Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Weerzien

Door Peter Roling

‘U spreekt met Karel Onderdelinden.’
Na jaren heb ik eindelijk actie ondernomen. Ik wist gewoon nooit waar te beginnen. Vorige week heeft mijn dochter me geholpen met het zoeken van een telefoonnummer en uiteindelijk hebben we nog wat gevonden ook. Ik voel dagelijks aan mijn oude lijf dat nog langer uitstellen geen zin meer heeft. Misschien ben ik nu al te laat.
‘U kent me niet maar ik ben op zoek naar Carolien Oosterboer.’
Even is het stil aan de andere kant van de lijn.
‘Carolien Oosterboer is mijn moeder.’
‘Bij voorbaat mijn oprechte excuses, maar ik heb nog een hele vreemde vraag.’ Ik moet even moed verzamelen voordat ik verder kan. ‘Leeft ze nog?’
Op de achtergrond wordt overlegd voordat het antwoord komt.
‘Ja ze leeft nog, maar wie bent u eigenlijk?’
Een week later krijg ik een e-mail met een tijd en een adres. Ik mag langskomen.

Ik weet nog dat ik haar achtenveertig jaar geleden voor het eerst zag op de eerste dag van mijn nieuwe baan. Tijdens de kennismakingsronde werd ik aan haar voorgesteld. Een prachtige slanke vrouw in een grijs mantelpakje. Haar schutkleur grapten we later altijd.
‘Ik ben Carolien. Dus jij komt ons helpen.’
Eerst hielpen we elkaar gewoon met het werk. Maar al snel kregen we te leuke gesprekken over literatuur of over eten en voor ik het wist hielp ik haar met het kookboek dat ze aan het schrijven was, gingen we samen squashen en zongen we elke vrijdagnacht Nederlandse smartlappen in een karaoke kroeg in Amsterdam. Uren lang hingen we aan de telefoon en deelden we alles wat er te delen viel over vrienden, familie en exen. Ik was haar beste vriendin.
Vriendschap tussen een man en een vrouw kan echter nooit lang duren. Wat dat betreft hebben we het met drie jaar nog lang volgehouden, maar toen kon ik er echt niet langer omheen. Nadat ik haar vertelde dat ik hopeloos verliefd op haar was en we samen besloten dat dat als collega’s echt niet kon was het snel afgelopen. Kort daarna is ze ergens anders gaan werken en heb ik haar niet meer gesproken.

‘We zijn er,’ zegt de taxichauffeur en hij stapt uit.
Na een lange oprijlaan met platanen zijn we gestopt voor de voordeur van een monumentaal pand. De chauffeur opent mijn deur en steekt zijn hand naar me uit.
‘Ik zal u even helpen, meneer.’
Hij sleurt me min of meer de taxi uit, geeft me mijn wandelstok en na mij een fijne dag te hebben gewenst rijdt hij weg en blijf ik wankel achter. Het ziet er hier uit als een prachtige omgeving om oud te worden. In elk geval veel beter dan mijn etage met traplift in Den Haag.
‘Meneer Onderdelinden.’ Een vrouw dartelt de trap af en komt naar me toe. ‘Goed dat u er bent.’
Lange blonde haren wapperen achter haar aan. Ze heeft een spijkerbroek aan en een grijze trui met wijde hals waardoor het zwarte bh bandje op haar linker schouder voor iedereen te zien is. Mijn god, wat ziet ze er vertrouwd uit, maar nog zo jong. Ze schudt me de hand.
‘Ik ben Chantal. En u komt voor mijn oma.’ Het was de constatering van een duidelijk kordate vrouw. ‘Mijn moeder is al bij haar.’
Chantal geeft me een arm en langzaam lopen we naar de deur.
‘Wat fijn dat ik mocht komen,’ begin ik te vertellen. ‘Ik ben jouw oma lang geleden uit het oog verloren, weet je.’
‘Dat weet ik. Maar nooit uit het hart. Toch?’
Nee, nooit uit het hart. Soms bewijs je echte liefde door iemand helemaal los te laten.

Samen schuifelen we door de lange en schemerige gang, zo’n gang met een systeem plafond, zo’n gang die alleen licht krijgt van tl-balken en uit de kamers ernaast op de plekken waar een deur open staat. Bij elke stap echoot mijn wandelstok door de gang. Een verpleegster loopt met een ondersteek in haar hand haastig rechts een kamer in. Er hangt een vreemde geur, een mengeling van poep en schoonmaak middelen. In een kamer links roept iemand keer op keer om een zuster. Zo mooi als het buiten was, zo uitzichtloos is het binnen. En verrek, de oudjes die ik zie lijken wel jonger dan ik.
‘Oma is niet meer zoals vroeger. Nadat opa drie jaar geleden is overleden is ze snel achteruit gegaan. Mij herkent ze niet meer en meestal herkent ze ook mijn moeder niet.’ Chantal vertelt rustig verder. ‘Maar ze heeft ook goede dagen hoor en ze is altijd vrolijk. Zeker wanneer wij iets lekkers meenemen. Ze heeft vroeger kookboeken geschreven, weet u.’

De kamer is klein maar vooral leeg en wit. Een bed, een tafel, een kast, een Ikea prent van een Amsterdamse gracht aan de muur en midden in de kamer een grote stoel, met de rug naar de deur. De ramen kijken uit op de oprijlaan waar langzaam een zwarte limo aan komt rijden. Bij de stoel zit een vrouw op een krukje met in haar hand een kommetje en een lepel. Ze praat zachtjes en wanneer ze me ziet staat ze op.
‘Meneer Onderdelinden? Goedemiddag, ik ben Marjolein. Goed dat u er bent.’
Ietwat wiebelig leun ik zwaar op mijn stok. Ik kan nu niet meer terug en mijn hart klopt in mijn keel.
‘Ze heeft vandaag helaas geen goede dag.’
Langzaam loop ik de kamer in naar de ogenschijnlijk lege stoel. Al snel zie ik een slanke rimpelige hand op de armleuning. Twee stappen later ook een arm met de mouw van een grijze trui. Bij elke stap zie ik meer van de persoon die in de stoel zit tot ik voor haar sta en op het krukje ga zitten.
‘Komt u de crème brûlée brengen,’ vraagt ze me.
‘Nee, ik kom niet met de crème brûlée.’ Ik denk aan het kommetje. ‘Je hebt net toch iets lekkers te eten gehad?’
Carolien is anders en toch hetzelfde. De tijd heeft zijn sporen achtergelaten op haar gezicht en in haar haar, maar ze is nog steeds prachtig zoals tachtigjarigen elkaar prachtig vinden.
‘Ik ben Karel. Karel Onderdelinden.’
Carolien kijkt langs me heen naar buiten.
‘Karel,’ herhaalt ze bedachtzaam. Zou ik mezelf eigenlijk wel herkennen? Bij mij heeft de tijd ook bepaald niet stilgestaan. Het is allemaal zo lang geleden. Mijn hand aait zachtjes over haar hand zoals je een baby aait, of misschien een poes.
‘Ja, Karel. Van vroeger. Toen je nog in Delft woonde.’
Ik kijk even over de stoel naar Marjolein en Chantal die op de drempel staan. Marjolein maakt een machteloos gebaar en haalt een zakdoekje uit haar zak. Ik pak beide handen van Carolien en begin zachtjes te zingen.
‘Je zegt ik ben vrij, maar je bedoelt ik ben zo eenzaam.’ Nu kijkt Carolien me aan. Haar blik lijkt wat veranderd. ‘Je voelt je te gek zeg jij, maar ik zit niet te dromen.’ Opeens legt ze langzaam haar hand op mijn wang en kijk ik diep in haar vochtige ogen. Ik zie dat ze iets zegt, maar het is nauwelijks te verstaan. Wil ze iets hebben? Ik begrijp niet goed wat.
En dan hoor ik het opeens. Het is bijna niet te horen, maar ze zingt. Ze zingt ‘geef mij nu je angst.’ En wanneer ik bijval gaat ze iets harder zingen. ‘Ik geef je er hoop voor terug.’
Met een brok in mijn keel kijk ik bijna triomfantelijk naar de twee vrouwen op de drempel. Maar wanneer ik weer naar Carolien kijk zie ik dat het alweer weg is. Weer die lege blik zonder herkenning.

Ik haal mijn hand door haar dunne haar en kus haar zachtjes op haar voorhoofd. Even was Carolien weer bij me. Ik was nog op tijd.

geen reacties
0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch

0 Toneel

Stukje

Bauke Vermaas