let op de weg. Het is donker, het is nat. De ruitenwissers kunnen het opspattend water amper aan. De straatlichten zijn al gedoofd. Ik richt me op de witte stippellijn die voorbijflitst in het midden van de weg. Ze heeft haar benen gekruist en als ze even oplicht, omdat de wolken wijken en de maan op volle sterkte schijnt, ervaar ik weer hoe schitterend ze is.

Ik leg mijn hand op haar knie, ze reageert niet. Haar hoofd ligt tegen het raam en ze slaapt.

Mijn hand streelt haar enkel en glijdt langs haar kuit in nylon tot onder de zoom van haar zwarte jurk. Pas dan schiet ze wakker en duwt mijn hand weg.

Ze blijft voor zich uit kijken.

Als het moet zijn we een team.

In het openbaar.

We zijn twaalf jaar getrouwd.

De weg en het weer vragen om concentratie en ik zet de radio stil, de ruitenwissers in de hoogste stand. Hun geluid overstemt de muziek en klinkt als het kloppen van een hart.

We spreken amper nog de laatste maanden.

Ik vraag me af wie er vanavond nog acteerde in deze farce van permanente positiviteit, voortdurende voorspoed en plezier.

Wij samen kunnen de wereld aan, zeg ik haar.

Wat we vanavond deden.

Sinds lang, zeg ik, deden we weer iets samen.

Niet dan?

We stonden er, zeg ik.

Ze zwijgt.

Of ik morgen kan zorgen voor onze zoon.

Dat hij tijdig in de Witte Merel moet raken.

Want zij gaat uit, met vriendinnen. Bijpraten.

Ik twijfel even, heb mijn agenda niet bij de hand. En mijn secretaresse kan ik op dit uur niet meer bellen.

OK, zeg ik.

Goed, zegt ze. Fijn dat je dat wilt doen.

Ze kijkt me even aan, glimlacht.

Morgen is het dinsdag en ik vraag me af wat onze zoon dan in de Witte Merel doet. Maar het is niet het moment om naar zijn activiteiten op dinsdag te vragen.

Met wie, vraag ik.

Carole en Anne.

OK.

Het is niet het moment om te vragen wie Carole en Anne zijn.

Het is vijf voor twaalf.

geen reacties
0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch

0 Toneel

Stukje

Bauke Vermaas